De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een nieuw „Leven van Jezus”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een nieuw „Leven van Jezus”.

9 minuten leestijd

III.

In menig opzicht gaat de schr. van dit nieuwste „leven van Jezus" zijn eigen wegen; wegen, die afwijken van gangbare nieeningen der „critische" theologie.

Zoo is het bijv. ten opzichte van Jezus' Messias-bewüstzijn. Velen hebben betwist, dat Jezus van den aanvang van zijn openbaar optreden zichzelf voor den van. God aan Israël beloofden Messias zou hebben gehouden. Onder hen warfen er, die ten eenenmale ontkenden, dat Jezus dit ooit zou hebben gedaan, terwql anderen beweerden, dat eerst tegen het einde zijns levens bq Jezus de gedachte zou zijn gerezen, en door hem zou zijn uitgesproken, dat hij de Messias was.

Anders nu oordeelt Lepsius. Hij sluit zich hierin nauwer bq de gegevens der H. Schrift' aan, die door de zooeven bedoelden eenvoudig worden opzq gezet.

Lepsius neemt bij Jezus de gedachte aan een Meseiaausche roeping reeds zeer vroeg aan: zijne moeder Maria zou van der jeugd aan hem hebben opgevoed in de gedachte, dat voor hem, den spruit uit het aloude koningshuis van David, de troon van David en de heerschappq over het oude volk, was weggelegd.

Doch in de uitwerking van deze op zichzelf zeer aannemelijke gedachte laat de schr. weer aan zijn verbeelding den vrijeu loop. Hij onderstelt een conflict tusschen Maria's echt-Joodsche, aardsche Messias-verwachtingen, en de begeerten en strevingen van den opwassenden knaap, die door dezen droom van aardsche macht en een over de vijanden triomfeerend zwaard geenszins werd bekoord. - Hij meende, dat hq niet de Messias was, zooals het volk hem, droomde, en ook Maria's trots dien hem voorteekende. En zoo „bereidde hij aan zijne „moeder de onuitsprekelijk bittere ontgoocheling, dat hij haren heldendroom „verstoorde. Jezus verklaarde haar, dat „hq de Messias niet was". |

Door den invloed van de prediking van den Dooper echter wordt de twijfel wakker, en rijst ©en ander Messiasbeeld voor Jezus' geest op, waarvan steeds vage omtrekken "waren opgedoemd voor zijn geestes-oog onder den invloed der JË. Schrift en bij het eenzaam vertoeven op de bergen van Galilea, onder den strakken Oosterschen hemel.

. Wanneer de schr. zulke tafereelen teekent, is hif in zijne kracht. Zoo als hq weergeeft, hoe hij zich voorstelt dat Jezus als knaap genoot in de tijden, dat zijne broeders met de ouders waren opgegaan naar de feesten te Jeruzalem. Dan was de strenge hand van den wettischen Jakobus, den oudsten broeder, voor een wijle teruggetrokken.

En dan „zwierf hij over de velden. "„Het liefst beklom hij de bergen achter „de stad. Daar kon men ver over het „land uitzien. Eindeloos zwierf de blik „over dé groote vlakte, die aan Nazarets „voet zich uitstrekte. Als eilanden staken „gehuchten en dorpen boven de golvende „korenzee uit. De vlakte was aan alle „zijden in de verte door bergketenen „omlqst.

„Een vreemden vorm had de berg „Tabor, die rond was, als had eenhout-„draaier hem gedraaid. Daarachter strek-„ten zich de bergen van Gilboa uit. Daar „had zich de droeve geschiedenis van „Sauls uiteinde afgespeeld-Tegen de „heltt der hoogte wareu.wazig de witte „huizen van het dorpje Endor te onder-„kennen. Daar leefde eens de toovenares, „die voor Saul den geest van Samuel „opriep. Naar het Westen werd de blik „geboeid door het woudgebergte Karmel, „waar Elia aan de beek Kison de Baals-„priesters had gedood. Heel in de verte „isag men de steile, kaap van het ge-„bergte zich in de zee storten.

„Hier boven op de bergen begon zijn „levendige geest over God en de wereld „en alle dingen na te denken. De hooge „hemel was Gods troon, de aarde de „voetbank Zijner voeten, en de wqde „wereld het groote Vaderhuis, waarin de „kinderen Gods zich kunnen verlustigen."

