De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

De Kerk en het Woord Gods. X.

Gelukkig wanneer er zekere teekenen van berouw gevonden worden indien men zich in leer of leven kwam te misgaan. Zekere teekenen d. w. z. teekenen waar men op af kan gaan, die men vertrouwen kan. (in 't Latijn certa, betrouwbare, en niet quaedam, sommige). - Dan komt alles weer recht door 's Heeren goedheid.

Maar in de Kerkorde volgt op art. 75, waarin van verzoening (reconcilatio) gesproken wordt, art. 76 waarin dit staat: „Zoo wie hardnekkig de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie eene openbare of anderzins eene grove zonde gedaan heeft, aal van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden, enz." Dat brengt ons dus tot een andere zaak dan tot verzoening, 't Gaat nu over de verharding bij alle kerkelgk vermaan; en wat er dan door den kerkeraad gedaan •noet worden.

Over de afhouding van het Avondmaal wordt hier dus in art. 76 gehandeld en dan wel als eerste trap der censuur. Hier mag wel even erop gewezen worden, dat er ook nog een eenvoudiger afhouding van het Avondmaal is dan hier als eerste trap van kerkelgke censuur bedoeld wordt. Er kan n.l. een voorloopige, vermanende afhouding van het Avondmaal zijn, ten opzichte van een lid der Gemeente, als de kerkeraad meent dat bedoeld lid der Gemeente in omstandigheden verkeert, dat het voor hem zelf alsook voor de stichting der Gemeente beter is zich onder bepaalde omstandigheden van het Avondmaal te onthouden. De practijk des levens, bewijst, dat zulke dingen kunnen voorkomen en van ouds is het dan ook in het midden va, n de Geref. Kerken geschied. Zulk een afhouden van het Avondmaal heeft dan wel in ruimeren, maar niet in engeren zin een disciplinair karakter; 't is een eenvoudige, vermanende en voorloopige afhouding, welke vooral noodig kan zgn b.v. wanneer een of andere kwestie hangende is of het gerucht van een of andere zonde rondgaat, zonder dat de dingen door den kerkeraad nog geheel en grondig konden worden onderzocht of afgehandeld h d

Op die wgze kan iemand zichzelf het Avondmaal ontzeggen; ook kan iemand dat doen op aanraden van den kerkeraad; ook kan de kerkeraad het Avondmaal bepaald ontzeggen. Maar, zooals we reeds seiden, dat is geheel iets anders dan in art. 76 Kerkorde bedoeld wordt daar bet dan een voorzetting van de kerkelijke procedure is fJen dus de eerste trap der censuur. We betreden hier dus het eigenlijke terrein van de kerkelgke tucht, waarbg zich twee momenten voordoen 1 de schorsing of de kleine ban en 2 de excommunicatie d. i. de afsnijding van de gemeente of de groote ban. De schorsing d. i. de tijdelijke opschorting of afhouding van het gebruik des H. Avondmaals of „kleine ban" wordt in art. 75 behandeld. In art. 76 gaat het dan over de excommunicatie d. i. de afscheiding van de gemeente of „groote ban."

In 1 Cor. 11:17—34 wordt in de strenge berisping van Paulus over het misbruik en de ontheiliging van het Avondmaal heengewezen naar de afhouding van den disch des Verbonds voor allen die zich aan eene of andere tuchtwaardige zonde hebben schuldig gemaakt. Het heilige moet heilig gehouden worden. En daarom is bij eene of andere tekortkoming of misstap een woord van bestraffing in liefde noodig om tot inkeer en terugkeer te brengen, maar als er een wanbedrijf is moet strenger worden opgetreden en als er dan volharding is bij het kwade, zonder teekenen van verootmoediging, moet de afhouding van het Avondmaal plaats hebben, totdat men zich voor God komt te verootmoedigen en voor de Kerk berouw te toonen (zie Calvijn Institutie IV : XII:6).

Calvgn heeft deze dingen in practijk gebracht te Geneve. Toen hij in 1536 aldaar" gekonien wa8 en den reformatorischen arbeid ter hand nam, wist hg te bewerken, dat reeds den 16en Jan. 1537 door den Kaad der stad eene Kerkorde werd aangenomen, waarin aangaande het Avondmaal bepaald werd, dat het éénmaal per maand gebruikt zou worden en dat allen, die onchristelijk wandelden en weigerden naar de vermaningen te luisteren, van het Avondmaal geweerd en van de gemeente afgesneden zouden worden.

