Stichtelijke overdenking.
Ik trok ze met menschenzeelen, met touwen der liefde. Hosea 11 - Aa.
Menschen-zeelen.
Wie heeft onze prediking geloofd ? Hoe dikwerf klinkt nog deze oude vraag op ontmoedigden toon in den wijngaard des Heeren! Nog altgd scharen zich breede rijen rond het spreekgestoelte, vanwaar de noodiging des Evangelies uitgaat tot den verloren zondaar, maar ach, hoe weinigen zgn het, die deze roepstem ter harte nemen en blqmoedig opvolgen. Waar is de ploeger op den akker van 't menschenhart, die het kouter des Woords niet telkens weer hoort knarsen over den steenachtigen bodem?
Zeg niet dat elke zaadkorrel ontkiemt in het verborgene; dat de levenswerking aich onttrekt aan 't onbescheiden-spiedend oog; want wel breekt de korrel onzichtbaar open om de teere spruiting der levenskiem door te laten, maar straks schiet, wat ontkiemde, toch boven den grond uit, en het leven blijft niet wegschuilen.
O gewis, de Elia's-klacht: ik ben alleen overgebleven, is altoos — ook in onzen t^'d — misplaatst, maar anders i» het met de verzuchting van den psalmdichter: de getrouwen zijn weinig geworden.
't Lgdt geen twijfel, de mensch wil eigenlijk niet zalig worden. En dat er onder al die onwilligen dan toch ook in onzen tqd nog zijn, die oprecht leeren vragen: wat moet ik doen, om zalig te worden, het is enkel dank te weten aan Gods verkiezende en almogende ontferming, die de dingen, die niet zqn, roept alsof zij waren.
In 't woord van den Heiland, dat velen bewandelen den breeden weg, die ten verderve voert, en weinigen slechts ingaan door de enge poort ten leven, ligt ook de droeve werkelijkheid van onze dagen op ontroerend-juiste wijze geteekend. En als ge vraagt, wat dan beslist over die keuze, en waarvan het nu afhangt of de mensch den breeden of den smallen weg kiest ; dan moet geantwoord, dat dit niet ligt aan 'smenschen bezit of gemis van de begeerte om zalig te worden, maar dat hier diepere oorzaken wegschuilen; lag 't in 's menschen hand, dan — en dit is vernietigend voor de doolleer van den vrije wil of een algemeene verzoening — dan werd er nooit éen zondaar zalig, want daar is niemand die God zoekt uit zichzelf, ook niet éen. Waarlijk, Gods t Kerk, die leefde en wandelde bij 't licht van Gods Getuigenis, heeft zich de eeuwen z door niet verzet tegen de leer, dat de mensch eigener beweging moet zalig worden, omdat zij meende, dat op deze wijze te veel zondaren ten hemel zouden ingaan, maar ten eerste, omdat zoo den Heere de eer van Zijn werk werd ontstolen, en dan zeker ook, omdat, lag 't o aan den mensch, de woningen van 't vaderhuis eeuwig ledig zouden staan.
Met volle recht draagt de Heiland van zondaren den naam van Alfa en Omega waarlgk; Hg is het begin en het einde; der ziele zaligheid is Zijn werk, vanaf haar eerste oorsprongen tot in haar volkomen vervulling in 't rijk der heerlijkheid. Hooger stemt in de overpeinzing van dit heilgenot de ziel haar loflied voor dien dierbaren Koning, dieper zinkt zij zelve daarmede nog in ootmoed en niets-zijn voor den Heere. Op dat innerlijke overneigen en ombuigen van 't harte, ter opvolging van de roepstem des Evangelies doelt bovenstaand Schriftwoord.
