De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdeiikiing.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdeiikiing.

12 minuten leestijd

Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal den Heere wezen tot een Naam, tot een eeuwig teeken, dat niet uitgeroeid zal worden. Jesaja 55:13.

Voor een doorn een denl

De Heere heeft alle dingen gewrocht om Zijnszelfs wil; bij de beschouwing van het wonderwerk der zaliging van zondaren moet dit woord ons voor den geest staan. „Alles moet Hem eeren", 't geldt ook, ja bovenal, van Zijne genadewoorden tot redding van den verlorene.

Zal 't wèl zijn, dan moet de overpeinzing van zijn genadewerk ons in sprakelooze aanbidding doen neervallen voor Hem, Die wonderlijk van raad en machtig van daad is, en de dingen die niet zijn roept, alsof zij waren.

Bovenstaand Schriftwoord, wèl overpeinsd, zal ons tot zulk een diepe bewondering van de werken des Heeren kunnen voeren; heilige Gods Geest het daartoe aan onze harten I

Het is een wonderschoon gedeelte van Gods heilig Woord, dat 55ste hoofdstuk van Jesaja's boek; aan vertroosting overrijk; 't zijn volle, diepe Evangelie-tonen, die ons reeds in den aanvang tegenklinken: o alle gij dorstigen, komt tot de wateren! Manend ontfermen spreekt in het woord: waarom weegt gij geld uit voor hetgeen geen brood is? En welk een heerlqke raadgeving — o wierd er slechts m«er naar geluisterd — zoekt den Heere terwgl Hij te vinden isl Bemoedigend klinkt voor het orn eigen weerspannigheid bedroefde hart: Mijn Woord Bal niet ledig tot Mij wederkeeren. En tegelijk dreunt hierin de ernstigste waarschuwing den onbekeerden in 't oor: gij kunt deze blij mare, dit lieflijk aanbod niet afwijzen en dezelfde big ven: dit stapelt nieuwe oordeelen op uwè ziel, waarvoor geen slachtoffer meer overblijft. En dat het pad des rechtvaardigen gelijk een schijnend licht is, voortgaande en lichtende tot den vollen dag, 't blijkt duidelgk uit de laatste verzen van dit hoofdstuk; in blijdschap zult gij lieden uittrekken en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vroolijk gezang voor uw aangezicht en alle boomen des velds zullen de handen samenklappen. De dag der bevrqding zal een dag van groote blijdschap en heerlijkheid zijn; de weg, waarlangs Gods verlosten voorttrekken, zal geëffend en veilig zijn; de natuur zal deelen in die hooge vreugde. Waar eertgda doornen het pad versperden, zullen dan hooge dennen den weg met hun immer-groenend loover ovsrschaduwen, en waar tevoren distels dreigden, daar zullen de lieflijke mirten, die in de diepte bloeien, het dal met verkwikkende geuren Te vullen; en in dit alles zal heerlijk zijn de naam van Hem, die al deze dingen wrocht.

Zoo reeds verkrijgt dit woord een diepheerlqken zin: de weg waarlangs, en 't land waarheen Gods Kerk optrekt, zal voor h«a.r voet verkeeren van woastijn in welige landouwen, de wildernis zal bloeien ala een roos.

Maar er is meer. Hier wordt ook geduid op de innerlijke vernieuwing en omvorming, die Gods volk zal tebeurt vallen, want — en dit weegt zwaar — als wq dezelfde blijven, dan zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde ons niet gelukkig kunnen maken. Wq znllen ©r ons niet thuis gevoelen; wij behooren er niet. Past dan het bedelaarskleed in de bruilofiiszaal?

Maar dat raakt ook nog slechts den buitenkant; laat ik 't anders zeggen: hoe zal Gods vijand verkeeren in 't lieflijk gezelschap van de gekenden des Heeren! Hoe gevoelt zich de nachtvogel in de klaarte der middagzon? 

Dus, leser, wat rondom, langs den weg, in de natuur plaats grijpt, dat doornen en distelen — de vloek der aonde — die 't pad versperren en d©n voet doorwonden, plaats maken voor opgaande dennen, die lommer spreiden, en lieflijke mirten, die de lucht met heur geuren vervullen, dat is beeld aan den buitenkant van wat er innerlijk met het volk Gods plaats heeft. Zij zijn in zichzelf doornen en distelen ; duidt 't mij, lezer, niet euvel, dat ik geen anderen naam voor u heb; wat gij u ook inbeeldt, het Woord, dat niet liegen kan, neemt hier alle twijfel weg. Met doornen en distelen — den vloek uwer afwqking — heeft uw zonde de aarde bezaaid; die hebt ge opgeroepen, gekweekt, en zelf zijt ge niet anders. . Niet altqd is dit zoo geweest. Eens was deze aarde éen Eden, en de mensch rechtvaardig, heilig goed. Maar — en dat mflakt 't zooveel te erger, hij heeft zichzelf en al ziijn nakomelingen moedwillig van alle echoone gaven beroofd en nu geldt het verpletterend® woord, dat al't gediehtsel van de gedachte zijns harten ten allen dage alleenlijk boos ia. Dit is geen menschelijke zwartgalligheid die 't donkerder inziet dan noodig is, maar leer van Gods getuigenis, dat waarachtig is.

