De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

Op den Theologischen Schooldag te Kampen is Donderdag 20 Juni j 1. door prof, dr. T. Hoekstra te Kampen een referaat gehouden waarvan we hier een resumé laten volgen. Het referaat handelde over:

„De tegenwoordige critiek op onze preeken."

Spr. herinnert aan het feit, dat door tal van leden  van de Geref. Kerken op de tegenwoordige preeken critiek wordt geoefend. Er schijnt iets te haperen; het contact tusschen prediker en hoorders schijnt hier en daar zoek te zijn. Er zijn er, die thuis blijven of elders kerken. Prof. Grosheide wees inzonderheid op de stüdeerende jeugd, die er over klaagt dat de kerk zoo weinig nieuws geeft in haar prediking. Een zelfde toon klonk van ds. Aalders Toch zijn het niet alleen de jongeren, die hun kritiek hebben. Wie gelegenheid heeft, het land te doorkruisen, vindt overal sporen van ontevredenheid over de prediking. Wel mogen we niet generaliseeren; maar toch worden enkele bepaalde punten en bezwaren weer telkens naar voren gebracht. Het rapport tusschen voorganger en gemeente is vaak weg.

Men kan in de geestelgke zielsgesteldheid van de hoorders zelf de oorzaak zoeken. Ieder, die critiek oefent, zij dan öok voorzichtig met zgn' harde woord.

Toch blijft niet te verbloemen het feit dat veel „kritiek" gerechtigd is. En die kritiek verdient onze aandacht. Want de prediking sjaat nog steeds in 't middelpunt van onzen eeredienst. Men mag de kritiek niet voor kennisgeving aannemen. ••

Of het gepast is, tè critiseeren op het ambtelgk werk der dienaren des Woords? Mag de geloovige oordeelen over hetgeen de ambtsdrager zegt, ja of neen? Jal Want Roomsch zijn we niet. De geloovigen zijn geen , leeken", die maar te aanvaarden hebben wat de kerk zegt, of anders: anathema sit I De priesterheerschappij heeft bij ons plaats gemaakt voor den band aan het Woord. Het zou ontrouw zijn aan het reformatorisch principe, dit beginsel te verloochenen. Evenwel — de keursteen mag alleen worden aangelegd in gebondenheid aan het Woord. Wie zóó critiseert, aal niet achterdochtig zijn, niet onwelwillend. Een onbekeerde critiseert een preek nooit zuiver; even» min wie op het begin van den weg des geloofs staat. Daarom zij veroordeeld alle werk van kritikasters, die maar afkeuren wat niet past in hun kader. Het beoordeelen van velen is een herinnering aan het Woord der Schrift die herinnert aan de menschen die , kittelachtig zijn van gehoor."

Maar — dit neemt niet weg, dat niet met kort handgebaar mag worden terzijde gelegd de kritiek van menschen, die ernstige christenen zijn, voorzoover hun bezwaren gegrond zqn. Vooral 4 punten van aanklacht komen telkens naar voren. De preeken — zoo zegt men — zijn

Ie. te ouderwetsch.

2e. te arm.

3e. te algemeen.

4e. te voorwerpelijk.

Ie. De preeken zijn te ouderwetsch. Die klacht komt vooral van de meer intellectvieelen. Vroeger waren onsse kerken nog al arm aan intellectueelen; tegenwoordig niet meer. Zü klagen dat de kerk nooit iets nieuws geen. De vorm is 16e of 17e eeuws. De afgetreden dogmatische paden worden telkens weer begaan. Vooral de catechismusprediking is telkens weer gelijk. Voeg daarbij de soberheid van onze liturgie; de veelvuldige repetitie van dezelfde psalmen is ook nog een verzwarend element.

Ook de vorm ontmoet bezwaar. Waar vindt men de stomme e andere dan in de kerk ? Waar de woordenkeus van de predikanten ? Waarom wordt de taalmuziek der tachtigers gemist? En waartoe de preektoon, de onnatuurlijke uitspraak, de galmtoon ?

De intellectueelen zijn hiervan gediend. niet

Wat hiervan te denken ? Allereerst dit: de strijd tegen den preektoon. is gelukkig al dicht bij de victorie.

Toch is véél kritiek onjuist. De preek mag niet allereerst bedoelen te zijn een sesthetisch schoon geheel. Bovendien: welke predikant heeft den tijd den vorm zijner preeken zoo esthetisch in te kleeden ? En ook principieel handhaven we, ' dat, al moet het gewaad der preek passend zijn, en dat versleten clichés moeten afgeschaft, toch verdere inwilliging van de eischen der intellectueelen zou  zijn ontoelaatbaar. De prediking bedoelt geen schoonheidsontroering, want die verdringt vaak religieus genot. Want wel zijn die twee geen tegenstellingen, maar onze ziel is te beperkt om ze tegelijk te „verwerken". Men komt niet voor schoonheidsgenot, maar om gevoed te worden met het Woord van Christus.

Toch zij de prediker door deze kritiek gewaarschuwd. Dezelfde preek, dezelfde gedachte, dezelfde indeeling, blijve bq hem contrabande.

En de intellectueelen mogen bedenken, dat het Evangelie van Christus het levensbeginsel blijft, dat we niet kunnen laten verdringen. De wetenschap en de cultuur, en de schoonheid maken ons niet zalig. Zqn de critici wel „armen van geest" gé^vorden ? „Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem, maar een hongerige ziel is alle bitter zoet." Dezelfde dingen te schrijven was Paulus niet verdrietig en de gemeente niet onnut.

