Stichtelijke overdenking.
En de geweldigers nemen het met geweld. Matth. 11:12b.
Strijd om in te gaan.
„Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard", heeft de Heiland van Zichzelf getuigd. En hoezeer dit woord ook in strgd schgnt met Zijn heerlijken Naam Vredevorst, toch ia het j een woord waaraan we ons niet moeten ' ergeren, daar het niet alleen zoo waar is, } maar ook zooveel lieflijks in zich bevat.
Het blijft zeer zeker waar, dat de Heiland de Vredevorst is. En elke ziel die door schuldbesef verslagen weet wat )t is aan onvrede, droefheid en verlorenheid te zijn prijsgegeven, mag het in deze nog eens hooren, dat Jezus op aarde is gekomen om gebrokenen te heelen en gevangenen het jaar der vrijheid te prediken; om verlorenen te redden en doemschuldigen te verzoenen met Zyn dierbaar bloed, opdat ze zullen gewagen van vrede en barmhartigheid door het geloof in den eeniggeborene des Vaders.
Zoo blijft het dus waar^ dat Jezus de Vredevorst is.
Maar laat elke ziel die in aanvang of voortgang God vreest eens getuigen, of de Heere eerst niet komt om onvrede in het harte te wei ken en het scherpe zwaard van Zijn Woord en Wet door de ziele te jagen. En doorgaande in den weg des Geestes komt de Heere de ziele van Zijn gunstgenooten in strijd brengen met de zondige natuur en de zondige wereld. Dan wordt het ervaren dat die Jezus Christus aanhangen tot bloedens toe hebben te strijden met eigen vleesch, met de wereld, met den duivel, met de geestelijke boosheden in de lucht.
En het wordt hoe langs hoe duidelijker dan, dat het terrein des levens voor Gods Kerk en voor den Christen zoo geheel anders is en zijn moet dan het terrein van de wereld, waarbij de een tegenover den ander komt te staan, soms zelfs al binden banden des bloeds. „Heeft niet de mensch een strijd op aarde" wordt dan voor lijfspreuk genomen. En 't is goed als overal en altijd voor oogen wordt gehouden „stryd den goeden strijd des geloofs — strgd om in te gaan.
Neen! we moeten ons, juist als weden Heiland door Gods genade als Vredevorst mogen kennen, niet door verkeerde redeneeringen er toe laten brengen om ons te ergeren aan dat woord: „Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen maar het zwaard". Want we moeten de aarde leeren zien zooals zij door de zonde geworden is. We hebben te denken aan de vgandschap die door God gezet is. We hebben te weten, dat de duivel rondgaat als een brullende leeuw zoekende wien hij zou mogen verslinden. En gesterkt door Gods genade tebben we te waken en te bidden, strijdende om in te gaan, opdat de naam des Heeren worde uitgeplant overal en onze ziele mag ingaan tot het land der overwinning, door Hem die Zijn aiele gaf tot verlossing van al de Zqnen.
Om vrede te hebben voor de ziel ia de strijd met de zonde noodig. Om den vrede Gods te mogen smaken moet de geestelgke wapenrusting worden aangezogen. Neen — er mag geen vrede gesloten worden met de wereld. Er moet gestreden worden tot het einde. En waar de Held Gods ons wordt voorgesteld als een strijdend ruiter, gaande van overwinning tot overwinning, daar geldt voor den discipel des Heeren geen andere wet dan deze: strijd den goeden strijd des geloofs, grgp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen" (1 Tim. 6 : 12).
De strijd komt dan uit oorzaak van de zonde. " '
De vrede is door Christus
En als straks de zonde zal zqn uitgebannen en het zal zijn, dat het hemelsch Jeruzalem zal nederdalen op aarde, d4n zal het vrede zijn overal voor allen die in Christus Jezus zijn. Maar tot op dat oogenblik is en blijft het: strijd om in te gaan. Terwijl allen die den geestelijken strijd niet kennen en zich legeren onder de gerus'ten op den berg van Samaria te laat zullen ervaren, dat die niet gestreden hebben ook geen kroon zullen ontvangen, maar zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis met den menschenverleider eeuwig wegzinkend in ellend en pijn.
Komt, laat ons daarom aan de hand van onze tekstwoorden elkander nog mogen opwekken tot den geestelijken strijd, opdat we al strijdende straks mogen ingaan, door Hem die voor al de Zijnen overwon.
Onze tekst voert ons in gedachten terug naar de dagen dat Johannes de Dooper, de getrouwe getuige Gods, zuchtte in de gevangenis, omdat degenen die het kwade beminden machtiger waren dan hij. De waarheid te spreken was hem duur te staan gekomen. En straks zal het vreeselijker nog openbaar worden, dat de wereld Gods volk haat met doodelijken haat.
