Uit het kerkelijk leven.
De flnancieele positie onzer Herv. Kerk.
Er wordt in verkiezingsdagen eigenaardig altijd gesold met onze Herv. Kerk. Rechts en links interesséert zich dan voor die Kerk en ieder speelt „aap, wat heb je toch een lieve jongen." Die er nooit een voet in zetten, beloven in verkiezingsdagen de belangen dier Kerk bij voortduring te zullen behartigen. Maar straks als de verkiezingsdagen voorbij zijn zal men 't zien; dan gaat heel de Herv. Kerk weer den doofpot in; en of men zieh voorts in het welvaren dier Kerk verheugen zal, staat nog te bezien.
De financieele positie onzer Herv. Kerk komt in deze dagen ook weer ter sprake. En dat is eigenlijk te begrijpen. Daar mag heusch wel eens over gedacht en gesproken worden I De financieele banden, welke de Herv. Kerk aan den Staat binden, zijn nog al dik; maar wat is ten slotte bestand tegen een geweldige crisis in het volksleven? Rusland gaf in de laatste tgden weer bewijs, evenals Frankrijk vroeger I En nu is Nederland Rusland wel niet, ook is 't Frankrijk niet. Maar dat neemt niet weg, dat men heusch zich wel eens rekenschap mag geven van de financieele positie onzer Kerk, daar een ingrijpende wijziging in deze toch met den tijd wel eens komen kon. En het zou niet^jerstandig zijn hier struisvogelpolitiek te voeren,
't Was nu ds. Klaas Vos, van beroep Doopsgezind predikant te Middelstum en vrg-liberaal Kamercandidaat in den kieskring Amsterdam, die, ten koste van groote sommen gelds, door circulaires en advertenties, de burgers, boeren en buitenlui kwam uitnoodigen om aan de Vrijliberalen hun stem te geven bij deze belangrijke Kamerverkiezing, om reden, dat bij deze menschen, in tegenstelling van de Vrij zinnig-democraten en Socialisten, de financieele belangen van de Herv. Kerk veilig zgn te achten. Die Vrij-liberalen zullen er voor. zorgen, dat de zilveren koorde niet verbroken wordt en de Herv. Kerken kunnen blijven rekenen op het rgkstractement enz.; waarbij ze ernstig waarschuwen voor de Vrgz.-democraten en Socialisten, die de zilveren koorde maar willen doorsngden, om de Herv. Kerk dan beroofd en berooid zonder Staatshulp te laten staan, ook geen rekening houdend mèt het geld, dat de Staat indertijd van de Kerk genaast heeft, om daarover, als een voogd voor een minderjarig kind, te waken.
Ds. Vos meent zoo nog wel een Hervormd stemmetje maöhtig te kunnen worden enkel om die buitengewone zorg voor de financiën der Herv. Kerk welke blgkbaar bij hem in deze verkiezingsdagen gevonden wordt.
Gelukkig zullen er nog wel Hervormden zijn, die zullen gedachtig zijn aan dit bekende gezegde: ' „als de Vos de passie preekt enz." En dan zal het hokje voor ds. Vos wel wit blijven....
Waar we in dit verband evenwel op wilden wijzen is het antwoord van den vrijzinnig-democraat prof. Ph. Kohnstamm (die zich ook al erg interesseert voor de Herv. Kerk), 'twelk door hem gegeven is op de insinuatie van ds. Vos aan 't adres van de Vrijz.-democraten.
Neen, hoorl de Vrijz.-democraten denken er niet aan de Herv. Kerk financieel te benadeelen of in de moeite te brengen. Men kan gerust zijnl
Dit antwoord vinden we merkwaardig, ook nog om 't verband waarin dit antwoord voorkomt, daardoor tegelijk rakende de Schoolkwestie en eigenlijk het probleem van Staat en Godsdienst in het algemeen. Hierin bedoelen de Vrijz.democraten het zoo goed met ons!
Jammer, dat we niet héél het artikel van prof. Kohnstamm uit den Vrijzinnig-Democraat van 12 Juni jl. hier, kunnen overnemen; 't is merkwaardig genoeg om te bewaren er^ dan later te zien of de heer en nog zoo zijn, als ze in de dagen vóór de verkiezing hebben toegezegd.