Doornen en distelen, tot niets nuti

Hier is te denken aan de doornstruik, die in de wildernis verspert, den doortocht belet, met wonden dreigt en niets goeds oplevert. Zijn hout is onnut zelfs om te branden, want het doornenvuur, dat zóo verteerd is, beeldt uit wat geen stand houdt. Denk enkel aan de gelijkeais vaji den zaaier I

Maar is dat niet teveel gezegd ? is dan de mensch tot niets meer nut? Zie eens, lezer, hier gaat 't over 't wezen van den zondigen mensch, niet over de vraag, of daar — dank zij Gods algemeene genade — op deze aarde nog niet iets meer groeit, ook onder menschen, dan doornen en distelen; dat is enkel, omdat God Zijn hand niet afgetrokken heeft. Maar laat nu geen schijn u misleiden; gij meent de mensch is geen doorn? Welnu, ga dan naar de slagvelden, hoor daar het smartgekerm der gewonden, zie daar den doodstrijd van duizenden jon ge levens, door menscAénhand neergeveld; ga naar de huizen der rouw, waar miljoenen weduwen en weezen kermen om brood, en wat dunkt u dan, wondt dan de mensch niet scherp als een doorn? Zie in 't leven rondom u, hoe de een den ander verdringt, hoe vooral in dezen gruwelijken tiijd de schatten zich ophoopen bq sommigen, terwijl veler levenskracht in kommer wordt verteerd, is daar niet veel, dat vlijmt als een doorn? Sla dan den blik naar binnen; zie, hoe gij u stelt tegenover God en Zqn Woord en Zijn dienst en Zijne wegen, en wat vindt ge dan, dat gij uzelf en anderen als een doornstruik den weg naar den hemel verspert.

Zie eindelijk, om de maat vol te meten, vol schaamte en droefenis naar 't gruwelbedrijf in Pilatus' hof, waar menschen den Zoon des menschen den doornenkroon vlechten en in de slapen priemen, en durft ge 't dan nog ontkennen, dat doorn en distel, o zeker, wel een neerwerpende, maar dan toch eene den mensch passende beeldspraak is?

Als de distel, die met bloemen pronkt, maar met stekels dreigt, en den argeleoze doorwondt, zoo! is de mensch.

Wat nu te doen? Ons afkeeren met met wrevelig en bitter gemoed, van de waarheid niet gediend, omdat haar rede hard is?

Maar maakt ge 't daarmee beter? ia dat de weg tot herstel? Als pijnlijke middelen alleen nog maar baten, is 't dan goed, u daarvan af te wenden, omdat ze pijnlijk zijn?

Zult ge dan, gelqk zoo velen doen, een pantsier van onaandoenlqkheid aantrekken, en de harde waarheid langs u heen laten gaan, zonder er u om te bekommeren? Maar is dat niet 't gevaarlqkste van al, koud noch heet!

Neen, laat deze waarheid, hard en streng, u mogen verootmoedigen, terneerslaan, verbrgzelen, bedroefd, beangst maken, opdat gq in den dag der benauwdheid moogt leeren roepen tot Hem, die machtig is om voor een doorn een den en voor een distel een mirt te deen opgaan.

Dit toont ons wat genade vermag.

Nergens is er baat; alles breekt bij de handen af; eer verandert een Moorman zijn huid.

Menschelijke veredeling helpt ook niet; een veredelde doorn is ook nog een doorn, en ook van veredelde distelen geldt: wie leest druiven van doornen en vqgen van distelen ?

Toch moet gij niet alle hope laten varen, want waar menschelijke wegen eindigen, daar vangen goddelijke wegen aan.

Bij Hem is redding in allen nood.

Want voor een doorn zal een denneboom opgaan en voor een distel een mirteboom; reeds wezen wij u op de voortreffelijkheid van den den boven den doornstruik, waar de doornstruik den weg verspert en den voet doorwondt, daar biedt de den met hoogen slanken stam gemakkelijk doortocht en verkwikkende schaduw; en de mirt, instee van 't goede kruid te verdringen en te verstikken, gelijk de distel doet, verkwikt met haar kostelijke geuren en zoo nu is de Heere machtig om van den verdorven zondaar een kind Gods te maken, dat eenmaal den Vader onberispelqk zal worden voorgesteld!