Eenige personen van goede getuigenis bg alle geloovigen moesten verkoren en over de kwartieren der stad verdeeld worden, om op de burgers toe te zien, en zoo er een was, die feil ging, daarvan aan een der predikanten mededeeling te doen, opdat die hem vermaande. Baatte die vermaning niet, dan werd hem aangezegd, dat van zijne hardnekkigheid aan de gemeente kennis gegeven zou worden. Hielp ook dit niet, dan moest hij ten slotte geëxcommuniceerd worden met de vermaning aan de geloovigen, niet vertrouwelijk met hem te spreken. Toch moest hg wel onder de prediking komen, of het den Heere behagen mocht, zijn hart te roeren en hem op den goeden weg te brengen. (Zie E. Doumerque „Calvijn in het strijdperk", vertaald door W. P. A. Winckel blz. 183—185.) Naar het voorbeeld van Calvgn heeft ook a Lasco de afhouding van het Avondmaal als een tuchtmiddel in de Vluchtelingenkerk te Londen ingevoerd en de Fransche Kerken namen ze als tuchtmiddel op in de artikelen, door de Synode te Pargs, 1565, vastgesteld.

Geen wonder dan ook dat door onae vaderen op de Synode te Embden, 1571, in art. 30 werd bepaald: „Soo wie hartneckelgck die vermaninghen der Consistorie verwerpen sal, dien salmen van der ghemeenschap des Nacgtmaals afhouden, ende afghehouden zijnde, ist dat hij nae vele vermaninghen geen teecken van berou en bewgst, soo sal dit den voortgangh zijn tot der uytsluytinghe." En zoo is het sinds dien tijd blijven staan in de Kerkorde, waar we in art. 76 lezen: „Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des kerkeraads verwerpt en desgelijks, wie eene openbare of anderszins eene grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden. En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zial men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding komen, volgens de forme, volgens den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classis."

De kerkeraad heeft dus in deze een roeping; en wel om, zonder er de Gemeente nog kennis van te geven, het aangaan ~ aan den tafel des Heeren te ontzeggen aan dengenen, wien hij daartoe weet in aanmerking te komen. Zoo min mogelijk moet de zondaar publiek gemaakt worden. Hg komt eerst onder de z. g. n. stille censuur. (Voetius, Pol. Eccl. IV : 866). Volhardt hij daarna in zijn zonde, dan is hg zelf de oorzaak^ dat de publieke vermaning van den kansel noodaakelijk wordt. ^

Wat nu precies de reden en de oorzaak moet zijn tot die schorsing ?

't Kan in hoofdzaak tweeërlei zgn. En wel ten eerste-kan er een heimelijke zonde in 't spel zijn, waarbij eerst de broederlijke en, nadat deze vruchteloos bleek, ook de kerkelqke vermaning te vergeefs werd beproefd. Hier mag niet aanstonds van het Avondmaal geweerd worden. Hier kan wel worden aangeraden weg te blijven. Maar eerst als hardnekkige verwerping van de vermaningen des kerkeraads plaats grijpt, wordt zoo iemand voorwerp van censuur en kan de afhouding van den disch des Verbonds geschieden. Wie zijn zonde bekent en laat, zal barmhartigheid ontvangen. Maar wie volhardt in het kwade, zal de straf niet ontgaan.

Hoe lang de kerkeraad eerst moet vermanen alvorens tot de schorsing over te gaan ? Een algemeene regel is hier niet te geven. Het min of meer onboetvaardig zich toonen komt hier in het geding.

Ook bij „eene openbare of anderszins grove zonde" moet de kerkeraad ingrijpen. Zoo bepaalde de Synode te Middelburg in 1581 voor 't eerst. En terecht, want eene openbare en grove zonde geeft openbaar en in groote mate ergernis, die weggenomen moet worden, aleer er weer gemeenschappelijk met den zondaar mag gegeten en gedronken worden aan den Avondmaalsdisch. Als er dus bqv. eene ergerlijke zonde als diefstal of onzedelijkheid plaats heeft, die met enkele dagen algemeen ruchtbaar is, dan moet de kerkeraad, na zich eerst goed van de waarheid van het feit overtuigd te hebben, zoo iemand aanstonds, zonder voorafgaande herhaalde vermaningen, van het Avondmaal weren, 't Moet dan natuurlijk niet aanstonds worden een excommuniceeren of afsnijden van de Gemeente. Maar wel een afhouden van het Avondmaal.

Zoo is van ouds op de Synoden beslist en ook onder onze huidige ongelukkige organisatie in de Herv. Kerk hebben we in art. 43 van het Regl. voor Kerkelijk Opzicht en T-ucht de volgende bepaling: , Bij een geruchtmakend bezwaar of een van ergerlijken aard is de kerkeraad bevoegd eene ontzegging van het gebruik des Heiligen Avondmaals, voor den tijd van ten hoogste drie maanden, provisioneel uit te spreken, zonder dat hiertoe hooger beroep wordt toegelaten, "

De vraag is wel gedaan, of de viering van het Avondmaal wegens beroering in de Gemeente door den kerkeraad voor een zekeren tijd mag worden uitgesteld?

