Een nieuw „Leven van Jezus”.
I
De tijd, dat de godgeleerden zich bezig hielden met het beschrijven van het „leven van Jezus" valt samen en houdt verband met een eigenaardige ontwikkeling der theologie. Tegent het eind der ISe' eeuw was het geestelijk leven in de protestantsche kerken tamelijk dor en ingezonken; vooral in Duitschland bloeide het rationalisme, dat de waarheden der H. Schrift alleen wilde handhaven en erkennen, voor zoover men meende, die voor hïft natuurlijk verstand te kunnen „bewijzen" of althans aannemelijk maken.
Wat men met de „rede" in overeenstemming achtte in de H. Schrift, was geloofwaardig. Al het andere^moest vallen onder de critiek, werd bestreden of verminkt.
Hoe meer het geestelijk leven in Christus' Kerk verviel en inzonk, - deg te eer had een dergelqke geestesgesteldheid kans, op te komen. ;
Geen wonder, waar men niet meer leefde uit het geloof der gemeente Gods, die voor het Woord Gods buigt, en die Jezus Christus eert als haar Hoofd, haar Goddelijken Zaligmaker, .dat daar vooral aanstoot genomen werd aan hetgeen de evangeliën van. Hem verhalen.
De wonderen van Zijne ontvangenis uit den H. Geest, Zijne geboorte uit de maagd Maria, Zijne opstanding en hemelvaart, werden geloochend. En voor het geloof aan deze wonderen, waarvan toch de evangeliën duidelijk getuigenis gaven, werd niet zelden een zeer platvloersche verklaring gezocht. In plaats van Jezus, den Zone Gods, die.mensch werd, van het Woord dat vleesch werd, stelde de rationalistische critiek niet veel anders dan een voortreffelijken Joodschen Rabbi, een leeraar van hoogen godsdienstigen aanleg, of een zedemeester, die uitnemende zedelessen verkondigde.
Om dien „godsdienst van Jezus", die niet veel verschilde van den „natuurlijken godsdienst", welke men bij het licht der rede in de menschheid vond, was het te doen.
Zijne prediking en leer moest gevat worden in een historische lijst. En zoo ontstond menig boek, dat tot titel had: „Het leven van Jezus".
Tegenover dergelijke levensbeschrijvingen in rationalistischen trant ging allengs de orthodoxie zich teweer stellen, die deze aanslagen op de waarheid der Schrift en op de heerlijkheid van Christus niet dulden kon. Zg poogde de redeneeringen en „bewijzen" der rationalistische critiek te ontzenuwen, en op haar beurt een „leven van Jezus" te beschrgven, waarin „ bewezen" moest worden, dat de teekening, in de evangeliën van Zgn persoon gegeven, wel juist en geloofwaardig en aannemelgk was.
Talrgk zijn de werken, onder den titel „leven van Jezus" in den loop der jaren verschenen. zeer verschillend het wijsgeerig en theologisch standpunt der vele geleerden, die hunne krachten aan een dergelijken arbeid wijdden. Zeer uiteenloopend natuurlijk ook de „resultaten!', waartoe zg kwamen, en waarvan ieder, die ze bereikte, allicht droomde, dat zij onomstootelijk waren.
Maar de geschiedenis beeft hier haar oordeel gesproken. Steeds meer moest in de evangelische geschiedenis wegvallen onder den moker eener critiek, die zich onbevooroordeeld noemde; steeds geringer werd het aantal woorden van Jezus, waarvan „vaststond", dat Hij ze kon uitgesproken hebben; steeds minder bleef er te beschrijven over.
Men meende, alles te kunnen verklaren, en bleek voor een raadsel te staan, dat steads grooter en duisterder werd, in plaats van een natuurlijke verklaring te vinden.
Hét behoeft ons volstrekt niet te verwonderen, dat die gansche reeks van „Levens van Jezus" uitliep op een mislukking, en tenslotte niemand heeft kunnen bevredigen. Een dergelijke mislukking is niets meer dan natuurlijk voor hem, die leeft uit de belijdenis van Gods Kerk, en den Christus kent, zooals Hij^ haar gegeven is tot wgsheid van God, tot rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing.
