De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

26 minuten leestijd

De Synodale voorstellen op de CÏassicale vergaderingen.

De CÏassieale vergaderingen zdjn weer in 't zicht. Woensdag 26 Juni is 't de dag. En dan komen ook aan de orde de door de Synode voorloopig aangenomen Reglementswijzigingen.

We gelooven de Synode recht te doen, wanneer we zeggen, dat zij verleden jaar getracht heeft zoo nuttig mogelgk werkzaam te zijn. Bij de huidige ongelukkige Bestuursinrichting mö^en en kunnen we niet veel bizonders verwachten. Ook zijn de tijdsomstandigheden niet gunstig. Maar wat aan de orde was heeft de Synode met ernst behandelt en het resultaat is ons nu voorgelegd in 9 voorloopig aangenomen Reglementswijzigingen.

Voorop stellende dat onze Kerk een gansch andere wijze van Kerkregeering noodig heeft, willen we van de Synode nochtans welwillend aannemen, wat bruikbaar is, daarbij ook evenwel vrijmoedig verwerpend, wat we, naar onze overtuiging, niet goed vinden en schadelijk achten voor ons kerkelijk leven, Gods Woorden onze belijdenis aoo veel mogelgk in deze als gids erkennend.

Laat ons de negen voorstellen even samen lezen:

No. 1, 2, 3, 4, raken allen de wiijziging van art, 3* Algem, Reglement, Doch waar het over zulke geheel vers«hillende dingen gaat, heeft de Synode het goed gevonden elk onderdeel in een afzonderlijk voorstel te belichamen, opdat men ook over elk onderdeel afzonderlqk sou kunnen sprekep en stemmen, wat we zéér toejuichen.

Bij art, 3* Algem, Regl, kwam telkens de vraag: is de lijst van stemgerechtigden gedurende het jaar dat zij geldig is, veranderlijk of niet? Moeten lidmaten die 23 jaar geworden zijn en een jaar in de gemeente zijn in den loop van het jaar op de Igst gebracht worden, omdat zij aan de voorwaarden van art, 3* Alg. Regl. voldoen, evenals de lidmaten, die onder curateele komen staan of bedeeling krijgen, er in den loop van het jaar moeten worden afgevoerd? Of blijft de lijst onveranderd?

Allerlei vragen. En daarom is reeds lang gezegd: als een onveranderlijke lijst gewenscht is, moet art, 3* Alg. Reg worden gewijzigd en duidelijk verwezeii worden naar een Igst, die ten slotte alleen en voor goed uitwijst, wie het stemrecht bezit.

Mede uit deze overwegingen is nu voorstel No, 1 geboren, om art, 3* Algem. Regl. te beginnen met een nieuwe alinea, waarin staat dat het stemrecht uitgeoefend wordt overeenkomstig de bepalingen van het Syn. Regl. op de benoeming enz. dat dan de nadere uitwerking van het in algemeenen zin in art, 3* vastgestelde aal moeten brengen. Afgezien dus van dat vast te stellen Regl. op de benoeming is dus deze wgziging van art. 3* Algem. Regl. aan te bevelen, daar nu de algemeene bepalingen en omschrijvingen niet meer los van de practijk blijven staan, maar nader moeten werden beperkt en gereglementeerd.

No. 1 dus aannemen.

We springen van vooretel No. 1 op No. 3, omdat No. 2 handejt over het vrouwenstemrecht en dat bewaren we nog even.

Over het bedeelden-stemrecht gaat No. 3. En we zouden zeggen, hoewel er zeer zeker practische; bezwaren zijn en blijven, dat voorstel moeten we nu maar aannemen. Men leze de korte, duidelijke toelichting welke aan het Synodale voorstel is toegevoegd.

No. 4 bedoelt om het mogelijk te maken, dat stemgerechtigde lidmaten eener Gemeente, bij verandering van grensregeling aanstonds het stemrecht kunnen uitoefenen in de Gemeente waaraan zij buiten hun toedoen door de grenswijziging zijn toegevoegd. Ons dunkt daar zal ieder wel voor zijn. Aannemen dus.

