Stichtelijke overdenking.
Spreuken I vers, 24 27.
In ons teksthoofdstuk spreekt Salomo, de ïone Davids, datgene wat de Heilige Geest hem in 't harte gaf. Hij ziet een jongeling in groot gevaar van verleiders en daarom roept hij hem toe in vers '10: „Mijn zoon, indien zondaars u aanlokken, bewillig niet."
Salomo kent de jongelingen. Hij weet dat zij veel meer dan anderen aan verleiding bloot staan en dat zij veel minder kracht hebben om weerstand te bieden, en daarom komfhij met een dringende vermaning. Doch zou zulk een roepstem voor één onzer overbodig zijn ? Zou de kracht der verleiding voor ons niet bestaan?
Daarom voert Salomo vers 20 de Opperste Wijsheid sprekende in.... Zij roept op de straten: „Gij onverstandigen, hoe lang zult gij het onverstand beminnen", „keert u tot mgne bestraffing; zie. Ik zal Mijn Geest ulieden overvloedig uitstorten, Ik zal Mijne woorden u bekend maken."
En wat is het resultaat van dat roepen der Opperste Wijsheid? 't Eenige hier vermeld is dat de menschen hungrqote dwaasheid toonen in 't verwerpen der goddelijke gaven.
Dan volgt onze tekst waarin gesproken wordt: ten Ie. van de werken Gods — roepen en 't uitstrekken der handen; 2e, werk van menschen als God roept dan weigeren zij; ' als Hij de handen uitstrekt dan merken zij niet op en dan verwerpen zij al Gods raad en willen Zqne bestraffing niet; 3e. 't lachen Gods en Zijn spotten en 't vreezen en beven der menschen voor en in 't verderf.
Onze "tekst zegt dat de Opperste Wiijsheid geroepen heeft en 't is zeker wel overduidelijk dat de Heere talloos vele malen roept. Hij komt tot' ons vanaf onze prilste jeugd met roepstemmen en dan wordt reeds een duidelijke taal van het geweten gehoord.
Oeh de Heere laat Zich niet onbetuigd en als de Satan nadert met listige verleiding, dan staat God ons nabij en geeft een duidelijke stem te hooren in het geweten. Hij roept. Hg waarschuwt. Hij zegt dat wij den booze niet volgen mogen.
Indien die roepstem Gods in 't geweten niet bestond, dan ware 't zondigen veel gemakkelijker en de mensch zou daarvan zeker misbruik maken.
Nu werkt 't geweten als de rem op 't rad die den wagen tegenhoudt ala hij van een helling rolt. Maar de rem is niet een kracht die den wagen tegen de heuvels opsleept.
Zoo is ook 't geweten niet een kracht die den menach dwingt 't goede te doen, Maar die slechts 't kwaad beteugelt.
En als de mensch naar die roepstem öods niet luistert en de zonde toch doet, ook dan als de duivel triumfeert, breekt de Heere den band niet, maar Hij roept log in 't geweten en Hij doet daaruit opkomen smart over de zonde. Ook dan roept Hg nog om terug te keeren van t pad des verderfs.
Een goed vader of moeder kan 't niet zien dat hun kinderen ten verderve gaan als dat gebeurt dan waarschuwen en vermanen ze en dan roepen te hen terug. Dat beeld wordt hier van God gebruikt. De Vader in de hemelen roept Zgne kinderen. Dat zijn in dit geval alle menom hen te beveiligen tegen de machten der duisternis: Hij roept hen terug als zg een prooi van de zonde geworden zi^n. Behalve die inwendige roeping in 't geweten, komt Hij uitwendig tot hen in Zijn Woord.
In dat Woord staan menigvuldige roepstemmen tot bekeering en ons tekstwoord is zeker ook een ernstige. ^
God wil ons verderf niet, anders zou Hij ons niet roepen, maar wg doen als lichtzinnige jongelingen en meisjes, die spelen met hun geluk en eer en toekomst.
Zoo spelen wg met de eeuwigheid, en hetgeen de grootste waarde voer ons moest hebben, staat menigmaal op den achtergrond.
Maar met dat roepen is 't werk van den Vader in de hemelen niet geëindigd. Wanneer een kind niet luistert naar het roepen des vaders, dan zal de vader de hand uitstrekken om aan zijn woorden kracht bij te. zetten en menigmaal heb ik gezien dat een ongehoorzaam kind jieer gewillig werd als vader of moeder de hand dreigend ophief.