Wanneer ik iemands levensbeschrijving wil geven, dan kan ik niet volstaan met een vermelden van zijne uitwendige levens-omstandigheden, zijne lotgevallen, zijn daden en woorden; zal het beeld werkelijk leven, tot een ander spreken, dan moet ik dieper doordringen, tot zijn karakter, de drgfveeren endrangredenen van zijn doeh, iets trachten te verstaan van de invloeden, die op hem werkten, de idealen, die hem wenkten.
Tracht dit alles nu eens toe te passen op de verschgning van Christus, gelijk Hg ons in de evangeliën wordt geteekend, en gelijk Hij leeft voor het geloofs-oog Zijner gemeente. En ge ziet aanstonds, dat dit niet kan.
Het moet fout loopen.
Waarom? Omdat gij Hem niet kunt omvatten binnen de grenzen van het enkel-m enschelg ke; gg kunt Hem niet meten met den maatstaf van het loutermeuschelgke; idieu gg Hem haalt en meent te kunnen opsluiten binnen de perken van het niet-meer dan-eindige, dan haalt ge Hem neer, doet Hem tekort, en rukt Hem de kroon van het hoofd.
Zijn leven is meer dan alleen-menschelijk, omdat Hg is de Zoon Gods, die mensch werd. Wie zou er dus ooit in kunnen slagen. Zijn beeld juist te teekenen, zonder hiermeóe rekening te houden? Zijn bewustzgn van Zijne verhouding tot den Vader, van Zijne goddelijke eending, van Zijne roeping aan de wereld en Zijne levenstaak te willen verklaren zonder rekening te houden met andere dan louter-menschftlijke factoren, het moet uitloopen op eenè mislukking.
Daarbij komt nog iets anders. En wel dit: de gegevens, die wij bezitten, leenen zich niet voor een dergelijke poging. De evangeliën bedoelen geen levensbeschrijving te geven vanden mensch of den profeet of den. Rabbi Jezus, maar willen „evangelie" sijii, d..w.z. het bericht, de blijde tijding van het heil, dat God .de Heere, de getrouwe Vervuiler van al Zijne beloften, in de volheid des tijdsiu de geschiedenis van het gevallen menschen-geslacht heeft doen indalen, doen op.treden, om Zijn volk te verlossen, en hun kennis te geven, van de zaligheid in de vergeving hunter zonden.
Ieder der vier evangeliën is op zijne wgae een getuigenis van het in Christus verschenen heil; ieder der evangelisten doet zijn eigen licht vallen op den persoon des Heeren.
Hoe zou het nu .tnogelijk zgnmetverwaarlooping of miskenning van dit karakter dei/ 'evangeliën, een biografe van Jezus te geven ? Men wil ze dan gebruiken voor een doel, waarvoor zij zich niet leenen.'De tijdsorde der gebeurtenissen wordt volstrekt niet altijd in acht genomen ; welke tijds-afstand er ligt tusschen verschillende voorvallen, blijft meermalen geheel onzeker; niet zelden vinden wij woorden bgeen-gevoegd, door Jezus bij onderscheidene gelegenheden gesproken.
Zoo moeten ei in een biografie van den Rabbi of den profeet Jezus .gapingen blijven, die de fantasie kan trachten aan te vullen; zoo hd, n er aiet anders ontstaan dan een zielloos, misteekend en verminkt beeld, waaraan het meest wezenlgke ontbreekt, dat er leven en kleTM-en gloed aan zou geven.
Niet lang geleden heeft een bekend en geleerd godgeleerde in Duitschland, die ook dk& x niet tot de orthodoxen kan gerekend worden, onomwonden erkend, dat de pogingen, om een levensbeschrgving van Jezus te geven met de hulpmiddelen louter der historische wetenschap, en die Jezus meten wil met louter-menschelijken maatstaf, eone mislukking moet worden genoemd; zij toch laat gegevens, factoren buiten rekening, die hier kl^" ar blij keiijk in het spel zijn; en dit is voor dezen theoloog, Pr. Loofs, de' verklaring voor het feit, dat een dergelgke verklaring bankroet heeft gemaakt.