No. 5 gaat over de benoeming van den aecudus-scriba. Niet over hem die als secundus lid van het Class. Best. wordt aangewezen om hem, die scriba is, bij uitvallen dan als primus lid van het Class. Best. te vervangen. Maar over hem die als secundus funetionaris moet worden aangewezen en die dus bij uitvallen van den primus-scnftos alsdan als smöa heeft op te treden. Daar zal dus bij de verkiezing van secudi bizonderlijk op gelet moeten worden wie bepaaldelijk ala secundm-scriba zal optreden. De nieuwe bepaling zegt, dat daarvoor een primus lid kan worden aangewezen, wat o. i. héél goed is, daar zoo iemand reeds iets van 't klappen van de zweep kent; wat vooral bg het optreden als scriba wel noodig is. Aannemen dus.

No. 6 is ëen Nieuw Synodaal Regl. • - op de benoeming, waarbij 't voornaamste is art. 3, dat handelt over'de lijst van stemgerechtigden. Die op 31 Oct. aan de gestelde eischen voldoen komen er op. Na ter visie gelegen te hebben enz wordt ze dan vastgesteld en blqft van kracht tot den Isten Nov. van het volgend jaar.

Zoo is in Delft reeds jaren en jaren de practijk en we vinden dit 't best en 't meest aan te bevelen.

Die lidmaat is behoort ook op de kiezerslijst. Zich daarvoor te moeten aangeven is niet billijk. Als men z'p attestatie ingediend heeft of belijdenis gedaan heeft dient de kerkeraad daar notitie van te doen en voor de plaatsing op de stemlijst te zorgen.

Natuurlijk zal dat in groote gemeenten groote bezwaren hebben. Maar dan tnoet de Kerk ook in haar administratie maar een beetje meer met haar tqd meegaan en dan moet door de lidmaten zelf, als de lijst ter visie ligt, maar worden acht gegeven of hun naam genoteerd is.

Wq zijn er voor om voorstel VI aan te nemen.

In het zevende Syn. voorstel wordt door wqziging van art. 41 al. 2. Regl. op de vacaturen bedoeld om een te beroepen predikant f 1500 tractement, benevens vrije woning, te verzekeren.

We vinden het niet 't ideaal dat dit gereglementeerd moet worden. Maar 't zal in, de practijk zeer zeker goed werken en het is broodnoodig, dat in deze wat toezicht komt. Daarom, hoewel f 1500 veel te weinig is, zijn wij er voor, dat dit voorstel wordt aangenomen. Misstanden maken het noodzakelijk.

No. 8 van de Syn voorstellen bedoelt aan art, 2 van het Regl. op het Hulppredikergchap als tweede alinea toe te voegen: „Bovendien kunnen predikanten, dienstdoende in een Gemeente van niet meer 4an 400 zielen, voor herderlijken en catechetischen arbeid als hulppredikers worden aangesteld tegen een gewaarborgde vergoeding." Die prediicanten die dus in eigen; kleine, gemeente niet genoeg w«rk vinden en tijd over hebbeu, kunnen er een werkkring bij krijgen in een naburige gemeente, die voor den aldaar dienstdoenden predikant of de daar dienstdoende prndikanien, te groot is en te veel werk biedt. Gebrek aan werkkrachten maakte dit voorstel noodzakelijk. Zoo kan dus b, v, Muiderberg's pastor den predikant van Buasum of de predikanten van Hilversum bijspringen, zonder dat het aantal predikanten vermeerdert. Dat deze regeling ons in alle opzichten aanstaat kunnen we niet zeggen, We vreezen voor de kleine gemeenten; ook zullen de moeilijkheden in de groote gemeenten bij deze regling niet gering zijn. Neemt men deze wijziging van art, 2 van het Regl. op het Hulppredikerschap aan, dan is 't ons goed. Valt het, dan zullen we er geen traan om laten. Hier zijn flinkere maatregelen (stichten van meer predikantsplaatsen b.v meer aan te bevelen, dan 't geen nu wordt voorgesteld. Aan den anderen kant ia 't beter iets dan/uiets.

Het 9de voorstel raakt onze archieven. Voor zoover we er verstand van hebben gaan, we met deze regeling op de bewaring, de instandhouding en het gebruik van de kerkelijke archieven aceoord. Hier is zeer "zeker nog wel iets te regelen. En wat men nu voorstelt, komt ons zéér aannemelijk voor. Zij het vele archieven ten zegen!

