Stichtelijke overdenking.
Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, het zij leven, het zij dood, het zij tegenwoordige, het zij toekomende dingen, zij zijn allen Uwe. 1 Corinthe 3 vers 22.
Alles is Uwe!
Als ge de aanleiding naspeurt, die den Apostel drong om dexe kostelijke woorden neer te schrijven, dan treedt verrassend naar voren de waarheid van het Schriftwoord, dat dengenen die Godliefhebben, alle dingen medewerken tengoede.
Wat toch was het geval ? Corinthe 's gemeente leed onder tweedracht ©n twisting, De verscheidenheid van gaven onder hun voorgangers deed de gemeente vergeten, dat één Geest deze gaven verleende. De verscheidenheid was uitgemeten tot verschillen en 't duurde niet lang of de ééne gemeente viel in elkaar bekampende partijen uiteen, waarvan de eene groep, bekoord door Paulus' diepe kennis en vol bewondering voor zqn eenige gaven van organisatie van 't gemeente-leven uitriep: wij zijn van Paulus; een andere partij verklaard* Apoiios tot haar man, aangetrokken door den gloed der bezieling, die uit zijn woorden straalde; terwql weer anderen in Cefas, om den rijken schat zijner koste-Iqke herinneringen aan de tijden van 's Heoren omwandeling op aarde, den man naar hun hart vonden. Maar zoodoende vergat men, dat één zelfde geest elk dezer mannen met een eigene gave en een bijzonder talent had toegerust, opdat de een den ander aanvullen zou en z^ zoo s& am de gemeente des Heeren zouden bouwen en den vollen raad Gods tot behoudenis van zondaren uitdragen in de gemeente.
Waarom, gemeente van Corinthe, zoo wil de Apostel vragen, waarom uzelve nu noodeloos en moedwillig verarmd, door van deze trits van gaven er met zondige willekeur twee te verwerpen en ééne slechts te behouden ? Is dan aan alle werk Gods de doodige eenvormigheid niet vreemd?
Betreed, in lente de bloeitijd, den wqden tempel van Gods heerlijke schepping en vraag uzelf af, waar 't geheim dier wondere schoonheid schuilt, in 't blanke wit der tallooze bloesems, en 't teere groen dat pas ontsproot, of in den gloed der dartele zonnestralen spelend tusschen 't groene loover; of nu, nu de herfstadem een veelheid van tinten toovert over bosch en hei, en ligt dan niet in die eindeloeze verscheidenheid 't geheim dier veelvuldige schoonheid? En wonderlijk, door al die verscheidenheid ontstaat geen enkele wanklank of wanverhouding.
Als menschen dit willen nadoen, tien tegen één, dat zij door schrillen wansmaak •in bonte disharmonie uw oog wonden en uw oor pgn doen.
Niet alzoo in Gods schepping. Welnu, waarom zoudt gij dan geen oog hebben voor het schoone der verscheidenheid in des Heeren Kerk ?
Waarom moet dan — als 't al maar «toelt op den wortel Zqner Waarheid — éénziijdiglqk de één verworpen en de ander verheven worden ? Alle eenzqdigheid verarmt; en daarbg alles is nwe.'t Korinthisch kwaad - gelijk men t noemt - was den Apostel dus aan leiding tot 't neerschrijven van bovenstaande heerlijke woorden.
En laat er ons terloops even aan mogen toevoegen : het Korinthisch kwaad is ook onder ons nog ganschelijk niet uitgeroeid. Nog verarmt en verkwijnt bij zoovelen het geestelijke leven door zulk© schadelijke eenzijdigheden.
Nog zgn er die het rtchte kennen eenzijdig verheffen; anderen hebben alleen maar waardeering voor den warmen gloed der gevoelige bevinding, terwijl weer anderen al het overige achterstellen bg de daadwerkelijke gehoorzaamheid van den wil.
Dit verdient afkeuring; God heeft recht op hoofd en hart en hand van Zijn kind.
