Uit het kerkelijk leven.
De Kerk en het Woord Gods. IX.
Het beginsel dat de eigenlgke tucht bij de gemeente thuis behoort mag niet vergeten noch loegelaten worden. Eerst als de leden der gemeente — en dan „in liefde" zooals zoo teekenend door de Synode van Den Haag (1586) in "de bestaande regelen voor de tucht tusschengevoegd is — aan hun roeping voldaan hebben komt de kerkeraad aan 't woord. Art. 74 der Kerkorde zegt toch: „Zoo iemand, van eene heimelijke zonde van twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, zal zulks den kerkeraad aangegeven worden."
Twee beginselen dus: Ie. een openbare zonde zal aanstonds onder de tucht van den kerkeraad vallen; 2e. eene heimelijke zonde zal eerst privatim moeten worden behandeld en eerst na verwerping van de private vermaning voor den kerkeraad worden gebracht.
Hier moet even gewezen worden op Matth. 18 : 17 „zeg het der gemeente." Daar staat dus niet: zeg het den kerkeraad" en toch, men leze het formulier ter bevestiging van ouderlingen en diakenen maar eens na, — verstaan we daaronder, dat de zaak voor de opzieners der gemeente moet worden gebracht. En wel om de eenvoudige reden, dat de gemeente de tucht moet uitoefenen door het orgaan en onder leiding van de ambtsdragers, die van Christus geroepen zijn om de gemeente teregeeren en opzicht te houden over de kudde.
Wat heeft nu de Kerkeraad bij aanklacht of beschuldiging van iemand uit de gemeente allereerst te doen?
Naar het bevel van Christus zal allereerst een'onderzoek moeten worden ingesteld, of de aanklager of ^beschuldiger ook gehandeld heeft naar den regel van Matth, 18 : 15 en 16 en wel of hij (zij) onder vier oogen in liefde over de dingen gesproken heeft met de(n) beklaagde. Heeft 'men dat gebod van Christus niet gehouden, dan zal de kerkeraad den aanklager ernstig vermanen en hem bestraffen en hem alsnog wijzen op zijn christenplicht. Op de Particuliere Synode van Middelburg, 1591, is daaromtrent dan ook bepaald: De kerckenraat en sal niet lichtelick de klachten tegens eenige personen aennemen, maer men sal hen vragen, of sy omtrent haeren christelicken broeder het ofl& cie van particuliere vermaningen gedaen^Jbebben." En dan volgt „als men sal seggen : neen; 80 sal men se over sodanich onbehoorlick aengeven berispen."
Er zat dus een berisping op voorden aanklager, indien, hij niet eerst in liefde met zijn broeder gesproken had en het daarna — zoo noodig — nog eens met getuigen had geprobeerd I
Maar als nu de kerkeraad door aanbrenging of ook wel omdat de natuur, van de zonde openbaar kan zijn, (art. 75 Kerkorde), met een of andere onbehoorlijke zaak in kennis is gekomen, wat moet de kerkeraad dan doen ?
Hier dient dadelijk gezegd, dat tuchtzaken te behandelen bizónder moeilijk is. En menig geval heeft een droef einde gekregen door ontactisch en onbezonnen handelen der amibtelijke personen.
Een van de eerste regels in deze is: de aangeklaagde mag niet onverhoord veroordeeld worden maar moet gelegenheid ontvangen alles te zeggen, wat tot zijn verontschuldiging dienen kan. Van ouds is daarbg toegestaan zich door iemand te laten bijstaan, (wat in ons Regl. voor kerkelijk Opzicht en Tucht vervallen is; zie art. 12) waarbij evenwel de beklaagde niet mag wegblijven en zelf door den kerkeraad zal moeten worden ondervraagd, waarop ook van hem zelf duidelijke antwoorden verwacht worden; juist omdat het in kerkelijke zaken niet om allerlei juridische spitsvondigheden gaat, maar, naar schriftuurlijke beginselen, de zaak zelve grondig moet worden onderzocht, waarbij de gesteldheid van de betrokken-personen zeer ernstig in 't geding komt. Dat er naar gestaan moet, worden om op de getuigen in het algemeen en den „advocaat" of helper (die als „mond" van den beschuldigde meekomt) in heit bizon der goede acht te geven, dat het betrouwbare personen zijn, die in de Gemeente ter goeder naam en faam bekend staan, spreekt haast vanzelf.