Op teekenende en teedere wijze wordt hier aangewezen dat innerlijke werk van Gods Geest in de ziele, waarvan onze Ouden zoo naar waarheid getuigden, dat het is een gansch bovennatuurlijke, een zeer krachtige, en tegelijk zeer zoete wonderbare, verborgene en onuitsprekelijke werking, waardoor de wil en zqn eigenschappen niet vernietigd of zijns ondanks met geweld gedwongen wordt, maar geestelijk levend gemaakt, geheeld, verbeterd en gebogen wordt, tegelqk liefelijk en krachtiglijk. Heerlijk-schoone, treffend- juiste woorden, waarmee eere wordt gedaan aan het wondere, almachtige, teedere werk Gods in het menschenhart, veel meer dan door de grove, onbehouwen, weinig-teedere uitdrukkingen, die in onzen tijd zoo dikwerf te dezer zake worden uitgestald als klinkende bewijzen van ongerepte leer-zuiverheid.
God werkt in elk schepsel naar xi^nen aard; dit woord wordt toch niet> voortdurend en met nadruk herhaald, reeds op het eerste Bijbelblad, om 't reeds bij 't grootste en teederste van Gods werken — en dat is toch zeker Zijn werken in 't menschenhart — weer terzgde te stellen.
Naar zijnen aard, zoo werkt God de Heere ook in 't hart van Zijn kind, dat Hij vindt op zelfgekozen paden, die ten doode leiden.
In den aanvang van dit hoofdstuk wordt Israël 's harde dienstbaarheid in Egypte beeld van den verloren toestand des zondaars.
Ik ben vleeschelijk en verkocht onder de zonden, zoo behoort het zelfgetuigenis van eiken zondaar te luiden. En evenals de Heere zich over Israël in harden druk ontfermde, zoo heeft hg gedachten van vrede en leven over zondaren. Christus Jezus, de Zoon van Gods eeuwige liefde, is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. Door Zgne offerande op Golgotha heeft hij de bevrijding van Gods verkorenen uit het diensthuis ven zonde en dood bewerkt. Maar deze zondeslaven staan niet op de grenzen van het land hunner gebondenheid uit te zien naar den bode, die hun de big mare hunner bevrgding komt brengen; zij komen hunnen Redder niet halverwege tegemoet; 't is diep-beschamend en het etuigt van 'smenschen hopelooaseellende, dat hij onwillig is om 't diensthuis te verlaten en *t land der ware vrijheid e betreden: „maar gelijk zij henlieden iepen, alzoo gingen zg van hun aangezicht weg", en , zg bekenden niet dat Ik ze genas." (vers 2 en 3).
De boodschap der bevrijding is niet enoeg, om gebonden zielen te bewegen op te staan en den Heere tegemoet te snellen; de roepstem des Evangelies, de noodiging, hoe vriendelgk en dringend ook: „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden", stuit af op 't pantser van onwilligheid en ongeloof.
Opdat wg luisteren zullen naar de stem van dien trouwen, liefdevollen Leidsman doet ons harte innerlijk zóó bearbeid, dat het oog open gaat voor de jammervolle ellende onzer zonde, dat alle eigengerechtigheid ons ontzinkt, dat het geoel levendig wordt dat zonder God in de wereld een verschrikkelgke toestand is en alsdan wordt de opstand gedempt, de onwil gebroken, en in 't eind valt de wederspannige voor Zgn God neder en roept het uit; „Heere, Gij hebt mij overreed. Gij zijt mij te sterk geworden.
Dat is 't, waarop hier de Heere doelt: Ik trok ze met menschenzeelen. Dat ziet op die werking van Gods Geest in het hart, waarvan onze Ouden beleden, dat ze liefelijk en tegelijk krachtig en onwederstandelgk is; als God werkt, dan kan 't niemand keeren.
