Stichtelijke overdenking.
En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. 1 Cor. 15:8. a
Een ontijdig geborene.
Een der meest beteekenende gebeurtenissen in het leven van den apostel Paulus, is zeker wel geweest de ontmoeting met den Koning der Kerk-op Damascus' weg. Heel zijn leven blijft deze gebeurtenis hem in de herinnering leven 1 Eu ook nu, terwijl hij in ons teksthoofdstuk de dwalingen der Corinthiërs bestrijdt, komt hem Jezus' verschijning klaar voor den geest.
Hij kan niet nalaten die verschijning thans aan de Corinthiërs mede te deelen, opdat ook zij deze wondervoUe gebeurtenis zouden ziien als:
Ie. Een zeker bewijs der opstanding,
2e. Een hooge onderscheiding,
3e. Een plotselinge en onverwachte gebeurtenis,
4e. Een buitengewoon feit.
1. De apostel voert de verschijning van Jezus aan hem op Damascus' weg, allereerst aan als een zeker bewijs der opstanding. Ia heel ons tekathoofdstub wijst hij er op, hoe noodaakelgk de op-• standing van Christus is, en hoe er zonder | opstanding van Hem, ook geen opstanding is voor degenen, die in Jezus ontslapen zijn. En zal onze prediking nu iete te beteekenen hebben, ja, zullen wij niet de ellendigste van alle menschen zijn, dan moet er een opstanding der doeden zijn.
Aan die opstanding der dooden twijfelden de Corintbiërs. En dit behoeft ons niet te verwonderen, als we bedenken, dat de gemeente van Corinthe bestond uit heiden-Christenen. Ze waren dus heidenen geweest en het is dan ook te begrijpen, dat in een gemeente als de Corinthische, de Grieksche geest in zoover na-en doorwerkte, dat sommigen de opstanding der dooden ongerijmd, of althans van geen beteekenis achtten. De Grieken dachten over ziel en lichaam zoo geheel anders dan wij. Aan een voortbestaan der ziel geloofde men nog wel, maar een opwekking des lichaams vond men ongerijmd, Het lichaam beschouwde men als een gevangenis, een kerker, waarin de zdel leefde. De zonde woonde in het Uchaam en niet in de ziel. De dood nu verloste van dat lichaam, dan waa de ziel vrij, vrij van het kwaad, en hoe zou men dan kunnen wenschen of gelooven dat straks in de opstanding ziel en lichaam weer aouden worden vereenigd?
Opstanding was dus dwaasheid voor een Griek. Neen, de mensch moest blij zijn als de dood hem van het lichaam verloste, en hoe zou hy nu kunnen gelooven aan de wederopstanding des lichaams?
Zoo botste Paulus met de oude denkbeelden over dood en opstanding, denkbeelden uit die denkwereld, waarin ook de Corinthiërs waren opgegroeid. En nu komt Paulus met kracht op tegen die Grieksche dwaalleer. Er t« een opstanding der dooden, zoo aegt hg met kracht en klem. Want als er geen opstanding der dooden is, dan is Christus ook niet opgestaan, en als Hij, die toch ons aller l even is, niet is opgestaan, waarom zullen e dan nog langer prediken. Dan is onze prediking ijdel, en ijdel ons geloof. En dat niet alleen, maar dan zou Christus i lleen voor dit leven beteekenis hebben, K en als Hg alleen voor dit korte leven i waarde heeft, dan zijn wij de ellendigsten van alle menschen.
Maar Hij ia opgestaan, zoo betoogt Paulus. En dat is voor sommigen niet alleen een zaak des geloofs geweest, maar Hij is ook getien. En dat niet alleen, o Corinthiërs, neen, ik behoef niet op anderen door te gaan, hoe betrouwbaar ze ook zijn, want ik aelf heb Hem gezien, immers: „Ten laatste van allon is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien."