En zoo komen we dan nu aan voorstel No, 2, handelend over hét vrouwenstemrecht, dat we voorloopig even op zg gelegd hadden, om eerst de andere, meer zakelijke dingen, af te handelen. Breed zullen we deze zaak van het vrouwenstemrecht niet opzetten. Het is iets dat aan de orde is; veel is er over geschreven — maar eenstemmigheid is niet verkregen. Men wil de vrouw toelaten aan de stembus, om mee te helpen stemmen-Om mannen te helpen kiezen; want zelf is men niet verkiesbaar; althans niet als predikant, noch als ouderling, noch als diaken; wel als lid van bet kiescollege. Bij de verkiezing van Gemachtigden voor het kiescollege — die groote jaarlijksche stemming in de Gemeente, welke zooveel beroering geeft, zooveel hartstochten ontketent en van zooveel gewicht is — zal dus de vrouw ook mee ter stembus gaan. Ze zal dan ook zelf gekozen kunnen worden als Gemachtigde. Maar in het kiescollege zal zij niet anders dan op mannen mogen stemmen. Dat is zoowat half werk. Dat is ten slotte de vrouw op de mat laten staan. En dat is niet behoorlijk. Althans dat zal, vermoeden we, spoedig zoo gezegd worden, als de vrouw eenmaal stemrecht heeft ontvangen. Dan zal ze ook verkiesbaar moeten worden; en tot het ambt moeten worden toegelaten. Dan zal men zeggen: waarom kan de vrouw geen diaken(es) zijn? waarom ook niet in de ouderlingenbaink zitten en huisbezoek of ziekenbezoek doen? Waarom geen predikant zqn? Van 't een komt het ander, Waarbg het aantal vrouwelijke lidmaten het aantal mannelijke leden in de Kerk overtreft en alzoo een vrouwenregeering volstrekt niet onmogelijk is.

Volgens Gods Woord is het regeerambt voor de vrouw afgesloten. Ook bevalt het in de practijk volstrekt niet, dat er vrouwelijke predikanten zijn. 't Lijkt zoo mooi. Maar Gods Woord geeft in deze nog niet zulke heele dwase lijnen aan! Voor Christus is een vrouw niet minder dan een man, evenals een slaaf niet minder is dan een vrqe. Maar daarom moet men in het gewone leven de vrouw niet pp de plaats van den man gaan zetten; ook niet gaan zeggen, dat aan de vrouw gelqke rechten gegeven moeten worden als aan den man. Tot het speciale ambt heeft Christus de vrouw niet geroepen. En van gelijke positie 'in het leven is, naar Gods scheppingsordinantie, geen sprake.'t Soortverschil moet van kracht big ven. De vrouw beeft geen mindere, maar toch een andere taak. Maar daarom moet de vrouw wel gedoopt worden — in onderscheiding van de inzetting der besnijdenis, welke onder de Oude Bedeeling alleen de mannen gold. En als nu de Gemeente in de gelegenheid gesteld wordt om door stemming haar oordeel uit te spreken en mannen aan te wijzen, die tot predikant zullen beroepen worden of tot ouderling of diaken benoemd (wat eigenlijk onder leiding van het ambt, wat eigenlijk door den Kerkeraad dus moest geschieden), mogen de vrouwen dan niet haar meening zeggen, door middel van het stembiljet?

Heel die stemmerq in onze gemeenten kan eigenlijk niet door den beugel, 't Is alsof de Gemeente een democratie is. waarin het volk zichzelf regeert. En dat is uit den booae. En zoo komt in dit verband het vrouwenstemrecht alles nog veel meer vertroebelen.

Of in een geordend, kerkelijk leven, waar beroepingswerk en verkiezingswerk ondfr leiding van het ambt staat, de vrouw niat zou mogen worden geraadpleegd bij de vraag welke man beroepen en wie benoemd moet worden? Of zij niet mede haar stem mag laten hooren in de Ge^ meente wat deze dingen betreft?

We zouden het niet durven ontkennen De vrouwen zijn niet zelden belangstellend; en ze hebben er zelf ook grootelijks belang bij.

De Schrift geeft in deze geen duidelijke en alles afdoende regelen. Aangaande de wijze van verkiezing leert zij ons, dat deze in den eersten tijd geschiedde onder leiding van de Apostelen, Hand. 1:15 enz., 6 : 2, 14:23, of van degenen die daartoe door de .apostelen waren aangesteld. Tit. 1:5, En, althans te Jeruzalem, geschiedde dit dan met medewerking van de geheele gemeente. Hoe en op welke wijze die medewerking geschieden moet, wordt in het Woord Gods niet uitdrukkeiijk voorgeschreven.

Wat Hand, 1 betreft is Jiet verloop waarschijnlijk geweest, dat door een schare van omtrent 120 personen (vers 15) onder welke , de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus" (vers 14) een tweetal gesteld w©rd (vers 23). En na de loting wordt dan „met algemene toestemming" Matthias tot de elf apostelen gekozen (vs 26).

