Staat en Maatschappij.
Met aandrang gevraagd.
Hoewel leger en vloot reeds langtr dan vier jaren gemobiliseerd zijn, blijft de klacht van een onvoldoende verzorging der geestelijke belangen der militairen aanhouden.
Zeker, de arbeid van de Veldpredikers verdient allen lof. Van dien kant wordt al het mogelijke gedaan om het tekort binnen zoo eng mogelijke grenzen te brengen, maar toch, ondanks al hetgeen verricht wordt, zgn de prestaties ontoereikend om de troepen datgene te geven, waaraan zij op dit punt zoo grootelijks behoefte hebben.
De gevolgen van dien noodstand blijven dan ook niet uit.
Vooral op zedelijk gebied valt er een inzinking op te merken, die tot ernstige bezorgdheid moet aanleiding geven. Wat daaromtrent zoo af en toe gehoord wordt, is van dien aard, dat een krachtig ingrijpen beslist en onverwijld noodzakeIgk is.
Nu wordt de moreele verslapping, nog afgezien van hetgeen hierboven werd \ aangegeven als gebrekkige verzorging der geestelijke belangen, in de hand gewerkt door twee dingen.
In de eerste plaats door het niet op doortastende wijze tegengaan van het bezigen van vloeken en ruwe taal.
En. in de tweede plaats door het niet weren van verkeerde invloeden, die op het zedelgk peil van de troepen van grooten invloed moeten zgn. Omtrent het eerste schreef onlangs „De Nederlandsche Krijgsman" :
De commandant van de Ilde Divisie ging in 1914 voor met het uitvaardigen van een strenge order tegen het vloeken. De vorige Minister van Oorlog volgde. En de tegenwoordige Minister heeft een ordor gegeven, zóó belijnd en zoo flink, dat we werkelijk hoopten op eenige vrucht.
Maar men vloekt in ons leger maar voort.
Een heel enkelen keer wordt er eens één gestraft, maar ach, dat geeft geen effect, want de straffende superieur vloekt in vele gevallen zelf.
-De fout ligt dan ook vooral bij onze superieuren. Niet bij allen. Maar wel bij velen; Ook bij vele hoofdofficieren, Het is hun zoo'n gewoonte geworden, om Gods Naam ijdel te gebruiken .dat ze daar heel den dag zich aan schuldig maken, in de cantine en op het bureau, bij de officieren en voor den troep, in café en spoor.
En hier wordt nu nog maar alleen gewaagd van het vloeken, maar dan komt daarbij ook nog de ruwe taal, die zoo telkens uitgebraakt wordt.
Is het te verwonderen dat er geklaagd wordt over verwildering?
Niet anders slaat het met wat wij noemden: het niet weren van verkeerde invloeden.
Ja zelfs is het hier nog een graadje erger gesteld. Want het betreft op dit punt niet alleen het niet afhouden van het verkeerde, maar het aanmoedigen van dingen, die tot het kwade kunnen en misschien ook veeltijds zullen leiden,
Een dezer dagen kwam in onze handen de „Zangbundel voor het Nederlandsche leger", welke blijkens het onderschrift uitgegeven is „op last van den Minister van Oorlog."
Nu is het op zichzelf genomen niet af te keuren, maar integendeel valt het te prijzen, dat de militaire autoriteit er voor zorgt, dat de militairen, zoo zij op den marsch behoefte hebben om te zingen, goede liederen kennen en deze ten gehoore brengen.
In den genoemden zangbundel staan zekerlijk uitstekende liederen, die door ieder met genoegen zullen gezongen worden, maar er bevinden zich er ook in, die de betamelijkheid verre te buiten gaan, die van licht allooi zijn en gevaarlijk zijn voor de goede zeden.
Tegen het opnemen van zulke liederen had strengelijk moeten gewaakt worden. Het zal niet noodig zijn de liederen, welke wij op het oog hebben, aan te geven, nog minder als een proeve van lichtzinnigheid, ze hieronder te laten afdrukken. Wij zouden ons daarvoor schamen.
Het ergste van het geval is, dat het zingen ook van deze liederen als dienst wordt beschouwd.
Er worden zelfs speciale uren aangewezen om ook dit minderwaardig gedoe in te studeeren.
Is het daarbij te verwondereu, dat er niet weinige militairen — en gelukkig zijn het nog velen — weigeren, om daaraan mede te doen?
Maar waarom deze liederen opgenomen We weigeren het te gelooven, dat de Minister van Oorlog, al is de bundel op zijn last uitgegeven, van den inhoud heeft kennis genomen.
En daarom doen we met aandrang een beroep op Zgne Excellentie, om de uitgifte van dezen bundel te staken en hem aan een ernstige revisie te onderwerpen.
De moraliteit moet in het leger, bigzonder in deze tijdsomstandigheden, hooggehouden worden.
Wil ons volk met gerustheid zijne zonen aan het leger afstaan, dan moet eerstens de zonde van het vloeken uitgeroeid worden en vervolgens de militaire overheid medewerken, om al wat niet met de goede zeden strookt, uit te bannen. Daar heeft ons volk recht op.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's