Nietwaar, hier is schoon aangegeven, hoe in de ziel van den opgroeienden knaap de gemeenschapi-met God zich ontplooide, hoe zijn bewustzqn vol was èn van de H. Schrift en van het besef van Gods tegenwoordigheid? —

De omkeer in Jezus' bewustzqn wordt door den schr. in verband gebracht met het optreden van Johannes den Dooper. Bij veel, waarachter wij een vraagteeken souden zetten, en waarin do schr. sterk fantaseert, zonder èenig houvast in de H. Schrift te hebben, is ook hierin veel andere, dat treft. De schr. slaagt erin, ona een voorstelling te geven van den boetprofeet, tot wien van alle kanten menschen toestroomen naar den Jordaanoever.

Opmerkelijk hierin is ook, dat de schr. rqkeïqk gebruik maakt van de gegevens , uit het evangelie van Johannes. Niet, alsof hij daartoe geen recht zou hebben. Maar omdat in breede kringen der „onbevooroordeelde" wetenschap langen tijd als een onomstootelijke waarheid werd beschouwd en verkondigd, dat het 4e evangelie geen historische waarde bezat, en voor de kennis van den „historischen" Jezus geene beteekenis.

Lepsius schijnt hierover anders te denken. Hij verhaalt van de roeping der eerst^ discipelen van Jezus geheel zooals dit in Joh. 1 wordt bericht; hij geeft het bericht van de deputatie van Jeruzalemsche Joden, naar den Dooper afgezonden, volgens Joh. 1, 19 vv.

Later neemt hij jn zijne „levensbeschrijving" de genezing van den zieke 'te Jeruzalem bij den vijver Bethesda op (Joh. 5). Ook het bezoek aan Kana en de bruiloft aldaar, waar ook Jezus was genoodigd, schqnt de schr. voor historisch te houden. »

Hierin is hij dus veel conservatiever dan de mannen der critische school, welke gaarne iemand, die het 4e evangelie voor het werk van den apostel Johannes houdt, in den wetenschappelijken ban doen. In hunne oogen is zoo iemand te achterlijk of bevooroordeeld, dan dat hij nog recht van meespreken zou hebben.

Men denke echter niet, dat Lepsius de wonderen, volgens de evangeliën door Jezus verricht, zonder meer zou aanvaarden! Alleen van sommige genezingswonderen schijnt hq mogelijk te achten, dat Jezus ze heeft verricht. Althans hq verhaalt ze, zonder ze te verdraaien.

Ook de opwekking van Jaïras' dochtertje wordl ons verhaald, maar op zulk een wijze dat het niet geheel duidelqk is of de schr. aan een werkelijke doodenopwekking dan wel aan een' schqndood wil hebben gedacht.

En wat hij van andere wonderen maakt, ontneemt daaraan geheel het wónder-karakter; in den trant van het oude rationalisme, dat hier weer uit zqn verzwakkingsdood schijnt herrezen, worden onderscheidene van die weideren tot zeer gewone voorvallen herleid.

Wat Jezus gedaan heeft, volgens dezen schrijver, op de bruiloft te Kana? Gq raadt het in geen tien keer. Wij laten nu nog dèrèr, dat de schr. precies, weet, dat Thomas, de 3de zoon van Alpheüs, de bruidegom was, een tweelingbroeder |van Levi, den tollenaar; dat hij het voorstelt, alsof tqdeit« het bruiloftsmaal vanwege zijn vrije opvattingen deze Levi bqna in hefiigen twist geraakte met zijn veel strengere neven Jakobus en Judas.

Zulke fantasie zouden wq nog w^l op den koop toenemen. Maar het bericht van de verandering van water in wijn wordt op deze wijze omgezet: op Jezus' bevel wordt eenvoudig het water in de bekers geschonken, dat de bedienden uit de nieuw-gevulde waterkruiken hadden geput; en schertsend riep de hofmeester „ieder zet eerst den goeden, vrijn op, maar gij hebt den besten wijn tot nu bewaard." Toen bekende Jezus, da* hij, zonder medeweten van den gastheer de gasten water had laten voorzetten. „En „alle bruiloftsgasten waren het met Jezus „eens, dat m^n een goed gesprek ook bij „een teug frisch water kon houden."