De kerkeraad vordere in den regel geen eed, maar ga op de verklaring Eelve af. De Synojie te Embden, 1571, stelde daaromtrent 't volgende vast: in „gewichtige zaken zal men den eed afvorderen, doch niet gebiedender wijze, hetwelk alleen den Overheden toekomt, maar vermanenderwijze en door opwekkingen. En hoewel dat het geoorloofd zou zijn de openbaare forme te gebruiken, die de Magisstraat gemein is, zoo is het nogtans beeter, zig daarvan te onthouden en voor te stellen, die ernstige wraake van God tegen den Meineedige, en te begeeren dat elk de waarheid bekenne; doch is het allerraadzaamste dat men zelden Getuigeni voorbrengen en den Eed afvrage."
„In de Consistoriën is het geoorlooft Getuigen voor te brengen" staat er eerst. Die zal men dan hoeren; „en daar die niet en zijn, zal men in gewigtige laken den Eed afvorderen." Hoewel men met teksten als Rom. 9:1; 2 Cor. 1 : 23; Filipp. 1 : 8; 1 Thess. 2 : 10 voor zich moeilyk zal kunnen volhouden, dat de eed iu kerkelijke zaken niet mag gebruikt worden, wordt dus als regel gesteld geen eed — alleen in zeer gewichtige zaken is deze geoorloofd. Waarbij Voetiua ook aanteekent, dat geen eed gebruikt mag worden om b v. verborgen zonden tot openbaring te brengen. (Pol. Eccl. IV; 854). Zooveel mogelijk dus ook in de kerk moet elk ja ja en neen neen zijn. (Zie ook art. 13 van ons Regl, voor kerkelijk Opzicht en Tucht).
• Verder kan als regel genoemd worden: het-onderzoek moet onpartijdig en met allêw^oorzichtigheid geschieden. Sympathieën en antipathieën mogen de ambts dragers geen parten spelen. De dingen moeten zakelijk behandeld worden, waarbij dan zoo weinig mogelijk met derden moet worden gesproken Ook is het niet strikt noodig • dat de beschuldigde den naam van den aanklager wete, daar het er niet omgaat wie getuigd heeft alswel of de zaak, waarom het gaat, waar is of niet.
Het recht van citatie d.i. om op zgne vergadering te roepen, komt den kerkeraad toe, en de leden der gemeente zijn gehouden om aan de oproeping gehoor te geven. Voetius noemt de citatie ook uitdrukkelijk een der trappen van de voorloopers der tucht (Pol, Eccl. IV, 861). Wie weigert te komen legt den kerkeraad eene belemmering in den weg, om tot volle klaarheid te komen en moet daarover desnoods vermaand worden.
En waartoe zal nu alles tenslotte leiden ?
Twee dipigen zijn hier mogelijk: óf dat het feifr niet beweaen óf dat het wel bewezen is; waarby zelfs een derde mogelijk is, n.l. dat het ja van den een staat tégenover het neen van den ander en het onaeker is en blijft of de klacht gegrond is of niet.
Wanneer het eerste zich voordoet, dat het gerucht of de aanklacht ongegrond is, dan zal de kerkeraad den aanklager bewerken zijn klacht terug te nemen. Want al is 't volstrekt niet begonnen om te lasteren, indien de feiten niet bewezen zijn en de aanklacht ongegrond bevonden wordt, zou het volhouden van de aanklacht laster worden; en daar moet voor gewaakt.
De kerkeraad zal ook zpoveel mogelijk doen om de eere van den onschuldig aangeklaagd® hoog te houden en zoo zé geschonden is door de aanklacht, haar zooveel doenlijk herstellen.
Zijn de gevallen twijfelachtig en blijft de zaak onbeslist, dan zal de kerkeraad, naar het oude spreekwoord in dibiis ahaline zich van oordeelen onthouden. Hij klan den aangeklaagde niet onder de tucht stellen, ook kan hg bezwaarlijk den klager .vermanen zijn klacht in te trekken en voor zich te houden. God zelf zal verder de zaak duidelgk moeten maken, waartoe de zaak dan ook Hem worde opgedragen ; waarbij voorts ernstig worde vermaand tot een godzaligen wandel voor beide partgen.
Is daarentegen het feit wel bewezen, dan neemt de kerkelijke vermaning een aanvang.
De broederlgke vermaning is da, n reeds voorbij. De roeping van de geloovigen onderling is gedaan. De kerkeraad komt nu aan het woord, straks misschien classe en synode.
De vermaniüg kan op verschillende wijze plaats hebben. Zij kan mondeling geschieden door den vollen kerkeraad, of door een commissie uit denzelve, voor de^re zaak gecommitteerd; ook kan de vermaning schriftelijk geschieden, Voetius zegt, dat de schriftelgke vermaning in vele gevallen niet slechts geoorloofd, maar zelfs te verkiezen is boven de levende stem en wijst dan óp de vele schriftelijke vermaningen van de profeten en apostelen, 2 Cor. 10 : 9, 10.