Ook de vrouwen zullen hier wel mee gestemd hebben. Want als Petrus hier „de mannen" aanspreekt, dan is dat een gewoonte, waarbij toch heel de gemeente betrokken is; „broeders" wil zeggen „broeders en zusters" (1 Cor. 2:1, 3:1, 4:6, 10:1, 11:2, 12:1, 15:1, 58, 16:15 en vele andere plaateen).

Slechts dan worden de zusters aangesproken als 't speciaal tot haar gaat. Van de aanspraak „broeders en zusters" bedienen de apostelen zich nooit. Dat er dus in Hand. 1:16 staat „mannen broeders" bewijst niet, dat de Apostel zich uitsluitend en alleen richt tegen de mannen en dat de vrouwen bij de medewerking aan de verkiezing (wel bij de verkiezing zelve) zijn uitgeschakeld.

En zoo zouden we ook Hand. 15 kunnen noemen. Daar staat dat in de Jeruzalemsche vergadering geoordeeld en beslist is door de ambtsdragers, apostelen en ouderlingen; maar die beslissing is daarna door de geheele gemeente goedgekeurd; en de geheele gemeentis heeft haar goedkeuring betuigd door aan de verkiezing van afgevaardigden naar Antiochie deel te nemen — en dat de geheele gemeente hiertoe werd uitgenoodigd, spreekt sterk ten gunste van het doen medewerken van alle leden, van de vrouwelijke zoowel als de mannelijke, in die kerkelijke aangelegenheden, welke niet de regeering der Kerk betreffen of uit haren aard ambtelijk zqn.

Of dus de vrouw verkiesbaar ia tot het regeerambt — is voor ons geen vraag. Tot regeeren is de vrouw niet geroepen en het ambt heeft Christus haar niet gegeven. Maar overigens verbiedt de Schrift volstrekt niet, dat de vrouwen niet zouden mogen, mee oordeelen in de gemeente.

En 1 Cor. 14 : 34-dan, waar toch staat „dat uwe vrouwen in de gemeente zwijgen"?

Paulus heeft het hier over de geestelqke gaven, met name over het spreken in vreemde talen en over de profetie, d. i. de gave om de Heilige Schrift uit te leggen (vers 3).

En als in vers 29 en 30 daarvoor eenige regelen gegeven worden, dus voor de prediking in de vergadering der gemeente, dan laat de Apostel onmiddellijk volgen: , dat uwe vrouwen enz." (vers 34—35).

Niemand heeft uit Paulus' woord ooit afgeleid, dat de vrouwen altijd en onder alle omstandigheden in de samenkomsten der gemeente moeten zwijgen. Ze mogen meezingen. Ze mogen mee belqdenis doen. Ze mogen het ja-woord spreken bij trouw en doop, 't Eenige wat haar hier ontzegd wordt is het „openlijk spreken tot de gemeente, al zgn zij ook met goede kennis begaafd" (zie kantteek. Stat. Vertaling), Dit is, aegt de Apostel, in strgd met haar onderworpenheid.

Merkwaardig is het oordeel van een bekend R, O, hoogleeraar en wel van prof, Aengenent, die in De Katholiek van Maart 1916 schreef: „Nu ia daarmede niet anders bedoeld dan dat de vrouw volgens de instelling van Christus het predikambt niet mag uitoefenen in Zijne Kerk; dat zij niet tot de priesterlijke, bisschoppelijke en pauselijke waardigheid mag worden toegelaten, dat aij dus nimmer aan het bestuur Zijner Kerk kan deelnemen. Doch geenszins ligt hierin opgesloten, dat het, afgezien van positieve, kerkrechtelijke bepalingen, absoluut zou zijn verboden, dat zij ooit zou mogen medewerken aan de verkieziiag van kerkelijke waardigheidsbekleeders. Zoo geschiedde het in de hooge oudheid, toen de bisschopskeuze nog niet aan een bepaald deel der geestelijkheid was toevertrouwd, dat het geheele volk, inclusief de vrouwen, wel eens aan die keuze deelnam. Ook thans nog bestaan er in Duitschland enkele Katholieke gemeenten, waar de zelfstandige vrouwen, op grond van het patronaaterecht der gemeente, den pastoor mee helpen kiezen."