Hier kan natuurlijk aanstonds als bezwaar worden ingebracht, dat dan de onschuldigen met de schuldigen moeten lijden en degenen die geen part of deel hebben aan de beroering op die manier verhinderd worden aan den disch des Verbonds aan te gaan. Toch kan het gebeuren, dat bq een zekere kwestie de Gemeente in twee partijen verdeeld is, of dat de Gemeente tegenover den kerkeraad staat en, zoo schrijft Voetius, , wie ziet dan niet in, dat het Avondmaal dan niet op den aangekondigden dag mag bediend worden, alvorens de strijdende partijen, zoo niet tot vollen vrede, dan toch tot een wapenstilstand gebracht zgn, of althans er ernstig naar gestreefd is, opdat er geen gelegenheid tot scheuring gegeven worde." (Pol. Eccl. IV:917). In deze moet dan ook héél de Gemeente lijden, wanneer een gedeelte in de zonde leeft, opdat de zonde worde uitgebannen. En er moet gewaakt, dat de tafel des Heeren niet ontheiligd en Gods Naam niet gelasterd worde.

(Wordt vervolgd).

Afvaardiging naar de Synode.

De Synode der Ned. Herv. Kerk is Woensdag 17 Juli jl. weer bijeengekomen 'in den Haag.

We laten hier nog eenssieen Eooster van afvaardiging der leden volgen:

W. Comm. cq(NrH Drenthe N. Br. en Linab. Groningen Overijsel Friesland Utrecht Zeeland N. Holland Z.Holland Gelderland Jaar iH r-f (M TH cq 0» < N < M < N < N 00 T-l OS T-i TH (N < M (N (N (M (M N IM Oi *H < N (N Oï (N < M T-i < M (M Ci| O o> T-i c^ (M (M IM (yj T-i y~i C^ < ? ^ (M o> rH (N ©q IM TH < N rH TH cq (N < M OS r-l (N r-l < N TH O^ r-l (N (N < M IM eo IN o> vi r-l rH rH rH (M (N T-< < M CO IM < N IM IM^IM IM cq IM (M < M (M 1924 1925 Gelijk men ziet vaardigen de Prov. Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Friesland en Groningen elk jaar 2 leden af, zijnde de Provincies met meer dan 150 predikantsplaatsen.

De Provincies Zeeland, Utrecht, Overijsel, N Brabant en Limburg, Drenthe en de Waalsche Commissie vaardigen 3 jaren achtereen 2 leden en dan weer 3 jaren achtereen 1 lid af, volgens Rooster.

De Synode bestaat elk jaar uit 13 predikanten en 6 ouderlingen ofoüd-ouderlingen, afgevaardigd door de 10 Prov. Kerkbesturen en de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken.

De 6 ouderlingen worden volgens Rooster gekozen en wel in:

1918 door Groningen, Friesland, Gelderland, de Waalsche Commissie, Zeeland en Utrecht.

1919 door Friesland, Gelderland, Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht en 'Overijsel.

1920 door Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht, Overijsel, Noord-Brabant met Limburg.

1921 door Zuid-Holland, N.Holland, Friesland, Overijsel, N. Brabant met Limburg en Drenthe.

1922 door N. Holland, Friesland, Groningen, N.Brabant met Limburg, Drenthe, Waalsche Commissie.

1923 door Friesland, Groningen, Gelderland, Drenthe, Waalsche Commissie en Zeeland.

Voor de kerkelijke hoogleeraren is de Rooster als volgt:

1918 prof. dr. H. M. van Nes te Leidon en prof. dr. W. J. Aalders te Groningen.

1919 prof. dr. F, E. Daubanton te Utrecht en prof. dr. A. van Veldhuizen te Groningen.

1920 prof. dr. L. Knappert te Leiden en prof, dr, J. R. Slotemaker de Bruine te Utrecht.

De Synode van dit jaar is aldus saamgesteld :

voor Gelderland: ds. J, C. Prins te Geldermalsen en H. Veenman, ouderl. te Wageningen;

voor Z.-Holland: ds. H. vanDruten ie Rijnsburg en ds. J. Steenbeek te Vianen;

voor N.-HoUand: ds. A. A. Cramer te Broek in Waterland en ds. D. Eilerts de Haan te Heiloo;

voor Zeeland: dr. G. J. Weyland, pred. te Veere enjp. Landsman, ouderl. te Vlissingen;

voor Utrecht: ds. P. Bongers te Kamerik en prof. dr. S. D, van Veen, ouderl, te Utrecht;

voor Friesland: ds, D, Zoete te Lemmer en L, Hannema, ó.ouderl. te Franeker;

voor Overijsel: ds. A. de Haan te Zwolle;

voor Groningen: ds. F. Tammens te Zuidbroek en J. W. Bolt, ó.ouderl. te N.Pekela;

voor N.-Br. en Limb.: dr. O. F. M. Deeleman te Grevenbicht;

voor Drenthe: ds, A. J. A, Scholte te Borger;

voor de Waalsche Comm.: ds. E. E. Picard, pred. te Dordrecht en mr. H. J. M. Tijssens, oud. te Utrecht,

Kerkelijke hoogleeraren: prof, van Nes van Leiden en prof, Aalders te Groningen (adviseerende stem).