De kerkelijke vermaning — 't zg deze mondeling of schriftelijk geschiedt, 't zij de schuldige voor den kerkeraad verschgnt of de kerUeraad hem bezoekt in zijn woning — moet steeds met groote langmoedigheid geschieden. Het moetin alles, ook in toon en houding, .uitkomen, dat de kerk den zondaar wil trachten te behouden. En de toon der liefde trekt den zondaar aan, maar de toon der hardheid stoot hem af.
Wanneer het doel der vermaning voor oogen gehouden wordt, n, l. om den gevallene te behouden, de kerk voor de besmetting der zonde te bewaren en te waken, dat Gods Naam omonzentwii niet worde gelasterd, maar geëerd en geprezen (2 qor. 12 : 20, 21; 13 : 2) dan zal de pi-edikant en de oudeiUng als geneesheer willen optreden, om hun geestelijken invloed met ernst en liefde te doen werken, en vol blijdschap zal hun ziele zgn, als ze tenslotte dan met Paulus mogen getuigen: nu verblijde ik mg, fniet omdat gij bedroefd z§t geweest, maar omdat gg bedroefd zijt geweest tot bekeering; want gg zgt bedroefd geweest naar God; zoodat gg in geen ding schade van ons geleden hebt" (2 Cor. 7 : 7—9).
En als zoo de schuldige, niet alleen met erkenning van het feit, maar ook met hartelijke belijdenis van schuld, onder oprechte teekenen van berouw, zijn verkeerde handeling belijdt en uit zgn val mag opstaan door Gods genade, dan moet de kerk hem weer aannemen en moet er verzoening plaats hebben; verzoening zoowel tusschen den aanklager en den aangeklaagde, alsook tusschen de personen die schade geleden hebben en schade hebben berokkend, gelijk tusschen den schuldige en' de kerk zelve. (Matth. 5 : 23, 24). Welke verzoening in het opeübaar kan geschieden als de zonde^ openbaar was, en overigens zooveel mogelijk een verzoening voor den kerkeraad (zie art. 75 Kerkorde)
Ja, wanneer men de geschiedenis van art. 75 Kerkorde nauwkeurig nagaat en de discussiën van de verschillende Sypoden (Embden 1571, Dordt 1578, Middelburg 1581, enz) volgt, is het blijkbaar de stellige bedoeling onzer vaderen geweest, om de verzoening in het openbaar zooveel mogelijk te beperken („om de eere des ghevallen broeders te verschoonen"), — ook zelfs als een predikant of'een ouderling daar erg op stond, doch de kerkeraad in meerderheid daar niet voor was — (lees er art. 75 Kerkorde maar op na) — en alzoo de verzoening voor df*i kerkeraad (in de tegenwoordigheid van degenen, die de kerkeraad daarbg noodig oordeelde) te bevorderen.
Art. 75 behoorlgk te lezen is dus wel aan te raden, anders leest men vast en zeker juist het tegenovergestelde van 't geen er bedoeld wordt. Want de bedpeling is, dat maar niet op verlangen ^an een predikant of een ouderling de verzoening in het openbaar te doen geschieden, maar als regel zal zij plaats hebben voor den kerkeraad en slechts als heel de kerkeraad er op staat („nae hetghevoelen der gantscher Consistorie" zooals in 1571 te Embden gezegd werd), in het openbaar. Waarbij voor het platteland toegevoegd was de bepaling, dat men daar advies van de Classis vragen moest. Kennelijk omdat er in dorpen en kleine plaatsen zoo gemakkelijk iets persoonlijks tusschen komt; en daar moest dan het oordeel van genab.uurde kerken of van de Classis zooveel mogelgk voor bewaren.
Wij meenen dus dat de zin van art. 75 Kerkorde is: de verzoening zal in den regel niet in het openbaar geschieden; aangezien het artikel zelf het geval noemt, waarin het wel in het openbaar zal gebeuren n.l. indien de kerkeraad dit noodig oordeelt; (door het oordeel des kerkeraads") waarbij het advies van twee genabuurde kerken noodig is voor kleine gemeenten met het oog op beteugeling van hiërarchische ijdelheid en om meerdera. bezadigdheid en billijkheid der procedure te verkrijgen, mede tot stichting van de gemeente.
Overigens zi^n geen regels gegeven voor de verzoening, gelijk de Kerorde trouwens ook maar algemeene beginselen 'aangeeft met recht van de Kerken, om deze beginselen naar eigen oordeel beginseivast uit te werken tot stichting der Gemeente.
! {Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's