Stichtelijke overdenking.
In v/elken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte. Efeze 1:13.
Gehoord, geloofd en verzegeld.
De wereld waant zich sterk en 't woord van ouds, de sprake van velen is: Wij zullen de overhand hebben met onze tong. Asafg ervaring was, dat velen uit de hoogte spraken en „hunnen mond zetten tegen den hemel, en hunne tong wandelt op de aarde, "
Wij ook merken iets van deze dingen. Daar wandelen wat tongen op de aardel En de woelingen van het zelfzuchtig hart worden openbaar, niettegenstaande ze zieh zoeken te bedekken met allerlei bedekselen der schande.
Het ongeloof belaagt het Evangelie, Gods Evangelie, met allerlei theorieën, die uit het vleesch opkomen en dus niet anders dan het vleesch kunnen sterken;
Daar is een „beredeneerd" ongeloof, 'twelk een hoogen toon zelfs van vroomheid aanslaat (ook Jozefs broeders waren vroom, totdat ze in de schuld voor God kwamen met hunne belijdenis, dat ze voorwaar schuldig waren aan 't bloed huns breeders), en die vrome toon brengt soms in de war, zoodat gemoedelijke menschen eer ze het bedenken medegetrokken zgn in verderfelijke dwalingen, die het intieme leven dieper aantasten, dan ze in de verste verte vermoeden.
Een onzer godzalige ouden zei ongeveer 't volgende: Satan is een listig handelaar, ziende dat zijne goddeloosheid niet gangbaar is, zoo verkoopt hij valsche heiligheid.
Zet voor valsche heiligheid valsche vroomheid, zelfs valsche bevinding, valsch geloof enz, en ge zult toestemmen, dat Juist in dezen tijd er wiet alleen in zake onzer lichamelijke voorzieningen, doch vooral met 't oog op vervulling van zielenooden, veel „namaak" is en Satan terecht bij een listig koopman vergeleken is. Van alles is tegenwoordig surrogaat en op de markt der geestelijke dingen niet 't minst. En dat wordt voor echt verkocht en gekocht. Geen wonder, dat alomme ondervoeding is vast te stellen!
Gods nabijheid werkt levensernst en doet naarstig op Zijne waarheid letten. Nauwe aansluiting aan Zijn Woord is noodiger, dan velen inzien; vooral in een tijd, waarin wij 't lied der ellende overal hoeren, nu 't alles schudt en scheurt en men zijn best doet, om Gods Woord op zij te duwen....
Eens werd door een groot man gezegd: Zq hebben Gods Woord verworpen, wat wijsheid zouden ze dan hebben?
Dat woord, die vraag mag worden herhaald met 't oog op de toestanden van thans en, ziende op de Kerk van Christus, is er noodzaak om te zeggen: Tot de Wet en tot de Getuigenis 1
Er is klacht gehoord over prediken en over preeken; gegronde en veel ongegronde; 't zal wel zoo zijn.
't Is wel opmerkelijk, dat een hoogleeraar sprak over: Voorwerpelijk èn onderwerpelijk i), en kort na dezen, een ander hpogleeraar in anderen kring den moed had om de klachten onder rubriek te brengen i) en nader te behandelen. Men valt ~ in de prediking zoo licht in uitersten. Allerlei oorzaken zijn hiervoor aan te geven.
Daarom is 't noodig, dat in de gemeenten gehoord worden stemmen, als van genoemde hoogleeraren, niet om er hunne leeraren mede te kapittelen, maar ter rechte beoordeeling, om er in liefde gebruik van te maken en voor leeraren, als die rekenschap zullen geven, ter eigen toetsing.
't Is wel zóó gesteld, dat het rechte werk des Heiligen Geestes te weinig in de prediking van velen uitkomt; of eenige gemoedelgke algemeenheden dat gemis kunnen vergoeden, is zeer de vraag; noodig is het nauwkeurig acht te geven op de ervaring van Gods volk, bizonder wat ons daarvan in de Heilige Schrift is medegedeeld, en hoe de Heilige Geest werkt in de zielen der gekenden Gods tot toeëigening van de weldaden in Christus en alzoo van Hem getuigenis geeft.
Wat hebben sommigen onder de ouden vele gaven gehad in zielsaangelegénheden en geesteswerkl
Zij waren op de hoogte van de „bijbelsche zielkunde" en met allerlei wijsgeerige stelsels, meer dan de tegenwoordige schrijvers over Godgeleerdheid en dan wij, arme predikers in 't algemeen.
't Gaat vaak over 't bloemveld van Gods waarheid vluchtig heen, gelgk een vlinder in den hof de schoonste bloemen slechts even aanraakt.
Maar graven in Gods goudmijn; onder het vergrootglas afzonderlijke gedeelten te nemen; zich in de heerlgkheid daarvan verlustigen; en rechte handeling te mogen doen en toepassing te maken van bepaalde waarheden, is toch eigenlijk iets anders. Daartoe is de H. Geest noodig, ala Bekwaammaker en noodig, opdat er zegen uitga van en door 't Woord Gods.