We zien den stoeren boetgeaant in den geest rondloopend in zijn kerker; en we bemerken uit het teksthoofdstuk dat zijn gedachten daarbij uitgaan naar Jezus. Johannes was niet geheel van de buitenwereld afgesloten. Ook had hij zijn getrouwe discipelen nog. En zoo wist hij, wat Jezus zoo al deed en waar Hg zich bevond.
Zal de gedachte misschien bij hem zgn opgekomen: Kan Jesus mij niet verlossen? Heeft hg misschien overlegd: zal de Koning niet opkomen voor zijn heraut?
Hg zal wel hebben gepeinsd over groote dingen, die aanstaande waren, nu Davids groote Zoon gekomen was om Zijn Koninkrijk op te riehten. Naar Jeruzalem zal het gaan. Stad en tempel zullen worden vervuld met Zijne heerlijkheid. Groote daden aal Hij verrichten. De vijanden zullen beven en sidderen. Het volk zal vergaderd worden tot vrede en blijdschap. En .... hij zit in de gevangenis en blijft in de gevangenis; terwgl Jezus zoo weinig voortgang maakt. Het schiet zoo slecht op, waarnaar Johannes uitziet. Moest het eigenlijk niet heel anders gaan dan het gaat? En zijn discipelen denken erjuist zoo over als hun meester. Ze hebben 't er met elkander telkens druk over. En neen! Johannes twijfelt niet of Jezus is de Heiland, die van God gezonden is. Hij heeft aelf den Heiligen Geest op Hem zien nederdalen. Hij heeft Gods stem toen gehoord, toen hij Hem mocht doopen in den Jordaan. Maar ... moest het toch eigenlijk niet wat flinker opschieten met het werk dat Jezus te doen heeft op aarde? Of zal er na Hem nog weer een ander komen, die doen zal wat Johannes verwacht had dat Jezus zelf zou hebben gedaan?
Daarom dat gezantschap van die twee discipelen naar Jezus, wat èn voor Johannes èn voor zijn leerlingen het noodige licht zal brengen.
Dat geeft Jezus aanleiding om straks over Johannes tol de schare te spreken. Niet om kwaad van Hem te spreken. Maar om in eigenaardige bewoordingen de positie van Johannes den Dooper te teekenen, waaruit zooveel te leeren is en wat dan weer aanleiding "wordt om tot de schare zelve te spreken, zeggende wat zij te doen hebben die daar voor Hem staan.
Als er soms onder de menigte toehoorders zgn, die bg zichzelf overleggen: wat valt die Johannes mij tegen; wat is die stoere boetgezant een bewegelijke rietstengel gelgk geworden — dan, zoo zegt Jezus, hebben ze het mis!
Als er soms zgn, die denken dat Johannes wel uit de gevangenis zou*willen worden veriest, om te komen tot eer en aanzien — dan, zoo zegt Jezus, hebben ze het mis!
Neen — Johannes is en blijft de profeet, de groote profeet, de grootste profeet die er ooit geweest is. Een profeet, van wien andere profeten geprofeteerd hebben en na wien geen profeet meer aal opstaan.
Maar-toch - en dat mag men niet vergeten — hij is een profeet, die bij de komst van den Koning van Sion tegenwoordig mag zijn, doch dan verder zoo niet met met den Koning mag verkeeren en niet mag deelen in het werk des Konings, 'twelk verricht moet worden tot verlossing en verzoening van een arm zondaarsvolk.
Dat miste Johannes en dat zou hij blijven missen. En de kleinste van degenen, die daarin deelen mocht, om straks aanschouwers te zijn van de heerlijke opstanding van den Christus en de zegenrijke uitstorting van 's Heeren Geest, zou hierin méér zgn dan de grootste profeet der Oude bedeeling, die het ochtendschemeren van de Nieuwe bedeeling wel gezien heeft, maar in het volle licht van dien nieuwen dag niet mocht wandelen.
Daarin moest Johannes dus veel missen.
Daarin zouden velen van de schare méér en grooter voordeelen genieten. En ze zouden het zien, dat het Koningrijk der hemelen, dat nu tot openbaring kwam in de komst van Jezus op aarde, van dezen dag af aan met geweld en met; kracht en met heerlgkheid zich zou baan breken — waarbij de wet voor alle geloovigen der Nieuwe bedeeling was: de kinderen des Koninkrijks hebben het met geweld te nemen!