't Opvoeden van kinderen schgnt een zeer moeilijk werk te ggn en het wordt zeer onderscheiden gedaan., Sommige ouders regeeren hun kinderen met de oogen en reeds 't afkeurend aanzien is voldoende om de kinderen te matigen in hun luidruchtigheid of hen 't verkeerde te doen laten of hen met diep berouw te vervullen.
Andere ouders hebben veel meer moeite Daet hun kinderen en moeten soms harde woorden gebruiken — maar er zgn ook kinderen voor wie vermaningen niet baten en die wel eens meer noodig hebben dan bedreigingen — die wel eens de hand der ouders moeten voelen.
Arme ouders die niet streng kunnen straffen als 't noodig is. Arme kinderen die niet tijdig gestraft werden. Ieder ouder wete hoe hij in dezen sta.
Maar hoe moet dan de Vader in de hemelen handelen, waar Hij te doen heeft met goddelooze, afkeerige, weerbarstige en zeer dwaze kinderen.
Hg ziet ze in doodsgevaar door hun eigen dwaasheid. Hg ziet ze spelen op den oever der eeuwigheid, op den rand van het eeuwig verderi en Hij roept luide en aanhoudend om hen te waarschuwen en af te manen van de paden der zonde.
Och wat staan er al vele waarschuwingen voor de zonde in de H. Schrift.
Doch als de menschen nu toch de zonde doen en niet willen wederkeeren tot den Heere, dan heft de Vader de handen dreigend op.
Ja, gelijk een vader zijn ongezeglgke kinderen door elkander schudt, zoo ook is onze God gekomen in deze dagen en heeft bg Zgne bedreigingen lichte beproevingen gevoegd. De voorbeelden uit het dagelgks leven aijn voor 't grgpen, ook al spreek ik in 't algemeen. Neem maar eens het uitbreken van den oorlog, toen de doodsengel bleef staan op de grenzen van ons land — dat was toch ongetwijfeld een' uitbreiden van Gods handen, een roepstem om eene onberouwlgke bekeering tot zaligheid te werken. Welnu, vélen hebben in die dagen een beweging des harten gevoeld en hebben zich in den gebede tot God gewend — en de vrede is bestendigd.
, Maar toen er verlenging des vredes was, lieerden velen zich weer af van God en toen heeft de Heere de handen vele malen dreigend opgeEeven. Hij heeft eenige malen de harten uit de valsche slaap gerukt door drei^iug van oorlog.
Zgn werk is 't dat onze schepen geroofd zijn en dat vele onzer schepen verpletterd en verbrgzeld zgn.
Zijn bestuur is 't dat ons volk in alle opzichten afhankelgk en gebonden en machteloos blijkt en ongetwijfeld zendt Hg ons dat toe, opdat wg Hem noodig hebben.
De droom van vrgheid is vergaan. Ons volk is niet vrij. ledere bete broods die wij gebruiken herinnert er ons aan, want het is oorlogsbrood. Br is een uit-' breiden van Gods handen, een ernstige roepstem in al ons voedsel en kleeding, in spijze en drank, 'in alle dingen vaü het dagelgksch leven.
Er wordt geen spgker in het hout geslagen of er komt een klank uit voort en die klank zelfs is een roepstem Gods.
Waar zon ik big ven als ik die roepstemmen wUde opnoemen ? 't Geheele leven is veranderd. Veel moeten wij missen waaraan we gewend waren. Alles is duur en slecht.
Och Gel.! Ziet ge dan niet dat de Heere bemoeienis met ons houdt, dat Hg de handen tot ons uitbreidt? En wat is 't antwoord der menschen? *
Gelijk een hond bgt in de etok waarmede hg bedreigd wordt, zoo antwoorden wij op de bedreigingen des Heeren. Wij merken niet op de hand des Heeren in al die dingen ; wij zien niet in dat Hij 't is die den cirkel steeds nauwer om ons toehaalt en den druk voortdurend vermeerdert.