Uit deze voorbeelden concludeert dan de hoogleeraar, dat de Roomsche Kerk in het woord van den Appstel niet de bedoeling gelezen heeft de vrouw uit te sluiten „van het stemrecht in kerkelijke aangelegenheden, "

Het soortverschil tusschen man en. vrouw moet dus ten allen tijde geëerbiedigd worden. Tot regeeren is de vrouw niet geroepen (hoewel de weduwe-moeder het hoofd van het gezin ia en ook een vrouw, onder biaondere omstandigheden, als koningin tot regeeren geroepen wordt) Tot het ambt heeft Christus haar niet geroepen. Zoo moet en mag ze dus ook niet optreden in de Gemeente, Maar daarmee is volstrekt niet gezegd, dat ze niet mag mee werken in de gemeente, dat zij niet mag mee getuigen in de gemeente, dat ze niet mag mee oordeelen en aternmen in de gemeente. Een inwonende zoon is ook niet tot regeeren, maar tot gehoorzamen van zijn ouders geroepen, maar mag wel zelfstandig stemmen; is, als man, ook gerechtigd tot het regeerambt zelfs. De verschillende sferen des levens mbeten onderscheiden blijven, In geestelijke dingen, wordt de vrouw in de Schrift niet achter gesteld bij den man. De eerste boodschap der opstanding niet aan de mannen, maar aan de vrouwen; die ook getuigen. Als Paulus de t­groeten overbrengt van het echtpaar Aquila en Priscilla, dan noemt hij den man 't eerst, maar als hij de groeten aan het echtpaar laat overbrengen, dan stelt hq de vrouw voorop; en beiden noemt hij zijn „medewerkers" in Christus JeauB. En Calvijn teekent bij Hand. 18 aan: „we bemerken hier dat een van de voornaamste leeraren der Kerk (Apollos) door eene vrouw (Priscilla) is onderricht."

Johannes, de apostel der liefde, richt zelfs éen zijner drie zendbrieven aan , de uitverkorene vrouwe." In de geestelqke, kerkelijke sfeer, behoeft de vrouw dus niet bij den pian te worden aehtergesteld, als het soortverschil tuaschen hen eerbiedigd wordt en het ambt voor haar ­gesloten blijït Natuurlijk kan Gal 3 : 27, 28 niet beteekenen, dat er geen natuurlijk I soortverschil meer tusschen man en vrouw zou zijn in de Kerk van Gallatië. Maar hij zegt „want gij allen zijt éen in Christus; en zoo velen als gij in Christus gedoopt zqt en Christus aangedaan hebt is er onder u noch Jood, noch Griek, ­ noch dienstdoende, noch vrije, noch man, re noch vrouw." Hierin ligt het voorrecht, dat de geloovigen des N. T. bezitten boven die dea Ouden. Geen onderscheid, tusachen nationaliteit, stand of seie. De dienstbare en de vrouw staat nu niet meer aisbter bij den vrqe en bij den man. Daarom ook in het sacrament verschil, want onder het O. T. werd de Trouw gerekend in den man; onder het N. T. treedt de vrouw mee op. Naar de hooge feesten moesten alleen de mannen driemaal 'sjaars opgaan; de vrouwen waren van heel den tempeldienst zoo goed als uitgesloten enkregen in de Synagoge een plaats achteraf. Van al deie bepalingen is thans de vrouw vrijgemaakt. En bg de bediening dea Woords, der sacramenten, der gebeden; bij 't gezang, bg 't brengen van dankoffera voor 'a Heeren aangezicht, zgn man en vrouw gelijkt *

Ook is de vrouw bevoegd mee te oordeelen 0ver leer en leven van hare medeleden der Kerk, over de ambtsdragers ala zoodanig. Zg mag klacht of vraag of beschuldiging indienen bij den kerkeraad als lidmaat. En op haar woord en brief wordt evengoed acht gegeven dan op het woord of schrijven van den man. Waarom zou dan de vrouw moeten wor­ den uitgesloten, in geval het oordeel der geloovigen gevraagd wordt over personen, die voor een beroep of voor het ambt van ouderling of diaken in aanmerking komen?

In vele kerken in Amerika en Australië, in Denemarken, Noorwegen en IJsland bezitten de vrouwen reeds het z.g.n. actieve stemrecht en soms ook het passieve stemrecht voor commiasies van armenzorg, ziekenverpleging enz. — gelijk ook hier wel in sommige gemeenten vrouwelijke hulpkrachten voor de dia-"kenen aangesteld zijn.