We knippen enkele stukskes uit.
„Overal in ons land", zoo schrijft prof. K., . „wordt door hen, die naar nieuwe verhoudingen*' verlangen, de naam van dr. Bos met dankbaarheid herdacht" en men heeft erkend „dat onze partij bereid is in volle loyaliteit tot de pacificatie mede te werken. Daarentegen heeft alles, wat nog zijn hart verpand heeft aan den ouden schoolstrijd, zijn hoop gevestigd op de volgétingen van mr. Tydeman en die groep in de Lib. Unie, die, gelijk de heer de Muralt dezer dagen nog verkondigd heeft, in dan schoolstrijd eigenlijk tot de Vrij-liberalen behooren."
Dan tot de eigenlijke kerkelijk-financieele kwestie overgaand, zegt prof. K.: „In ons werkprogramma staat nog", dat gefeft hij aan ds. Vos toe, „dateerende van de oprichting onzer partg, de eisch: „Ter volledige toepassing van het beginsel van scheiding van Kerk en Staat, verlangt de Bond losmaking van de geldelijke banden tusschen den Staat en de Kerkgenootschappen."
„Nu heb ik", verklaart prof. K., „nu heb ik nooit onder stoelen of banken geschoven; integendeel enkele jaren geleden in mijn debat met den heer Ankerman en sedert herhaaldelijk openlijk getuigd, dat ik deze zinsnede door en dpor verouderd acht en in geenen deele meer passende bij het tegenwoordige karakter onzer partij.
Dat is nog al eerlijk en kras gezegd. En dat het nu niet maar een persoonlijke opvatting van den schrüver alleen is, betoogt hij verder, zeggende: „Wat meer zegt, ik ben mot die opvatting in onze partij zelden of nooit op tegenstand gestooten."
Dan gaat het stuk over, om te spreken over dat overgroote deel der j aarlij ksche uitkeeringen aan de kerkgenootschappen, welke niet als subsidies zijn te beschouwen, maar een schadeloosstelling voor de opbrengst der kerkelijke eigendommen, die de Staat indertijd aan zich getrokken heeft. En daar zegt Prof. K. dan van:
„Het betreft hier dus verkregen rechten in den meest onbetwistbaren vorm. En de zinsnede over de „losmaking der fioancieele banden" kan dan ook niets anders beteekenen, dan een verklaring dat men aan den toestand van'vóór die inbeslagneming de voorkeur geeft boven den tegenwoordigen en dien gaarne hersteld zou zien, een verklaring van geheel platonischen aard, omdat haar verwezenlijking na zoo langen tijd niet meer uitvoerbaar is. De bewering van den heer Vos, dat onze partij zich gereed maakt zonder eenige schadeloosstelling, die jaarlijksche uitkeeringen te doen ophouden, berust dan ook op geen enkelen zakelijken grond. En ik lart hem eenige uiting van onze partq of van haar verantwoordelijke mannen aan te wijzen, die hem tot zqn beweringen het recht geeft, "
Het versteend stuk oud-liberalisme dat dan ook in het program der vrqz. democratische partij nog zit zou Prof. K. willen verwijderen. En zegt daar dan nog dit van:
„Immers men moet tweeërlei wet " onderscheiden. Het beginsel der „scheiding van kerk en staat" en de daaruit afgeleide eisch van de „losmaking der " financieel! banden " Aan het genoemde beginsel wensch ik zoo min als iemand in onze partij te, tornen. Trouw.ens waarschijnl^k ook de heer Vos niet. Althans ik kan niet onderstellen, dat zijn, groote liefde voor de Ned. Herv. Kerk, hoe krachtig dan ook, in staat zij hem, den Doopsgezinden predikant, het voetspoor zijner vaderen te doen verlaten, en te doen pleiten voor de wederinvoering eener staatskerk. En omgekeerd zal hij evenmin begeeren, dat de staat zjch het recht aan matige zich te mengen in de interne aangelegenheden der kerkgenootschappen. Ofschoon, hier ga ik wellicht te ver. Want de wijze, waarop de heer Vos over de Gereformeerden schrqft, zou doen betwijfelen, of hij-niet de dagen van het onver gfelschte liberalisme betreurt, dat'zij het dan ook in strijd met eigen theorie — als het eens te pas kwam, bijv. in de zaak der Afgescheidenen, zoo gaarne ingreep in kerkelijken strgd Hoe dit zij, bij ons koestert niemand dergelijke wenschen. Wij willen den Staat niet ondergeschikt aan de kerk, maar evenmin de kerk als deel van den Staat. Beiden behooren hun eigen terrein te hebben, waarop zij zich vrijelijk kunnen bewegen.