Het tijdperk der beschrijving van een „leven van Jezus" scheen dan ook ongeveer voorbij. De godgeleerde wetenschap had aan andere onderwerpen haar krachten te beproeven.
Niet lang geleden echter is er opnieuw een werk verschenen van een Duitsch geleerde, dat getiteld is „Het leven van Jezus", en inderdaad in den ouden trant eene poging waagt, • zijne wording en streven, zgn levensloop en zelfbewustzijn, zijne woorden en daden in een geregelde, historische Volgorde te schetsen.
Het is van de hand van Dr. Joh. Lepsius, die vóór het uitbreken van den oorlog leider was der zending in Klein-Azië, en thans in ons vaderland vertoeft.
Men moet wel iets nieuws ts zeggen hebben, en nieuwe banen hebben gevonden, zalmen, nadat dit onderzoek eigenlijk xeeds was doodgeloopen, den moed hebben zuik een werk in het licht te geven.
Kan dit van het werk van Lepsius worden gezegd?
Het is niet wel doenlijk, op deze vraag thans reeds een afdoend antwoord te geven.
Tot dusver is n.l. nog slechts een eerste deel yerschenen, dat nog maar een gedeelte van 's Heeren leven en openbare werkzaamheid beschrijft. Een 2edeeïzal het vervolg moeten brengen, en een 3e gedeelte de wetenschappelijke toelichting en verdediging van wat in het overige eenvoudig wordt beschreven.
Toch is reeds dit Ie stuk merkwaardig genoeg, ' om onae aandacht te trekken, en er een en - ander uit naar voren te brengen. • -
Wat bij het lezen van dit werk onmiddellijk treftj is de frischheid, waarmede het is geschreven, de levendige en aanschouwelijke voorstelling, die \yij van menig tafereel ontvangen.
Mg dunkt, ieder moet terstond voelen: hier is iemand aan het woord, die de plaatsen kent, door 's Heeren voet betreden, die het land heeft gezien, waar Jezus rondging in de dagen Zijns vleesches. Hier schrijft een man, die het Oostersche leven kent niet maar uit boeken en reisbeschrijvingen, doch uit eigen aanschouwing; daarom kan h^ in zulke sprekende kleuren het beeld teekenen der omgeving, waarin Jezus leefde.
In hoe forsche trekken wordt aanstonds op de eerste bladz. het landschap geschetst: »Wie vaa Jericho door de steenachtige woestenijen van het gebergte „van Juda opgaat naar Jeruzalem, ziet „wanneer hii terugblikt, in een der merk' „waardigste diepe dalen der aarde.
„Door de lengte van het H. land is „eene voortgetrokken, die van den voet „van den, Hermon tot aan den Z. rand „der Doode Zee al dieper en dieper in „de aardkorst insnijdt. _
„Als kluiten, door een ploegschaar „opgeworpen, vergezellen haar aan weerszijden lange bergketenen. Aan deze zijde „heeten zij naar de landschappen Galilea, „Samaria en Judea. Aan de overzijde „van den Jordaan verheft zich de regelmatig opgetrokken muur der bergen „van Gilead en Moab."
„Het groene lint van den Jordaan „deelt de dal-vlakte in twee bijna gelijkt, „helften. Het Zuidel. derde deel van het „dal wordt in zijn geheele breedte ingenomen door den blauwen spiegel der Doode Zee. Zóó diep is de vore getrokken, dat de Jordaan bij zijn uitmonding „in de Doode Zee ongeveer 400 M. lager „ligt dan den spiegel der Middellandsche „Zee. En hiermede niet tevreden, heeft „hg zich in den afgrond der Zoutzee „een graf uitgehold, dat nog eens 400 M, „in het hart der aarde reikt, niet anders „dan alsof hij zich den toegang wilde „openen tot den afgrond, die hier eens „de steden Sodom en Gomorra verslond". '
En zoo is er meer schoons, waarmede de schr.-bewijst, de kunst te verstaan, voor ons te doen leven, wat hij uit eigen aanschouwing kent.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's