En dat is geen werktuigelijk geweld, waardoor een ziel tegen wil en dank wordt voortgesleurd, zooals het stugge, redelooze rund, neen, God behandelt een menschenziel niet als een stok of blok, maar Hij werkt ook in die wondere, diepe, hooggeschapen maar laaggezonken menschenziel naar haren aard, zóó, dat op den dag Zijner heirkracht Zgn volk zeer gewillig wordt, 't Zijn menschen-zeelen waarmede Hg ze trekt; menschen-zeelen, dat wil niet alleen zeggen, zooals sommige Schrift verklaarders willen, „op de zelfde wgze als een vader zijn zwak kind aan banden vriendelgk leidt", want 'tis meer dan zwakheid, 't is onwil in den mensch, waardoor dit trekken met menschen-zeelen noodig wordt; neen, bedoeld is hier vooral, dat we ons van dit trekken der zielen als met zeelen geen Gode onwaardige voorstelling zullen maken; dit trekken als, met menschenzeelen is 't aangrijpen van 't van nature onwillige, ongeloovige, ongehoorzame, wederspannige hart, om 't dermate te doordringen van de alles-vermurwende en verteederende werking des Heiligen Geestes, dat de granietharde rots van tegenstand en hoovaardij en onbekeerlijkheid wegbrokkelt en wegstuift als dun zand, zoodat diezelfde zondaar, die eertijds van God noch Zijn Woord wilde weten, nu smeekend bedelt om genade, om één enkele straal van 't hemelsche genadelicht over zijn donker levenspad.
Niet met de dommekracht van het geweld, zooals het onwillige muildier wordt voortgedreven, maar met menschenzeelen trekt God zgn verkoren kinderen; in uw harte werkende met Zijn ondoorgrondelijk-wijze, onweerstandelgk-machtige en tegelijk onuitsprekelijk-teedere genade.
Soms gaat dat trekken met menschenzeelen met ratelende donderslagen gepaard, soms ook van het zachte suizen der stilte, maar opdat de ware aard dezer werkingen niet zal worden miskend, voegt de Heere er als 't ware verklarenderwijze aan toe, dat deze menschenzeelen „touwen der liefde" zijn, d. w. z. niet 't oordeel, dat wrake dreigt en eischt, maar de liefde, die reddend zoekt en heelt, is hier aan 't woord.
Dit wil volstrekt niet zeggen, dat deze wegen altijd effen zijn; dit zou in lijnrechte tegenspraak zgn met het woord des Heeren: in de wereld zult gij verdrukking hebben, en met de ervaring van heel Gods Kerk van alle eeuwen; maarj 't wil zeggen; dat ook de roede wordt gedreven door een Vaderhand, en ook de alsem in den levensbeker wordt gemengd onder leiding en toezicht van Gods onveranderlijke en onnaspeurlijke erbarming.
En dit trekken met menschenzeelen duurt voort, totdat de drempel van het Vaderhuis is overschreden en de belofte in vervulling is gegaan: „die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel mijns Gods, en hg zal niet meer daaruit gaan"; tot zoolang houdt dit trekken aan; wel wordt 't niet altgd even levendig ervaren; mogelgk laat de Hemelsche Vader die touwen der liefde wel eens een wijle vieren, maar breken, dat kunnen ze nooit, want de roeping en werking Gods zgn onberouwelijk. En telkens, als afdwaling plaata had, werden die menschenzeelen weer aangetrokken, en in 't hernieuwd gevoel van Gods trouw en eigen ontrouw zinkt dan de ziele in ootmoed en verlegenheid verteederd weg, om de genade te prgzen, dat de Heere geen half werk doet, maar veeleer voleindigt al wat Zgn hand begon.
Dit trekken met menschenzeelen, met touwen der liefde, het is onmisbaar tot zaligheid, lezer en als hier of ginds een zondaar verontrust wordt door de aanklacht der wet, bekommerd door 't gevoel van zonde en schuld verslagen en verteederd leert vragen om gene, , en 't hoofd luisterend opheft naar Gods roepstem zie, dat iè 't werk van deze trekkende genade en almacht!
Laat dit voor u, wie ge ook zijt, een prikkel mogen zgn, om de bede der Bruid smeekend neer te leggen voor den troon der genade: Heere, trek mij, en ik zal u volgen.
, H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's