Ook waar de Heere 't geloof geplant heeft in het harte, is de H. Geest het, die den wasdom geeft, en onder bestrij» ding en in vele wankelmoedigheid een volk, zwak als alle anderen, te bewaren bij de vreeze Gods. Zijn werk is het om plaats te maken voor 't Evangelie; de grendelen weg te schuiven voor verstand en hart en in de genegenheden een vuur te ontsteken, 't welk vele wateren niet kunnen uitblusschen.
De beteekenis van Pinksteren voorde kerk, nu ja, maar voor 't zieleleven wordt dikwgls voorbij gezien. Een groot redenaar deelt mede, dat hij nog wel goede Paasch-preeken, doch niet veel goede Pinkster-preeken had geleaen of gehoord.
In elk geval is de klacht zeer begrqpelijk, dat het werk des Geestes in onderscheiden zielsgevallen en allerlei werkzaamheden niet tot zijn recht komt, in een tijd, waarin het leven oppervlakkig is en velen meer met beschouwingen (schoone wellicht) ingenomen aijn, dan met de practicale kennis en vertroostende zielservaringen.
Het troostelooze hart heeft Gods Woord noodig, krachtig gemaakt en toegepast door den H. Geest.
De apostel Paulus schrijft san de Efeziërs over den rijkdom van een volk, dat in Christus is en zegt, dat zij ook in Hem een erfdeel .geworden zqn. In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid (en zonder dat woord is er geen waarheid!) n.l. het Evangelie der aaligheid gehoord hebt; in welken gij ook zijt, nadat gij hebt geloofd en zijt verzegeld met den H. Geest der belofte.
't Is een weldaad dat Woord te hooren, omdat 't geloof is uit 't gehoor en de Heere doorgaans door dit middel zielen inzet in de gemeenschap met het Heerlijk Hoofd der gemeente. Duizenden genieten nog dit voorrecht, maar hoe gering is het getal van hen, die dat Woord van harte aannemen en dat hoeren als het Evangelie hunner zaligheid?
Zal dit zoo zijn, dan is strikt noodzakelijk, dat de H. Geest onze aangeboren afkeerigheid, geheime weerzin, tegen Hem ontdekt en wegneemt en dat harde hart week maakt en zet op de boodschap des vredes.
Dan ziet de mensch, in hut of paleis, zijn weg, als een weg des doods en bevindt zich dood-en doemschuldig voor den Heere en weet allerlei verzwarende omstandigheden bij te brengen, die zijn schuld grooter doen zijn, dan die van alle anderen, 't Versje: Nooit heeft iemand zooveel kwaads. Tegen zooveel goeds bedreven krijgt betegkenis, Dan ziet de mensch zich op een hellend vlak en den afgrond vlak voor zich. Bijna de lijn der lange patientie Gods afgeloopen en dan de eeuwige verdoemenis voor zich. Tevens werkt Hg heilige begeerten naar dit groote goed, 't welk de Heere bereid heeft voor dien, die Hem zoeken.
In Efeze hadden ze 't Evangelie géhoord en geloofd. Die genadige weldaad is groot, want Gods Boodschap gaat over de geheele linie tegen ons denken en willen in. Het vleesch onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet, en die in het vleesch aijn kunnen Gode niet behagen.
't Is nooit gemakkelijk om Christen te zijn of het te warden.
De discipelen hebben op de vraag: Wie kan dan zalig wordan; het antwoord bekomen: Bij de menschen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen — ook dit onmogelijke! — mogelijk.
Hij alleen heeft de macht om kinderen Gods te formeeren, en genade t© schenken om in Christus' naam te gelooven tot zaligheid.
Dan geeft de mensch eene hartelijke en werkzame toestemming aan de blijde boodschap en zegt: Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, waarvan ik de voornaamste ben. Zonder dat Evangelie — en er is geen ander! - — is het leven donker en het sterven troosteloos. In dit getuigenis, 'i geen God getuigd heeft van Zgnen Zoon, gaat er een deur open in 't donker, in 't dal Achor.
De begeerte om met verloochening van al het eigen en van heel een wereld zich op Hem te mogen verlaten, wordt drgf kracht naar Jezus en maakt versjes, als: „Och, Heere, och wierd mijn ziel door U gered", of: „Gun leven aan mijn ziel" dierbaar.
't Is gebeurd in Efeze, en op vele plaatsen, in Onstwedde en Arnemuiden, enz. dat beleden werd: Alle dingen schade en drek om Christus uitnemendheid te gewinnen. Och! Als ik Hem aanvaarden mocht zooals Hij in het Evangelie zoo. ruim wordt aangeboden en geleid worden in den weg der waarheid om Hem te ontmoeten in stil genot en sterkende blijdschap.
Als de gedachten zich in hun binnenste vermenigvuldigen (en hoevele en droeve gedachten!) dan waren Gods vertroostingen hun zielsverkwikkingen geweest en Gods Evangelie hun meer waard dan tronen en kronen.