Van Johannes worden alsoo de gedachten afgetrokken, na hem geteekend te hebben zooals hij is — om dan de gedachten der schare te bepalen bg de gangen van Gods Koninkrgk en bg 'tgeen ieder kind van God in deae te doen staat. Wat getuigt dat van Goddelgke wijsheid en van goddelijke opvoedkunde!
Laat men een ander toch niet verkeerd beoordeelen! Laat men zich toch niet zoo druk maken met allerlei gissingen, allerlei vragen ten opsichte van deze of gene. Laat men niet zoo bedenkelgk het hoofd i schudden over een ander en zoo geheim-; zinnig spreken over dezen of genen, kennelgk bedoelende te veroordeelen of te twgfelen aan zgn staat.
Neen! Jezus komt op voor zijn trouwen discipel Johannes. Hg stelt in het licht I wat hij missen moet en wat hij bezitten I mag. En, gelgk Hg dat meer deed, recht j op den man afgaande, zegt Hg met andere' woorden: strijdt gij om in te gaan!
Neen — het zal geen spel zgn wat verder wacht voor de God-getrouwen. Het zal geen spel ziju voor de Gemeente van Christus. Zeker! de menschen doen wel dikwijls alsof er mee te spelen valt. Als wispelturige, nukkige, dwaze kinderen kunnen ae doen. En het eene oogenblik willen ze het zlig en het andere oogenblik zóo. Dan loopen ze weer hierheen en dan zitten ze weer daar. Dat wist Jezus ook wel. Johannes was eerst hun man geweest. Maar toen Jezus kwanï was het met Johannes uit bij velen. Waarom? Johannes was te streng, te ernstig, te somber. Doch spoedig was het ook weer uit met Jezus bij velen. Waarom? Jezus was te gewoon, te slap, te liberaal. Hij ging zoo gewoon gekleed. Hij at en dronk als de anderen. Hg ging zelfs naar een bruiloft. En zoo werd Jezus verkozen boven Johannes en Johannes boven Jezus — maar men bleef vreemd aan het Ko-\ ninkrijk der hemelen, men bleef vreemd aan het éene noodige, waar 't op aan komt.
Men deed zooals de kinderen doen. Eerst bruiloftje spelen; maar dat is spoedig uit. Dan begrafenisje spelen; maar dat is spoedig gedaan, 't Een ver-i veelt en van 't andere is spoedig de! aardigheid weg. En — lees ons tekst-; woord maar in 't verband waarin 't' voorkomt — en zoo gaat het ook bg de hoorders, die het Evangelie Gods hooren verkondigen. Men is kittelachtig van gehoor. Men is wispelturig, bedilzuchtig, : veranderlijk, ongestadig. Men is onverzadigbaar, omdat men geen kennis heeft.; En neen! laat men niet denken, dat het met dat spel te blijven spelen tot een' goed einde zal komen. Want het Ko-; ninkrgk der hemelen brengt andere dingen. Dat doet andere dingen kennen en andere dingen doormaken. Dat isj geen spel, maar ontzaglijke werkelijkheid, Een werkelijkheid, waarbij de ziele in doodsnood komt en onder geweld des Geestes. Waarbij ook de overwinning niet anders verkregen wordt dan in den' weg van waken en bidden, strijden en worstelen.
O! wat wordt er nog dikwijls lichtvaardig een spel gespeeld bij het geklank van de woorden Gods, bij de prediking ! des Evangelies, waarbij de boodschap wordt gebracht, met de bede; laat u met God verzoenen
Men beuzelt wat, Men zoekt het in dit en men praat over dat. Men steunt nu eens hier op en bouwt alles dan weer dé.ar op. En men blijft vreemdeling in eigen hart. Men verstaat niet den ontzaglijken ernst van Gods Koninkrijk.
O, zeker! Gods Koninkrgk komt. Het komt van dag tot dag. Het komt, tot waar de wildste volken wonen. Maar de Geest doet dan ook geweld zonder ophouden.
't Moet op satan worden veroverd in den weg van strijd en bange worsteling. De booae geeft nooit kamp. Hij legt de wapens nooit neer. Hij staat nooit een voet gronds af zonder strijd. Doch de Geest worstelt voort om het licht te dragen daar waar een volk in duisternis zat; om zielen te ontrukken aan den valschen vrede, die het zoetste bezit is voor den onwedergeboren mensch. En zoo komt Gods Koninkrgk van plaats tot plaats, van hart tot hart. Met Goddelgk geweld uitgeplant wordend tot aan de uiterste einden der aarde, als vrucht van het verlossingswerk van Jezus Christus, Die als Sions Koning kwam om te heerschen van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan de einden der aarde.