In Zwitserland hebben vrouwen dikwerf het actieve stemrecht in zaken van beheer en ook wel in de verkiezing van personen tot het ambt. Onverdeelde sympathie vbnden deze maatregelen niet, maar men is er in Zwitserland toe gedwongen, omdat de mannen zich meer en meer aan de Kerk onttrekken.

In Duitschland wordt er onder de vooruitstrevende liberale vrouwen over het kerkelgk stemrecht druk gesproken, maar anderen verwerpen het met beslistheid.

En nu heeft de Synode hier ons plotseling ook voor de kwestie van het vrouwenstemrecht geplaatst, door in 1917 in beginsel heb actieve vrouwenstemrecht met 14 tegen 5 stemen aan te nemen (het passieve kiesrecht der vrouw werd met 10 tegen 9 st. verworpen ; anders zou de vrouw dus óok tot het ambt verkiesbaar zjjn I)

Een der argurdenten was: men mocht de vrouw toch niet achter stellen hg de bedeelden, die nu ook tot de stembus zonden worden toegelaten .

Hoe hebben we nu tegenover dit voorstel te staan?

Bèslist verwerpen!

En.... mag dan de vrouw niet meespreken, niet mee oordeelen, niet meestemmen? Is dat pas niet betoogd?

Dat we allerlei dingen zoo pas naar voren gebracht hebben deden we, opdat we met onderscheidene argumenten en redeneeringen kennis zouden maken. Opdat we ook billijk en rechtvaardig zouden zijn. Opdat we voorbereid zouden zijn op allerlei bewijsvoering en den . rechten zin der dingen ook zouden trachten te vatten. Want we moeten ons hier niet met een paar „dooddoeners" en groote woorden van de dingen afmaken.

Maar dan zien we ook, dat de kwestie waar het om gaat lang nog niet aoo duidelijk is, volgens Gods Woord, als men het wel eens wil voorstellen.

­ Waarbij hier in Nederland absoluut geen vragen naar het stemrecht bij de vrouwen is. En wat in deze niet begeerd en gevraagd wordt moet fnen ook niet geven. Z6o weinig belang stellen de vrouwen hier in deze zaak, dat bij de onlange te Middelburg gebonden verkiezing voor den kerkeraad der Israëlietiache gemeente, waar voor het eerst aan de vrouwen het kiesrecht was verleend, slechts een enkele vrouw van dit recht gebruik maakte.

Daarbij komt dat het stemrecht in onze Herv. Kerk, waarbij het ambt alle leiding ontnomen is, een zuivere machtsoefening is geworden, 't Js bg ons volstrekt niet, wat het zijn, moest zijn naar gereformeerd Kerkrecht, dat de gemeente de personen aanwijst, die zg voor' een beroep of voor een of ander ambt aanbevelenswaardig vindt, waarbij het beroep zelf of de verkiezing zelve dan aan den kerkeraad (het ambt) blijft — 't is bij ons helaas geworden een democratie; het aandringen van en het beslissen door de massa, waarbij de helft plus éen alles  uitmaakt. Dat is bij de verkiezing van gemachtigden zoo; maar dat is ook zoo in het kiescollege, waar niet de kerkeraad beroept of verkiest tot het ambt, maar de leden van het kiescollege (de helft plus éen), waarbij alleen de kerkeraad, na de vergadering van het kiescollege, den beroepsbrief in orde te maken heeft. En nu 'Wordt het een werpen van de vrouw in dien strijd om de macht. \^aar de vrouw niet hoort. Waar de echte vrouw ook niet zijn wil.

" Nu wordt het, in deze ook op kerkelijk terrein zoo critieke tijden, een oproepen van de laatste reserves. Waarbij de vrouwen worden opgecommandeerd , terwgl deze het volstrekt niet hebben gevraagd en het, behoudens enkele uitzonderingen, in doorsnee genomen ook volstrekt niet hebben begeerd. zelfs nu in deze dagen, nu er over dez taak moet worden beslist, is er geen enkele vrouw, die er eigener beweging voor opkomt.

En daarom — we weten wel, wat men zoo al vóór het vrouwenstemrecht aanvoert.

We weten wel, wat argumenten tégen het vrouwenstemrecht zijn.

We weten wel, welke tegen-argumenten niet houdbaar zijn.

We weten ook, wat in een geordend kerkelijk leven naar uitwgzen van Schrift en belijdenis, aan te bevelen zou wezen.