Paulus zelf had Hem geaien. Neen, nimmer zal hij die oogenblikken vergeten. Dat licht, die stem. En men moet het ook zelf hebben gezien. Al is het dan niet met het lichamelijk oog, dan toch met een geestelijk oog. Gelooven op geaag doet de ware Christen niet. Gods kind gelooft dan, als de Heere Zijn Woord aan de ziel toepast door Zijn Heiligen Geest. Dat is gelooven zonder zien. Of, zóó' ge wilt, een zien mét het oog des geloofs. En van dezulken zegt Jezus tot Thomas: „Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben."
Op de wijze, waarop de Heere aan Paulus verscheen, verschijnt Hij dan ook niet meer. Maar al verschijnt Hij niet meör op zichtbare wijze, toch ondervindt ieder van Gods kinderen wat Paulus ondervond. Werd Paulus door een licht omstraald, dat hem ter aarde wierp, geen enkel van Gods kinderen is er, of hij weet van dat licht des Heiligen Geestes, dat hem ontdekt aan zonde en schuld en hem neerwerpt in diepen ootmoed voor den Heere.
Het is het licht des Heiligen Geestes, dat hem doet zien, dat hg een vijand is van God en Zijn volk.
Het is diezelfde Geest, die hem leert eigen wil verzaken en hem met Paulus leert bidden: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen aal? '^
En dan gebeurt het ook dat Jezus verschijnt. Als de mensch daar neerligt, wanhopend aan zichzelf, en het uitroept: „het is buiten hope", dan wordt een blik gegeven op Hem, die de eenige weg ter verlossing is. Ja, dan mag Gods kind aoms roemen in de opstanding van Christus, van zijn Heere en Koning, en kan somtijds menigeen va.n Gods kinderen het Paulus nazeggen: „En ten laatste van allen is Hg ook van mij, als van een ontijdig geborene, gemen."
2. Maar in de tweede plaats is de verschijning van Jezus aan Paulus ook „een hooge onderscheiding"
Hij heeft Hem gezien „ten laatste van allen."
Die „allen" zgn zg, die Paulus in de voorafgaande veraen noemt, nl. Gefas en de twaalven-, meer dan vijf honderd broederen. Jacobus en al de apostelen. En na die allen is Hg ook jug verschenen.
Wat een hooge onderscheiding. Het waren er toch betrekkélgk weinigen, die dat voorrecht genoten. Daarom kon Pau us er dan ook niet vxn zwijgen. Wat een hooge onderschei«iiS'g, want hij waa de laatste van allen^ wien zulk een verschijning te beurt viel. Na hem zal zoo ets niet meer plaats vinden. Christus' erk zal voortaan leven door het geloof n het eeuwig blijvend Woord Gods. Eerst straks, aan het eind der eeuwen, zal die verheerlijkte Christus andermaal verschijnen. Maar deze verschijning toeft tot de voleinding der eeuwen, en daarom is het voor Paulus zulk een hooge onderscheiding, omdat hij de laatste is, wien dit groote voorrecht te beurt valt.
Wat een hooge onderscheiding, want nu kan Paulus getuigen van dingen, die hg zelf heeft gezien. Als apostel kan hij spreken van werkelgke dingen. Hoe zou hij ook anders kunnen getuigen. Maar nu kan hij getuigen, niet alleen van de zekerheid der opstanding, maar ook van de hooge onderscheiding, hem op Damascus' weg te beurt gevallen.
Wat een hooge onderscheiding voor ieder kind des Heeren, dat dien Jezus krijgt te aanschouwen. Want als zulk een hooge onderscheiding beschouwen het al Gods kinderen. Zg hebben evenals Paulus kennis aan hun eigen onwaardigheid. O neen, zg zgn niet waardiger dan andere menschen, die God niet kennen. En dan rijst de vraag: Waarom mij? Waarom heb ik het voorrecht dien Jezus te kennen? Waarom is Hij juist mi; verschenen? Waarom geniet ik Zijn zalige gemeenschap ?