Wij murmureeren, wij klagen. Wij willen zelfs wel erkennen dat 't Gods goedertierenheden zijn dat wg niet vernield zijn, maar verstaan dat de Heere ons iets heeft te leeren in deae dingen, dat doen velen niet. 't Is als in onzen tekst: Dewijl Ik geroepen heb en gg geweigerd hebt — de handen uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte en gij al Mgn raad verworpen en M^ne bestraffing niet gewild hebt. Dat is het antwoord dor menschen op de genadige bemoeienissen Gods,
Zij bemerken het niet en zij verstaan het niet. 't Is alsof God in deze dagen gesproken heeft als in de dagen van Jesaja (6 vers 10): Hoerende hoort maar verstaat niet en ziende ziet maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet en maak hun ooren zwaar en sluit hunne oogen opdat het niet zie met zgne oogen, noch met zijne iooren hoore, noch met zgn hart versta, noch zich bekeere en Hg het geneze.
Die profetie van Jesaja wordt immers letterlijk vervuld in dezen tijd. yeel wordt er geklaagd, soms, zelfs gemurmureerd. Anderen zien met zorg de toekomsttegemoet, omdat ze zien dat straks nog menig ding ons ontvallen zal. Zij die bezorgd zijn hebben gelijk, want al heeft God beloofd dat Hg Zijn volk niet zal doen omkomen in< duren tgd of hongersnood, toch heeft Hij niet beloofd dat er geen duren tijd zal komen.
Maar ook goddeloozen kunnen den toekonist somber inzien en ze hebben daartoe meer reden dan de geloovigen, doch met al dat zuchten hebben wij nog niet de vrucht dpr beproeving gevonden. Ook zijn er velen die zich gansch niet bekommeren om de toekomst en die er slechts op uit zijn in deze tgden winst te behalen.
Zoo wordt 't leven verschillend geleefd, maar in 't algemeen wordt Gods roep stem in de gerichten niet gehoord of verstaan. Van verootmoediging wordtin deze dagen weinig gevonden ; evenmin als van een nederbuigen voor God en i een belijdenis van schuld en van onberouwlgkheid.
Wat zal dan 't einde wezen ? Moeten de donkere dagen die dreigen, komen, aleer ons volk zal komen tot de kennis. dat 't Gods hand is, die al deze dingen doet; eer ook wg ons over deze dingen verootmoedigen voor God.
Dan kan 't wel eens te laat wezen, want onze tekst spreekt van een gewis verderf, dat besloten is over degenen die Gods raad verwerpen en 's Heeren roepstemmen niét willen hooren.
8e. Spreken wij nog over 't lachen Gods in 't verderf der goddeloozen en 't vreezen en beven der menschen in dien dag.
De lankmoedigheid Gods ié niet eeuwigdurend ; er komt een einde aan. In dezen tijd der genade toont de Heere nog ontferming en mededoogen, maar als die tijd verstreken is, dan baat 't niet hoe veilig een mensch zich gevoelt.
Ja dan zullen de roepstemmen Gods in herinnering komen en Zijne raadgevingen die wij verwierpen luUen beschuldigend ons voor oogen staan, en ze zullen de smarten en de vreeze der goddeloozen vermeerderen. Angst en vreeze zal het verderf voorafgaan, gelgk herauten voor 4en koiiing.
't Is gelgk Zefanja het voorspelde: Die dag zal een dag der verbolgenheid zgn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en der verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der donkerheid.
O, 't werken Gods is zoo vreeselgk. Wanneer Hg uit 't rgk der natuur ons slechts teg^ntreedt, dan is 't reeds zooals de psalm zegt: 't Schepsel beeft en staat verwonderd, als de God der eere dondert. Dan is er reeds menigmaal een ontroering des harten waar te nemen.
Doch wat zal 't dan weten als de dag der wrake komt en de violen van Gods heiligen toorn worden uitgegoten. Wanneer uwe vreeze komt als eene verwoesting en uw verderf aankomt als een wervelwind, wanneer u benauwdheid en angst overkomt.
Ziet, dat alles hebben wg te verwachten volgens de bedreiging van onzen tekst. Hoe dat verderf dan wezen zal, weet niemand. Of ook ons land in de algemeene ellende van den oorlog zal meegesleurd worden — of er, hetgeen erger is, binnenlandsche revolutie aal losbarsten en de booze hartstochten des volks ontketend zullen worden, 't ligt alles in de handen Gods.
Maar zelfs als de Heere ons beschermt tegen oorlog en revolutie, dan nog liggen tallooze middelen ter kastijding in Zgne macht en Zijne Wijsheid zal de beste middelen wel uitkiezen.