En ieder onderdaan van Koning Jezus, Hem toegevoegd met worstelingen des Geestes, blijft ervaren, dat het Koninkrijk der hemelen slechts met oefeningen van geestelgk geweld behouden wordt. Men blijft geen onderdaan van dien heerlgken Koning, men big ft niet in het genot van Zijne zaligheid — tenzij er geweld geoefend wordt, met geestelgke worsteling in den geestelijken strgd.
Ja, de mensch heeft een strijd op aarde. Maar het kind van God leert dat bizonder kennen. En slechts wanneer waken en bidden, worstelen en strijden gekend wordt zal men ingaan, zal men in 't bezit blijven van dat geestelijk goed der zaligheid.
Neen — voor den christen is geen hoofdpeluw van rozenbladeren gespreid. Hier geldt: „Voorts mijne broeders (en dit geldt immers ook de zusters!) wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gg kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels, Want wg hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overbeden, tegen de machten, tegen de geweidhebbers dezer wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Daarom neemt aan, \ de geheele wapenrusting Gods, opdat gg kunt wederstaan in den boozen dag en alles verricht hebbende, staande blijven" (Ef. 6).
We leven in den boozen dag. En daarom moet de hand van Christus Kerk zgn tegen allen en tegen alles waarin de duisternis dezer eeuw zich openbaart,
jDe duivel is waakzaam en werkzaam, Gods Gemeente heeft in den geestelijken strijd met geestelijk geweld zich te verzetten tegen den booze en te staan om in Gods kracht van overwinning tot overwinrihig te-gaan.
Er moet geestelgk geweld geoefend worden. 't Is geen spel dat er te spelen is.
't Is geen wispelturigheid waarmee we ] alles slechts verderven kunnen, waaraan, we ons leven hebben te wijden.
Neen - geestelgk geweld is er te oefenen door Gods Gemeente, dan zal de genadeslag toegebracht worden aan den duivel, dien Christus overwon en den kop vermorzelde.
Van overwinning tot overwinning moet het gaan, voor Christus moet op elk terrein des levens de banier worden opgeworpen. ProRege! Voor den Koning! Van Wien we weten, dat Hij van den Heere is gezalfd over den berg Zgner heiligheid.
En ook voor eigen leven geldt het, dat ieder van Gods kinderen alleen zal ingaan strijdende den strijd des geloofs. Met geestelijk geweld moet satan uitgebannen worden. De booze moet wederstaan worden. En dit geslacht vaart niet uit, dan met vasten en bidden,
0! zijn niet de dagen van lusteloosheid, van geesteloosheid, van slaperigheid en vadsigheid de slechtste dagen voor Gods kind?
Is de bruid niet in gevaar, als ze rustig zich neervleit op het oorkussen dat ag zelve zich heeft gespreid?
Vasten en bidden, waken en strgden, worstelen en smeeken — dat is begrepen in dien wonderspreukigen tekst: en de geweldigers nemen het' met geweld.
KenBen wij ieta van die geestelijke worstelingen?
Of zijn we nog dood in onze misdaden, koud voor het eene noodige, ongevoelig voor 't geen tot onze zaligheid noodig is?
Maar waarom is Jezus ons dan verkondigd ?
. Waarom heeft Hig zoo lange onder ons verkeerd?
O! bedenk het toch dat het oordeel zoo zwaar zal zijn.
En-ziet, die geestelqk geweld mag leeren oefenen , voor de poorte van dat hemelsch Koninkrijk, die zal ervaren, dat de Heere naar waarheid gesproken heeft: die klopt, dien zal worden open gedaan.
O! bij den Heere zign vermoeiden en beladenen, zijn ellendigen en verlorenen, zgn zondaren en doemschuldigen zoo hartelijk welkom! Meer nog dan Ahasveros een welbehagen had in koningin Esther, om haar genadiglijk den gouden scepter toe te steken, is de Heiland vol ontfermen over allen die met een verbroken hart'en verslagen geest tot Hem vluchten. Die Hem aanroept in den nood vindt Zijn gunst oneindig groot I
En wat Zijn hand begon laat Hij nooit iWeer los. Zijne genade is telkens weer •nieuw en Zijn kracht wordt telkens weer in de zwakheid der Zijnen tot sterkte. Als er dan maar geestelijk geweld geoefend wordt aan de deur van Gods Koninkrijk — niet één van die worstelaars zal buiten blijven.T]n straks is het vrede. Vrede in den hemel. Vrede op aarde. Voor allen die in geestelijke worsteling den zegen hebben verkregen van Sions Koning, Wiens Naam Vredevorst is voor een arm zondaarsvolk, dat Gods vloek en oordeel eeuwiglijk verdiend heeft.
Is Hij ook onze Vrede ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's