2e. De preeken zijn te arm, zegt men van andere zijde. De prediker, zoo zejgt men, spreekt bij ons heel mooi, heel frisch, heel beschaafd, maar, Christus hooren we te weinig prediken. We hooren Oudtestamentische personen schilde­ren ; moeilijke teksten verklaren, heerlijke gedachten ontvouwen, maar .... Christus missen we. 't Is een leerrede, maar geen preek, zoo klaagt men. En men wil hooren van den Heiland.

Al is dit euvel niet algemeen, toch komt het voor. Er zijn zelfs onder de gedrukte preeken van de laatste jaren die niet Christocentriseh zijn, te veel „jodenpreeken" naar het woord van ds. J. van Andel.

De prediker mag nooit vergeten, dat de genade Gods in Christus, steeds op den voorgrond moet staan.'t Is wel vaak moeilijk den weg van een zeker Schriftgedeelte naar Christus te vinden, maar toch, die weg is er. De Schrift is immers een organisme? Zelfs Esther is vol van Christus; de Satansmacht kan immers het heilige zaad niet overweldigen? En evenzoo de offerdienst van Israël.

Dat men over het Oude Testament preekt, is uitnemend. Maar — men vergete daarbij den Christus niet. Men stelle nooit een persoon als Elia, Petrus, Maria Magdalena op den voorgrond, om Christus op den achtergrond te dringen.

3e. De preeken zijn te algemeen, klaagt een derde. De tekstkeuze en ook de be­handeling zijn altijd gelijk. In onze kerken is de tekstkeuze in de vrijheid van ( den prediker gelaten. Nu zijn er, die altijd hetzelfde gangetje gaan in tekst­ d keuze en verklaring en toepassing, 't Is vaak een opeenstapeling van algemeenheden.

De tekst zelf kan niet de schuld zqn van de algemeenheid eener prediking. Dat stellen we 'voorop. Over Rom. 8:38 behoeft men niet een algemeene preek te houden. Studie van het tekstverband bewaart den prediker wel voor het gebrek aan speciale gedachte en ontwikkeling.

Op de toepassing moet hierbij nadruk worden gelegd. Zoo deden onze oudere homileten en hun eisch, dat de toepassing zich richten moet op onzen tijd, onze omstandigheden mag in onze dagen wel eens naar voren worden gebracht. Dêm alleen treft de prediking. De prediker richte zich tot de kinderen ; tot den aanzienlijke en intellectueele; den aanzienlijke en den arme; tot patroon en arbeider, tot handelsreiziger en fabrieksman. Wel worde de preek geen cursus in sociologie, maar wel leide ze de beginselen voor het sociale leven af uit het Woord. Men verbijzondere toch de prediking; dan verstomt wel de klacht.

4e. De preeken zijn te voorwerpelijk; dat is de laatste, maar niet de meest zeldzame klacht. De tekst wordt wel uitgelegd, zoq merkt men op, maar op het geestelijk leven wordt te weinig gewezen. Ik kan, zoo zegt men u, van mqn prediker niet leeren, in hoeverre mijn geestelijk leven normaal of abnormaal is. Het werk van den Heiligen Geest in het hart wordt te weinig besproken.

De preek geeft te veel voor het verstand, maar te weinig voor het gemoed.

In het algemeen is deze opmerking juist te noemen. In het laatst van de 19e eeuw is er op gewezen dat wetenschappelijke exegese de gedachten van de Heilige Schrift moet naar voren brengen. Dat was reactie tegen de ethischen van wie velen den tekst als kapstok gebruikten voor eigen gedachte en tegen veel oefenaars en predikers, die ultrasubjectief waren.

De reactie is, hoewel begrqpelqk, echter te ver gegaan. Menigeen werd nu ultra-objectief. Deze klacht mag niet gesmoord. Wel zgn er, als ds. Hoekstra, van Arnhem, die subjectief en objectief harmonisch weten saam te voegen. Maar daar tegenover staan velen, die werkelijk al te objectief zijn.

Men late wèl het objectieve  domineeren. Maar het subjectieve ontbreke nooit. Er worde onderscheidenlijk gepreekt. Ook tot de onbekeerden spreke men; zijn overleggingen en uitvluchten moeten worden ontmaskerd. Ook tot hen, die reeds tot bekeering kwamen. Worde onderscheidenlijk gepreekt, want ook het werk des Geestes is onderscheiden en de variëteiten in het geestelijk leven zgn zoovele. De kinderen Gods zullen zoo komen tot zuiverder zelfkennis. Men wijze op allerlei onderdeden van het leven der bevinding, b.v. het gebedsleven. Een gedetailleerde behandeling daarvan moet haar nut hebben.

Wordt de objectieve waarheid subjectief verwerkt en toegepast, dan-zullen vele klachten verstommen. De jongeren — dat is nu eenmaal zoo—zijn mystiek „angehaucht." Onze tijd verandert. En de voormannen mogen dat niet vergeten. Ds. van Andel in zijn Vademecum Pastorale vermaant ook den prediker, dat hg toonen moet, de menschen te verstaan, anders gaan ze tot de geestelijke kwakzalvers. En dr. Kuyper in zijn „Onze Eeredienst" wijst op de noodzakelijkheid van de kennis der pathologie der gemeente bij den prediker.

Resumeerende zegt spr. dat de kritiek vaak onbillijk is maar toch ook vaak gelijk heeft. Al heeft menige prediker een moeilijk leven en wordt zijn werk te weinig gewaardeerd, toch rekene hij met deze feiten en houde zich gewaarschuwd door zijn eigen tijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's