En als men dan met Paulus moet zeggen: „Ik ben de grootste der zondaren'', dan wordt het wonder van Gods genade groot. Als men het dan ziet als een Tiooge onderscheiding, als een onverdiende onderscheiding, dan is er maar één antwoord op het: „Waarom mg? " en wel het antwoord van Ethan den Esrahiet: „Uw vrije gunst alleen wordt de eere toegebracht. Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d'eerkroon dragen Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen."
3. Is Paulus nu een hooge onderschei-' ding te beurt gevallen, in de 3e plaats spreekt hij over de wijze, waarop dit is geschied. Hij zegt toch: „Ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. Daarom is de verschgning van Jezus aan Paulus dan ook „een plotselinge en onverwachte gebeurtenis."
Om dit recht te verstaan, dienen we te weten, wie Paulus vóór zgn bekeering was.
Paulus was een Farizeër, opgevoed en gevormd door den wijzen Gamaliel.
Maar wat wilden die Farizeërs dan? Wat leerden zg ? Volgens de Farizeërs' en Schriftgeleerden is er alleen behoudenis in nauwe wetsbetrachting. Volkomen onderhouding van alle geboden en juiste, ; nauwgezette opvolging van alle voorschriften, gaf. de ware gerechtigheid, Daartoe moest men dan ook de wet en alle voorschriften kennen.
Nu verstonden zg onder „de wet" niet alleen de tien geboden; ook niet alleen de tien geboden en de Oud-Testamentische voorschriften. Neen, talloos vele bepalingen, door hen zelf gemaakt en | het volk opgelegd, moesten stipt worden onderhouden. Met die eigenwillige bepalingen komt dan ook Jezus herhaaldelijk in botsing. Zoob.v met het aren plukken op den sabbat, en als Jezus dien zieke op sabbat zgn bed Iaat dragen. Jezus echter handelde niet in strijd inet de Goddelgke wet, maar wel met de voorschriften der Joodsche rabbijnen,
Zoo eischten dus de Farizeërs stipte' onderhouding van alle geboden. En denk u nu Paulus, die in zulk een omgeving was groot geworden. Paulus, naar zgn eigen getuigenis een „Farizeër naar de wet", en ge kunt begrijpen dat hij niets i weten wilde van de secte van Jezus van Nazareth.''
Neen, hoe zou Paulus zich kunnen inlaten met menschen, „die de wet niet kennen." Ja veel erger, want het waren menschen, die al, die rabbijnsche voorschriften verwierpen. Die volgelingen van Jeïus spraken het onbewimpeld uit, dat de wet geen gerechtigheid verschaft en dat de mensch gerechtvaardigd wordt uit loutere genade. Die volgelingen van Jezus waren dus eigenlijk menschen, die het Jodendom miskenden, menschen, die de laatste fundamenten, waarop het Jodendom rustte, wegbraken. j
Is het niet' alleszins begrijpelgk, ja natuurlijk, dat Paulus opbruischt tegen zulk een secte? Moest hg geen wederpartijdige dingen doen telgen Jezus van Nazareth? Moest hij niet als een echte Jood dien Jezus vervolgen? Was er wel een andere weg voor den ijveraar 'voor de voorvaderlijke inzettingen?
Neen, geen anderen weg. Zijn gods o dienst en nationale trots spreken met e luider stem. Maar daar wordt hem w plotseling en geheel onverwacht een „halt" toegeroepen. Een licht, een stem. d En blind ligt'Paulus ter neder. d
Dat was een plotselinge en onverwachte gebeurtenis-Evenals een onvoldragen kind plotseling en onverwacht wordt geboren, zoo wordt ook Paulus geboren. Denk u daar op Damascus' weg dien Paulus. Paulus, in zijn volle johgelingskracht, vol ijver en vuur tegen Jezus van Nazareth, dien hg in zgn hart diep veracht, en bgna op hetzelfde oogenblik stijgt de bede tot dienzelfden Jezus op: „Heere wat wilt Gij dat ik doen zal? " h a s l i o
Maar hoe plotseling en onverwacht .ook, dit feit is niet het eenige in de geschiedenis der menschheid. Ook de stokbewaarder kon zich-als een ontijdig geborene beschouwen. En ook onder Gods kinderen van onzen tijd zullen er zijn, die Paulus kunnen begrgpen. Misschien hebt ook gij geleefd zonder God in 'de wereld, nooit denkend aan God en Zijn dienst. Of hebt ge als Paulus uw gerechtigheid gezocht in de werken der wet, totdat opeens de Heere u greep ? Opeens werdt ge gesteld voor uwe ongerechtigheid en ge kondt het met niets minder doen dan met Jezus en Zgne gerechtigheid. Uw onwil werd opeens gebroken, en Paulus' bede was uw bede. Maar ook werd zijn troost uw troost en zgn heil uw heil.