De doornstruik kruipt met haar wondende takken langs den grond, de slanke den heft den kruin ten hemel en roept u op, oog en hart opwaarts te heffen, waar Christus is; hoewel van nature uit de aarde aardsch, door genade leert Gods kind bedenken de dingen die boven zqn. De doorn beslaat nutteloos een breede plek, de den heft zich omhoog, is met weinig tevreden, vraagt geen vetten bodem, zoekt 't omhoog; soo ook Gods volk van nature zeggen ook zij: maak mij plaats, want ik ben heiliger dan gij; maar door genade leeren zq 't omhoog zoeken, en groeien — met weinig tevreden — in de verdrukking, en de mirten, die in de diepte bloeien (Zach. 1), bescheiden, doch lieflijk, vervullen 't dal met verkwikkende geuren.

Gods levend gemaakt kind ook, als 't wèl is, dan groeit het in de diepte, zoekt wel de. dingen die boven zijn, heft het hoofd wel naar den hemel, maar verheft zich niet boven de anderen, de één den ander uitnemender achtende dan zichzelf, en zoo verrq ken aq 't leven in dit aardsche jammerdal.

Zq hebben een roeping, niet in het klooster, dat afsluit van de overigen, maar in de mirt, die de vallei liefelijk maakt, hebben ze hun taak te zien.

O zeker, zoo zegt gij, wèl is dat lief-Iqk, maar hoe kan dat!

't Is Gods werk ! hiermee aanvangende dat gq ontdekt wordt aan uw waren aard, als doorn en distel, 'n vqand en hater van God en uw naaste, onbekwaam tot het koninkrijk Gods. Dat wordt dan een last, te awaar om te dragen, dat perst tranen uit't zielsoog; dat maakt bedroefd en beangst, dat leert roepen om redding, dan wordt gq er klein onder, en als gij uitroept: Heere, hoe zal ih, die als een smet ben op den zoom van uw heilig gewaad, hoe zal ik U ooit tot 'n naam en tot een teeken en tot een sieraad kunnen worden ! dan antwoordt Hij: Ik de Heere, doe al deze dingen; en het stekje, door den hemelschen Vader geplant, wordt een boom; wel komt daar veel tegenstand en aanvechting tegen op, maar Gods werk heeft groeikracht en Hq rust niet, en laat niet af, eer de den en-mirten opgaan, en het j, al Hem weeën tot een naam, d w.z. tot een wezensopenbaring, in dezen weg zullen nieuwe deugden en volmaaktheden, nieuwe heerlqkheid en majesteit van Zqn eeuwig Wezen uitstralen; immers wat God aan Zqn volk doet, zal de lof Zijner vrqmacht en ontferming. Zijner mogendheid en genade op veler lippen brengen.

't Volk des Heeren vergete nooit, dat hun God hen hiertoe formeerde, dat ze Zijn lof op aarde zullen vertellen.

„God zij altoos op 't hoogst geprezen" laat 't niet alleen de leuse maar ook de keuze uws levens mogen zijn!

En tot een eeuwig teeken, tot een teeken van Zijn wijsheid en goedheid, van Zijn recht en erbarming, en wel zulk een teeken, dat satan verstommen en de engelen juichen doet, een teeken dat de verlorenen beschaamt en de verkorenen in aanbidding neer werpt, prijsende en lovende Hem die uit zoo grooten nood zqn volk verlost.

En dit teeken zal m«t uitgeroeid worden.

Hoe dikwerf rqst bij 't barnen der baren, bij 't laaien der tochten en der lusten, bij 't loeien der stormen de bekommerde vraag: hoe zal 't werk Gods stand houden? O volk in nood, klimme boven de golven uw bêe naar omhoeg: Verlaat niet, wat Uw hand begon.

De bijl, die tegen den denneboom wordt uitgebracht, de bijl van zonde en wereld, van satan en eigen vleesch, is scherp gewet, en de lokstem, die de mirten zoekt te lokken uit de diepte van het dal des ootmoeds naar de hoogte der selfverheflBng, waar ze verkwijnen en verschrompelen zullen, is zoet en vleiend, maar het vaste fundament Gods staat; God handhaaft Zqn werk, ea het teeken Zijner vrq machtige genade zal niet uitgeroeid worden.

Geen betere troost voor 't geschokt en beangstigd gemoed.

Lezer, keer na deze overdenking tot uzelf in; hoe staat het met u? verzet u niet tegen de schatting, die Gods Woord van u geeft; laat deze harde woorden ook niet over u en langs u heengaan, daardoor wordt het niet anders; en het moet anders worden, of ge zijt voor eeuwig verloren, want voor doornen en distels brandt het eeuwige vuur.

O verneder u onder de hooge hand Gods.

Hij doet smart aan en Hij verbindt; vergeet 't niet, gq die aan uw verloren en verdorven toestand ontdekt werdt, als de Heere u toont wie gij zijt, en wie gij wezen moet, dan doet Hq dat opdat gq 't worden zult, niet door uzelf, maar door Hem, door Hem alleen, om 't eeuwig welbehagen.

Meen niet, dat hier te veel werd gezegd ; dat zou zoo zijn, wanneer 't van u moet komen, maar nu:

't Is Israels God, die krachten geeft. Van Wien het volk aijn sterkte heeft, Looft God, elk moet Hem vreezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdeiikiing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's