Secretaris: ds. L. W, Bakhuizen van den Brink (adv. stem).

Quaestor-generaal: mr. S. J. Hogerzeil (adv. stem).

Zooals men ziet zendt Utrecht dit jaar weer 2 , afgevaardigen (verleden jaar 1) Drenthe nu 1 lid (verleden jaar 2). en Dit geeft ook wat de richting-verhouding in de Synode betreft eenig verschil, daar Utrecht orthodox is en Drenthe modern.

Utrecht orthodox is en Drenthe modern. De verhouding is dit jaar 11 orthodox en 8 vrijzinnig, hoewel men weet dat het bij sommige rechtsche leden nog al eens voorkomt, dat ze bg stemmingen aan den linkerkant terecht komen.

Nieuwe leden der Synode zijn: ds. P. Bongers van Kamerik en de heer Veenman van Wageningen.

Wat er van de voornaamste voorstellen van deze Synode is te wachten?

Het vrouwenkiesrecht, verleden jaar met 14 tegen 5 stemmen aangenomen, zal ook nu wel worden goedgekeurd. Immers in 1917 waren de heeren ds. Steenbeek, mr. Tijssens, ds, de Groot, ds. Zoete en de heer Hannema tegen.-^Da. de Groot is intusschen vervangen door ds. Bongers, die ^ok wel tegen zal zijn — maar overigens is er slechts een ouderling voor Utrecht bijgekomen (prof. v. Veen), terwijl ds. Callenfels is vervangen door den heer Veenman (ouderl. te Wageningen). Door die twee zou op z'n gunstigst de verhouding 12 tegen 7 kunnen worden en dus blijft een meerderheid verzekerd.

Of na eventueel aanneming van dit voorstel de Provinciale Kerkl)esturen met 2/g yan al de stemmen deze wetswijziging dan ten slotte zullen bekrachtigen (zie de slotbepaling na hetAlgem. Regl. en de aanteekening van Knottenbelt in zijn uitgave Kerkelijk Wetboek 7e druk blz. 68) valt natuurlijk niet te voorspellen. We hopen nog altijd, dat 't vrouwenkiesrecht in onze Kerk niet zal wórden toegelaten, daar het vooral onder de huidige omstandigheden slechts de grootste verwarring kan geven.

Wat de kwestie van de Modus vivendu en nu het Regl. op de filiaal-gemeenten aangaat weten we, dat verleden jaar de heeren de. Steenbeek, dr. Callenfels, ds. Prins, ds van Druten, ouderl. Landsman, ds. de Groot, ds. Zoete, ouderl. Hannema, ds. de Haan en dr. Weyland de modusvivendi voorstelten hebben afgestemd. 7 Vrijz. Herv, heeren waren er slechts vóór benevens de twee Waalsche heeren. De Drentsche ouderling, die er vóór was, verdwijnt nu. Prof. van Veen komt er voor in de plaats, Gelderland zal geen verandering geven. Utrecht, wat den predikant betreft, ook niet. En dus wanneer prof. van Veen vóór is (wat niet zeker is) en dezelfde heeren die verleden jaar tegen de modus-vivendi-voorstellen zijn nu ook tegen het Reglement op de filiaal-gemeenten, dan zon het met een kleine meerderheid worden afgewezen. Ook hier valt' evenwel niets met zekerheid te voorspellen, vooral nietwaar het bij sommige heeren lang niet zoo vast staat hoe ze zullen stemmen, ook al koestert men onwillekeurig soms eenige hoop, dat-ze toch niet mee zullen werken om^ onze Kerk nog verder uit de rechte banen te brengen.

Wone de Heere, die alles regeert naar Zijn Raad, rijkeigk met Zijn Geest in het midden van de Synodale Vergadering en make Hij uit goedheid, dat middelen en wegen mogen samenwerken tot herstel van onze Herv. Kerk, opdat zij weer moge komen staan, als een pilaar en vastigheid der Waarheid in het midden 'onaes volks, dat overigens zoo schrikkelijk afglijdt van het vaste en hechte fundament, dat de Heere hier van ouds gelegd heeft. En weten wij dikwijls niet hoe het komen moet en door wat middel het heil ons geworden zal — 't is de Heere die alles in Zijn hand houdt en de harten neigt als waterbeken.

Hij zij ons volk én onze Kerk genadig I

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's