Zoo ging het Paulus en zoo is het ook een enkele van Gods kinderen gegaan, maar we mogen niet vergeten dat de wgzoj waarop Paulus bekeerd werd, een buitengewone wijze is. Naast den stokbewaarder teekent de Schrift ons een Lydia. Naast een Paulus een Thimotheüs, een Zacheüs, een tollenaar en zoovele! anderen, die op een meer gewone wgie geroepen zgn tot het eeuwige leven. Daarom is de verschijning van Jezus aan Paulus in de vierde plaats „een buitengewoon feit."
4. Hierop wgst Paulus als hg zichzelf noemt: de ontijdig geborene. De grondtekst toch zegt duidelgk „de ontijdig geborene, en dus niet maar „een ontgdig geborene.
Hiermede stelt Paulas zich tegenover de apostelen. Zgn zij op meer gewone wijze tot Jezus gebracht, hg is op buitengewone wgae aan de moederschoot van het Jodendom onttogen. Het was met hem dus geheel anders gegaan, dan met de apostelen. En onder die apostelen was hij niet meer een ontgdig geborene, maar de ontijdig geborene.
Met die discipelen was het zoo geheel anders gegaan. Het was niet zoo plotseling en onverwacht gegaan^ neen, maar reeds lang hadden ze uitgezien naar den beloofden .Messias. Ze hadden steeds behoord tot dien kleinen kring van stillen in den lande, waartoe ook een Elizabeth en Zacherias behoorden, een Simeon en Anna. En toen de beloofde Messias eindelijk gekomen was, hadden zg terstond' in Hem geloofd.
En 'zoo gaat het in onze dagen nog. Gods kinderen ontmoeten gewoonlijk na langen strijd, na veelvuldig vallen en opstaan, dien Jezus, die Paulus daar op eens en onverwacht verscheen' op den weg naar Damascus.
Vandaar dan ook dat de Schrift ons de bekeering des menschen van meer dan éen kant laat zien. En als we Goda Woord dan raadplegen dan blijkt dat het er niet toe doet of we bekeerd zijn als een Paulus of als een Lydia, als een stokbewaarder of als een Timotheüs, maar dat steeds de groote vraag om beantwoording roept: Hebt ge met Paulus leeren bidden: „Heere wat wilt gij dat ik doen zal? "
Geve dan God de Heere dat we ona niet meten naar de wijze, waarop Paulus! bekeerd is, maar vra.gen we ons af, of we de zaken, die in Paulus' bekeering opgesloten liggen, deelachtig zijn." Het komt aan op verzaken van eigen wil.
De bede van Paulus zal uit het diepst onzer ziel moeten opklimmen tot God in den hemel.
Dan zullen we met Paulus buigen voor den Heere. Dan zullen we in het gevoel onzer onwaardigheid uitzien naar Hem.
En dan. zullen we ook straks in den hemel, met een Paulus, God groot maken voor de genade Zijner verlossing, ook al zijn we'^dan ook op een gansch andere wijze geroepen tot het eeuwige leven. ^^
God is vrg in de wijze, waarop Hij iemand wil brengen tot het leven.
Zg dan Gods Woord onze eenige toetasteen.
Zg onze wil gebogen onder Hem.
Pare onze lofzang zich met dien van vele verlosten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's