Maar we weten ook, dat nu de dingen zoo verward en verkeerd liggen. Dat nu het stemrecht een machtoefening is of bedoelt. Dat de vrouw daar volstrekt niet thuis hoort. Dat de vrouw, het' ook niet begeert. Dat het de grootste verwarring zal geven,

En daarom zgn we op Schriftuurlijke en practische grouden..zéer sterk tegen voorstel No, II, waarom we met klem zouden willen zeggen: laat ons zorgen dat dit voorstel met verpletterende meerderheid door de Clasaicale vergaderingen wordt verworpen !

De rechtstreeks te verkiezen Synode.

Ds. Eilerts de Haan behandelde Donderdag 30 Mei 11. op de N.-Holl. vergadering van Vrijz. Hervormden de voorstellen van het Hoofdbestuur der Vrijz. Hervormden, op de agenda van de eerstkomende Algemeene Vergadering voorkomende, betreffende de rechtstreeks t» verkiezen Synode (zie Weekbl. voor de Vrijz. Herv. 28 Maart '18). Aan een courantenverslag ontlèenen we 't volgende:

„Spr. kon op de hoofdbestuursvergadering met dat voorstel zich niet vereenigen en zal er nu ook tegen adviseeren. Het voorstel wil de wetgevende macht aan de oude Synode (Algemeen Kerkbestuur) ontnemen en toegekend zien aan de rechtstreeks verkozen Synode. Deze Synode zal zonder de consideraties der kerkelijlce vergadering en besturen zelf. standig wetten maken. Voor de verkiezing van deze Synode wordt de Kerk in 50 kiesdistricten, elk van ongeveer 50, 000 leden, verdeeld. Dit voorstel ia voortgekomen uit een denkbeeld Van dr. von Senden. Tot lid van deze Synode zijn alle lidmaten benoembaar,

Spr, erkent dat de wetgeving in én Kerk uiterst langeaam gaat, maar acht de bezwaren van dr. vón Senden zeer overdreven. De Synode heeft, ondanks vele grieven, ongetwijfeld menigmaal uitnemend werk gegeven. De Kerk bestaat uit gemeenten, niet uit lidmaten, daarom is de Synode wel degelijk een' vertegenwoordigend lichaam. Als men de verruiming der verkiesbaarhèid voor de Synodn wenscht, kan dit beter op andere wijze geschieden, Spr. verwacht van dit voorstel geen beëindiging van de domiueesregeering of verlevendiging van de belangstelling en op zichzelf acht hij het voorstel stellig onaannemelijk. Het is in strijd met den grondslag van onze Kerk; de nieuwe Synode zou geen enkel verband houden met de overige organen der Kerk. Spr. acht voorts dit voorstel zeer inopportuum. Do bovendrijvende party zou daardoor oppermachtig worden. De instemming van prof. Slotemaker de Bruyne geeft te denken."

Van dit voorstel zal dus waarachijnlgk wel niet veel terecht komen waar een vooraanstaand moderne als dr, Eilerts de Haan, zelf lid der Synode, er zóo over oordeelt. Dat we het hartelijk eens zijn met ds. de Haan in de principieele bestrijding xal men gemakkelgk begrijpen, 't Zou een omkeeren zijn van de eerste en eenvoudigste kerkrechtelijke beginselen, altijd in onze Geref.. Kerk. geëerbiedigd.

De Hervormde Kerk, bolwerk voor Vrijzinnig Christendom.

Op dezelfde Provinciale vergadering der Vrijz. Hervormden in N.-Holland, r te Amsterdam 30 Mei j 1. gehouden, ' heeft ds. D. Boer over: „De Hervormde Kerk, bolwerk voor Vrijzinnig Christendom" gesproken.

Aan een verslag voorkomend in de Nieuwe Rotterdammer pntleenen we onderstaand relaas:

„Spr. gelooft dat het noodig is geworden met 'alle nadruk iets goeds te zeggen van de Ned. Herv. Kerk, ondanks al . haar gebreken, omdat er aooveel kwaad van haar is gezegd, aoowel van rechts als ' van links. Dientengevolge heeft de Kerk een slechten naam gekregen, zoowel onder hen die tot haar behooren als bg de dissenters,