Doch ook indien de Heere ons volk niet straft in zgn geheel, dan zullen nog degenen die 's Heeren raad ver werpen 't oordeel niet ontkomen. ; :
Dan nog zal der'goddeloozen verderf komen als een wervelwind — dan zullen toch in een punt des tgds hunne fundamenten bewogen worden en zij al hunne hope en troost en vroolijkheid en gelach verliezen. Wanneer de poorten der eeuwigheid geopend wo.rden en den sterveling alles ontvalt, dan sial 't hen die geen schuilplaats vonden achter den Borg en Middelaar Christus Jezus, vreeselgk zijn te vallen in de handen van den levenden God."^
Hier op aarde betaalt de Heeire slechts een deeltje uit van 't verdiende verderf en dan is dat loon reeds zoo vreeselgk, dat wij allen verlangen daarvoor bewaard te blgven. Wat zal 't dan wezen als het volle loon wordt uitbetaald en er geen herroepen mogelijk ia en hei lot voor eeuwig beslist wordt.
Och ik denk dat er dan duizendenen millioenen zullen zijn die met den rijken man nog wel gaarne van nieuws zouden willen beginnen om ganëch anders te leven.
Die als ze 't gewicht van het onherroepelgke op zich voelen drukken, alles souden willen doen en geven om aan 't eeuwig verderf te ontkomen.
Maar wanneer eens 't vonnis Gods is geveld, dan sullen alle tranen niets veranderen en 't weenen en knersen der tanden zal niet baten.
„Och of gg dan bekendet ook nog in "dezen uwen dag wat tot uw eeuwigen vrede dienen moet!"
Waarom nu niet met meer ernst gezocht naar de parel van alles overtreffende waarde?
Waarom nu niet geluisterd naar de roepstemmen Gods?
Waarom nu niet alle dingen schade en drek geacht om de uitnemendheid der kennis van Christus.
Waarom nu niet gejaagd naar 't doel der roeping Gods en al die dingen verlaten, die slechts schaden,
O, 't gaat om zoo groote belangen, veel grooter dan de dingen van dezen tijd, die alle slechts een betrekkelgke en een tgdelgke waarde hebben.
Stel een» dat ge succes hebt met uw jacht naar. geld en goed en genot en ge moet dan toch nederdalen in 't verderf, zou dat u niet met onnitsprekelgke smart vervullen ?
Leert de Schrift ons niet dat het den mensch niet baat zoo hg de geheele wereld wint en Igdt schade zijner ziel.
En dan wordt ook dat vreeselgke woord van onzen tekst vervuld, dat des te ontiachelgker klinkt uit den mond Gods (vers 26): Zoo zal Ik ook lachen in ulieder verderf, Ik zal spotten wanneer uwe vreeze komt
Velen hebben gemeend dat dit niet te rijmen is met een God van liefde.
Velen hebbén ziohzelven een denkbeeld gemaakt van een God van liefde, terwijl ze verwierpen de openbaring Gods in Schrift en geweten.
Immers de Heilige Schrift leert dat de Heere is, een God van heilige liefde. Die de zonde volkomen haat. En die leer wordt bevestigd door het geweten.
Daarom zal bij den Heere gevonden worden een heilige vreugde over 't verderf der goddeloozen.
Ik bid u, tracht déze dingen goed te verstaan: Die heilige vreugde is geheel iets anders dan duivelsch leedvermaak.
De Satan zal vreugde kennen als hij een dwaas de paden des verderfs^ ziet betreden en als hij zijn prooi voert naar de buitenste duisternis.
Zoo mogen wij ons de heilige vreugde en 't heilige spotten God» niet voorstellen, want de bron en oorzaak der vreugde is bg den Heere een gansch andere dan bij Satan. Satan kent louter leedvermaak maar de Heere, Wiens heilig recht geschonden is, verheugt Zich over de hand-
having van Zijn recht. Wanneer de Beere Zijn eigenschappen of volmaaktheden aan een zondaar verheerlqkt, dan moet Hem dat wezen tot groote blijdschap.
O, Gel.! het gaat niet in de eerste plaats om de zaligheid onzer ziel, maar om de eere Gods.
En als Zijn Naam maar geëerd en geprezen worde, al zou onae ziel daarbij ondergaan, dan zou 't doel van ons bestaan bereikt zijn. Want de Heere bedoelt met al Zijne werken de verheerlijking van Zijn nooit volprezen Naam.
Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen, Men loof' Hem vroeg en spa.
De wereld hoor' en volg' mijn zangen. Met Amen, Amen na.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's