De leidingen Gods en Zgne genadebedeelingen zijn zeer verschillend. Er zgn voor 's Heeren gemeente (en voor zielen) bizondere tgden, waarin overvloediger genade is uitgestort; tijden, waarin de beloften Gods kostelgker zijn en meer bevestigd in het zielebewustzgn. De H. Geest drukt dieper in de zielen zijn zegels, ten bewijze dat de geloovigen Gods eigendom zijn, 't welk Hij, als Hem „kostelijke vaten" des Heiligdoms bewaart, zoodat ze door dit merkteeken des Hemels, onderscheiden worden van de wereld, die ten verderve gaat..
Dit onderscheid is soms zoo duidelijk, dat ongeloovigen gevoelen en hebben aitgesproken: zij zgn anders dan wg en hebben iets dat wij missen.
Spreekt de Vader van de verzegeling van Christus, als Middelaar, als 't Brood des levens, dan hpudt toch deze verzegeling in, dat de Heere hem heeft geautoriseerd. Hem heeft gemachtigd en bevoegdheid gegeven om Zijn ambt uit te oefenen, eene verzegeling, welke in zich sluit, die mededeeling des H. Geestes, den Christus niet met mate geschonken.
Eveneens hangt God 't zegel Zgns welbehagenB, aan allen die in Christus zgn, hun bekwaam makende om hunne roeping eenigermate te vervullen, om, onder protest tegen de wereld, de Banier te omklemmen en tegen den stroom op te roeien.
Er is op gewezen, dat Petrus op de vraag aangaande de positie der Heidenen geantwoord heeft, dat zij mede-erfgenamen waren, dewijl de Heere hun den Heiligen Geest gaf, gelijk aan ons.
Meestal leest men hier, hoe de Heere bij den vroegen regen, ook den spaden regen nederzendt, waardoor een Godvreezend volk, verzekerd wordt in hunne conscientie, dat hunner is de erfenis der heiligen, en zij in Christus zijn.
Zoo genomen dan wijst dit woord naar het werk des Heiligen Geestes, waardoor de kenteekenen van het genadeleven zóó worden belicht, dat de mensch zelf ziet, zich bekent, dat de dingen, die hem geschonken zgn, van God zgn. Dat nl. zijn geloof, in toevluchtnemen en betrouwen, echt i», niettegenstaande alle twijfelingen en moedbenemende overleggingen; dat zijn hoop 't merk, naar Gods Woord, draagt van de levende hoop, welke 't harte reinigt en op Christus alleen steunt; dat zijne liefde, hoe zwak ook dikwijls in de oefening, in 't wezen 't kenteeken draagt dier liefde, welke God uitgestort heeft in 't harte van al Zgne kinderen. Zoo komt dezelfde Geest te getuigen met onzen geest, dat wg kinderen Gods zijn.
Die Geest, door Christus beloofd, wekt de ziele op tot voorzichtigheid en naarstigheid in de geopenbaarde wegen Gods en maakt, dat de geestelijke dingen ons levendig aangaan en er zoetigheid is in de zake van Gods gerechtigheid en onze zaligheid,
Dan begeeren we in nederigheid onzen weg te gaan en achten licht een ander meerder dan ons zelven; met blijdschap zingen we dan: Deze God is onate God, ter dood toe zal Hij ons geleiden; dan is er zoo'n vrijmoedigheid om zich met alle behoeften tot den Heere te wenden en zich veilig te weten in Zgn arm; dan hebben wij aan Hem genoeg, omdat Hij ons alles is. En als Hij alles is, dan blgft er voor een gansche wereld niet veel over om lief te hebben; en als Hij alles is, is ër voor alle vleesch geen roem en voor onszelven niets.
Het is ongetwgfeld het werk des Heiligen Geestes de wegen te banen, waarlangs het Evangelie gaat, en geloof te schenken in die waarheid, zonder welke er geene waarheid is. Maar 't is ook Zijn werk den wasdom te geven aan de plant des geloofs en niet alléén Gods waarheid te bevestigen, maar eveneens in het harte de gewisheid van roeping en verkiezing vast te maken in het zielsbewustzijn van Gods kinderen.
Nu zgn in eiken tijd de gerusten in Zion velen, die op valsche gronden hunne hoop hebben gebouwd. Daar is groot gebrek en daar ia zooveel, dat verhindert een recht gezicht op Gods waarheid en eigen toestand. Bij oprechten is vaak vreeze, zonder naarstig acht geven op Gods getuigenis; bij schijn-Christenen een verzekering, die volstrekt valsch is.
't Zieleleven is een zeer saamgesteld raderwerk en Geesteswerk is teeder.
Wereldschgezindheid, zorgeloosheid, lusteloosheid in geestelgke zaken, zgn groote hindernissen. De kleine vossen bederven den wgngaard bovendien.
Onteederheid, weinig gewetensonderaoek en weinig rekenen met Gods Woord; zichzelven vrgheid geven in dingen welke God verbiedt enz., zgn redenen; waarom de Heere Zijne genadewerkingen inhoudt. Och! dat velen naarstig op 's Heeren wegen acht gaven, wie weet Hij mocht zich wenden en schijnen over Zgn eigen werk, tot Zions welstand en bigden roem!
.
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's