Maar daaruit vloeit volstrekt niet voort, dat er geen enkele aanraking tusschen beide li«hamen zou kunnen en mogen zijn. Zeker, zoolang men staat op het standpunt van den „liberalen etaat, waarop volgens Thorbeckes Narede onthouding allereerste eisch is voor den Staat, zoowel ten opzichte van de kunst als van den godsdienst, van de wetenschap als van het onder wijs, om nog maar te zwijgen van sociale bemoeiingen. Maar die liberale staat, voor wien ten slotte geen andere taak meer overblijft, dan die van politie-agent, is waarlijl? niet het ideaal van ons vrijzinnig-democraten. Wij meenen dat alle krachten, die er liggen in de volksziel tot ontplooiing moeten komen. En nu zal die ontplooiing uit haren aard haar eischen stellen: op sommige terreinen zal de staat zelfstandig kunnen optrepen, zelfsleiding kunnen geven; op andere zal zijn rol veel bescheidener moeten zijn, zal hij zich moeten bepalen tot geldelqken steun van wat door van hem onafhankelijke krachten werd geschapen en wordt geleid. Zoo op het gebied van de kunst, van den godsdienst bovenal, maar ook op het terrein der zuivere wetenschap. Maar nergens is een sfeer, waarin het leven dat uit het volk opkomt, niet bevorderd en gesteund zou mogen worden door de gemeenschap als staatkundig geheel. Vandaar dat, in ons werkprogram de zinsnede omtrent de „losmaking" niet meer thuis behoort, vandaar — wat van heel wat grooter gewicht ia — dat er nergens in het werkelijk leven onzer partij, eenige toepassing van' wordt gevonden."
Hierbij sullen we het maar laten'' wat de kwestie van de zilveren koorde betreft. De verklaring van Prof K. is merkwaardig genoeg om te worden bewaard ea we zullen niet kwaad doen om de kwestie van Se financieele verhouding die er is tusschen Staat en Kerk met ernst onder onzen aandacht te nemen en te houden. Hier moet werkelijk iets gebeuren voor dat het te laat is.
Niet onaardig is nog het schamper verwqt dat Trof. K. ten slotte doet aan het adres van de vrij-liberalen, waaruit ook nog iets ten opzichte van den schoolstrijd door blinkt, als de hoogleeraar aldus eindigt:
„Er leeft in onze partij zóo weinig van den geest van de zijne, dat hij gerust de handen in den schoot kan leggen. En is hij nog niet strijdensmoe, laat hg dan maar beginnen in eigen omgeving. Laat hij den strijd aanbinden tegen zqn eigen partij genooten, die de staatspensioneering zoo ongaarne zagen, omdat daardoor maar meer geld vrij zou komen voor de diakonieën; die nog steeds begeeren het bijzonder onderwijs zoo schriel mogelijk te behandelen, omdat anders de daardoor vrijkomende gelden hun weg allicht zouden vinden naar kerkelijke kassen. Diezelfde partij genooten, die hun liefde voor het openbaar onderwijs, b.v. in. de gemeenteraden, gedurende zoovele jaren uitstekend hebben weten in toom te houden, maar thans nu het gaat om goed volksonderwijs over de geheele lijn, openbaar eü bij zonder haarnietmeer meester zijn, zoodat zij laaiend uitslaat en een nieuwe schoolstrijd dreigt te doen ontbranden."
Laat ons terwijl de Vrijz.-democraat met den Vrij-liberaal twistende is intusschen rechts stemmen. We gelooven, dat we dan voor 't oogenblik verreweg 't beste doenl
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's