Spr, wil doen uitkomen, dat de Kerk ondanks haar vele gebreken, een machtig middel is voor de verspreiding van de vrijzinnig-godsdienstige beginselen onder i^ua volk. De raad, in kleine en groote pers zoo menigmaal gegeven, dat de vrijzinnigen de oude Kerk moeten verlaten en een eigen orgaan stichten, is de slechtste raad, die ooit gegeven is; zij zouden daarmee hun hechtste bolwerk prgsgeven. Daarop past maar één antwoord: wij blijven; niet alleen om de wille van het godsdienstig belang van ons volk, maar ook omdat de Kerk voor ons om haarzelfs wil waarde heeft. Dit is het sterkste wapen in den strijd, dat de Kerk het hart van het volk heeft. Zij spreekt tot het onbewuste en onderbewuste leven van ons volk. De breede middenstof gaat niet doleeren, maar blijft trouw aan de Kerk en de slapende elementen zijn alleen door de Kerk te bereiken. Uit deze middenstof worden steeds nieuwe krachten gerecruteerd. Als tweede punt noemt spr. het geestelijk contact met andersdenkenden. Hij acht het een zegen voor de moderne richting, dat de Hervormde fractie tot nu toe voortdurend in kerkelijk contact heeft gestaan met de orthodoxen,

400 Vrgz. predikanten werken in ons land onder sanctie van de Kerk; ontleenen aan haar hun gezag en genieten mede van het stoffelijk vermogen van die Kerk. Het is de vraag of de vrgzinnigen op zichzelf 400 predikanten zouden kunnen aanstellen; dat zou jaarlijks een rnillioen kosten. Deze zouden dan over het geheele land hun werk vinden.-Als de daarvoor noodige samenwerking er was, zou dat ook nu kunnen en konden de groote steden vanuit het platteland worden geholpen. De offervaardigheid der vrijzinnigen heeft haar grenzen, zonder den moreelen en financieelen steun der Kerk zouden zi| het hard te verantwoorden hebben De Kerk biedt de gelegenheid om m ruimen kring te getuigen in de gemeente; !, maar ook in bijna alle kerkelijke besturen tot in de Synode toe en de bewijzen zijn er, dat die invloed niet zonder gevolg is.

Waarvoor zal men dat alles prijsgeven ? De predikanten hebben in hun gemeente alle vrijheid die men redelijkerwijs wenschen kan. De in orthodoxe gemeenten wonenden kunnen-zich nu even goed helpen als dan in Prot. Bond of Ver. van Vrijz. Hervormden, De bezwaren die rijzen, moeten op andere wijze worden opgelost b.v. door modus vivendi, maar dat zal dan niet mogen gaan ten koste van wat we nu hebben, den toe-1 gang tot het volk door middel van een | Kerk, die het hart van het volk heeft,

Om de gelegenheden, 'die de Kerk hun biedt vanwege de plaats, die zij nog steeds bij ons volk inneemt en om de ruimte van beweging in de Kerk hun gelaten, moeten de Vrijz, dankbaar blijven aanvaarden de hulp, hun door de Kerk geboden en blijven in die Kerk."

Bij deze utilistische redeneering —| omdat men er voordeel van heeft en anders uitsterft blijft men in de Herv. Kerk — heeft ds. Boer vergeten te zeggen, dat de vrijzinnigen niet als vryzinnigen gesanctioneerd zqn maar als Hervormden, die eerlijk verklaren, dat zij instemmen met de leer der Kerk en die leer zullen mee helpen verbreiden en handhaven; waartoe dj ook eerlijk beloven niet anders dan het Evangelie van Jezus Christus, naar Gods Heilig Woord, te zullen verkondigen.

Die dat beloven en dan doen alsof ze niets beloofd hebben, ja, die kunnen in de Herv. Kerk zich als vrijzinnigen nestelen en handhaven, om dan op ultilistische gronden daar te' blijven. .

Eerlijke mannen die zeggen wat ze zgn en zijn wat ze zeggen, zijn evenwel uit den aard der zaak krachtens hun modern godsdienstige begrippen van de Herv. Kerk buitengesloten.

Die niet gelooven, dat Jezus Christus Gods Zoon is, gestorven om onze zonden en opgewekt om onzerechtvaardigmaking, met ontkenning dus van de verzoenende kracht van Zijn bloed, hooren niet in onze Herv. Kerk.

Kunnen er dus ook niet in komen.

Kunnen er dus ook niet in blijven.

De Herv. Kerk, staande in het midden des volks, heeft daarin een eigen karakter en beginsel. De hoofdinhoud van haar belijdenis zegt in deze genoeg, vo^or iemand die iets meer ziet dan een blinde en voor iemand die iets meer hoort dan een doove, en van een eerlijk karakter is.

Jammer, dat de Vrijzinnig Hervormden hier altijd maar overheen praten, met den beroepsbrief in de hand soms.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's