Een nieuwe, oorspronkelijke vondst, voorzeker! Maar niemand zal meenen, dat met deze vernuftigheid de bedoeling van den evangelist is getroffen! Deze noemt wat Jezus hier deed, „een teeken", waarin hij zijne heerlijkheid openbaarde (Joh. 2:11).

Dan is het toch maar beter, te verklaren, dat men dergelijke wonderen niet gelooft, en in de berichten van den' 4en evangelist een zinnebeeldige beteekenis te zoeken.

Maar zulk een rationalistische verklaring als waarmede wij hier worden afgescheept, doet de Schrift geweld aan.

Precies hetzelfde is het geval met het verhaal van de ontmoeting van Jezus met sommige zijner discipelen op de zee van Galilea. Johannes bericht deze als een verschijning des Heeren na zijne opstanding.

Lepsius verplaatst het bericht vooreerst naar Jezus' optreden vóór zijn sterven; en vervolgens geeft hij er eeu ra, tioiialistisclie „verklaring"(? ) van.

Gewaarschuwd door Chüsas (Lk. 8:3), den rentmeester van Herodus, dat de koning een afdeeling ruiters had afgezonden om Jezus en zijne leerlingen in hechtenis te nemen, onttrekt, , , Jezus zich intqds aan dit gevaar, door op het schip van Simon Petrus het meer over te stoken. Hij liet zich bij Bethsaïda aan land zetten. Op zijn bevel staken Simon en zijn metgezellen weer in zee, en oefenden den nacht over de vischvangst uit.

Petrus hanteert de roeiriem, rechtop staande in zijne boot. Daar ziet hij in de morgenschemering een vuur opvlammen tegen den donkeren bergwand. Het schijnsel het een oogenblik de omtrekken herkennen van een gedaante, die aan den oever heen en weer bewoog.

„Riep daar niet iemand?

„Simon gaf zijn' makkers in de andere „boot een wenk, met roeien op te houden. „Stil was het water. Slechts zacht klotsend „sloeg een golf onder tegen dé boot. Nu „werd duidelijk verstaanbaar van het „strand geroepen: Kinderen, hebt gij „niet wat visch?

„Simon maakte van zqne handen een „spreektrompet en riep luide: neen.

„Werpt het net uit aan de rechter-„ zij de van het schip, en gq zult een vangst doen, werd er nu geroepen.

„Simon zag achterom, en zag nu op „den oever aan zilveren schubben op het „donkere watervlak schitteren, een school „visschen, die de vreemdeling van den „oever af had opgemerkt.

„Johannes kwam naast Simon staan. „Het is Jezus, " zeide hq." Dan volgt verder het bericht van Joh. 21 over de vragen, door Jezus tot Petras gericht, die in het verband, waarin Lepsius ze plaatst, al heel weinig reden hebben. Voorts wordt ingelaacht wat Luk. 5:8 staat vermeld, dat Petrus tot Jezus Èeide „Heere ga uit van mij, want ik ben een ïondig mensch", met Jezus' antwoord: rees niet, van nu aan zult gij een visscher van menschen zijn.

„Toen stond Jezus op, groette de „anderen, en zeide tot Simen: vo)g „mij." Toen Simon zijn boot aandezor-„gen van Johannes wilde opdragen, „merkte hij, dat deze niet op zijnwoor-„den lette, maar vol verlangen naar „Jezus zag. Simon begreep, hoe gaarne „Johannes met hen zou mede gaan, hield „Jezus bij den arm terug en zeide: Heere, wat zal deze". En dan volgt het bekende antwoord van Jezus, Joh. 21:22: indien ik wil, ^ dat hij blijft totdat ik '„kom, wat gaat het u aan? Volg gij mq."

Men ziet, alles een weinig omgezet, buitengewoon vernuftig, met veel talent; ontstellend nuchter; |n zoo klaarblijkelijk mogelijk met verwringing van< de bedoeling van den evangelist. Dat deze het zoo zeker niet heeft verstaan, bewijst reeds het woord, het gerucht, dat hij, naar aanleiding van Jezus' woord, aangaande Johannes verpaeldt, nl. dat onder de christenen van hem werd 'gezegd: „deze discipel sterft niet."

Doch hiermede rekent Lepsius blijk­ baar niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Een nieuw „Leven van Jezus”.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's