Dit is niet anders dan een noodeloos verarmen van het leven der gemeente. Binnen de grenzen van Qods Waarheid, let daar wel op, dat blijft de standvastige voorwaarde voor alle eenheid en verdraagzaamheid op 't gebied der Kerk, maar daarbinnen is ruimte en plaats voor een wondere verscheidenheid van gaven,
In dezen zelfden brief schrgft Paulus: en nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, die moeten blijven; geen dezer drie mag gemist worden. Alles is uwe, en wat God heeft sè, amgeroegd, dat schelde de mensch niet.
En als dan, tengevolge van onvermijdelijke menschelgke beperktheid en gebrekkigheid de een meer hierop en de ander weer meer daarop den nadruk legt, het zij zoo; als 't wèl is laten dan deze onderscheiden geesten elkander aanvullen en niet verwerpen!
Hoewel 't volgende niet in onmiddellijk verband staat met 't Korinthisch kwaad, toch vindt de Apostel, eenmaal met dit onderwerp: alles is uwe, bezig, aanleiding om 't rgk bezit van waarheid daar in vervat verder voor de gemeente uit te werken.
Immers onder dat .alles is uwe" is meer nog te rangschikken dan alleen maar de onderseheidene gaven van de voorgangers der gemeente, des Heeren dienstknechten.
Ook de wereld, ook het leven, ook de dood, ja in' een woord: alle tegenwoordige eri toekomende dingen, »ij zijn allen uwe.'t Verband moet hierin gezocht: evenals Paulus, Apollos en Cefas, elk met de hem verleende gave, de gemeente gelgkelijk moeten dienen om zonder onderscheid ta arbeiden aan hare stichting, opbouw en volmaking, zoo saoeten ten slotte alle dingen haar dienen, alles haar medewerken ten goede.
Ook de wereld is uwe! Sommigen meenen, dat wereld hier moet verstaan in den zin van kosmos, schepping, het georganiseerde leven hier op aarde; ongetwijfeld geeft dat een goeden zin; God had den mensch gesteld tot een koning der aard'; hij heerschte over 't werk zijner handen; 't boog al voor zijn schepter wat er leefde in haar gaard', of zweefde in haar wijde waranden, gelgk een dichter zingt. Zonder twijfel heeft de gemeente des Heeren een roeping betreffende het menschenleven in al zijn omvang.
En Obadja, Achab's vrome dienaar, leert ons in voorbeeld, dat in „doopersche mgdinghe" niet de taak van Gods Kerk is gelegen ten opzichte van het aardsche leven.
Doch de apostel neigt hier tot tegenstellingen ; leven en dood, tegenwoordige en toekomende dingeG; -stelt hij hieri tegenover elkander; zoo moet wereld hier ook genomen in tegenstelling met Paulus, Apollos en Cefas; is dat juist dan moet wereld hier ook verstaan in den zin van de booze, aan God en Zijn kerk vijandige macht; en zoo wint dit Woord in rijkdom en diepte van beteekenia, niet alleen de knechten Gods, Paulus en zijn mede-arbeiders, maar ook de macht, die zich opmaakt tegen God en Zijn Kerk, moet haar dienen.
Ook de wereld is uwe; welk eenzielvertroostende waarheid is daarin gelegen; die booze macht, die op niets anders zint en peinst, dan om u te verderven, zij ook is dienstbaar aan uw heil.
Hoezeer ze u naar 't leven staat, u zoekt te verlokken en af keerig te maken van de wegen des Heeren, wees getroost en bemoedigd, want in 't eind zal ook die grijpende wolf 't schaap naar de kudde moeten drgven.
Laat ze u verdrukken mogen, zóo zult gij ingaan in 't Koninkrijk van den Zoon van Gods liefde.
Alle dingen moeten u ten goede. medewerken
Zoo ook dood en leven beide; „hetzg dat wg leven, hetzij dat wij sterven, wij zgn des Heeren.
Ook het leven is Uwe; net leven met zijn velerlei strijd en smart, met zijn moeite en druk, met zijn weldaden en zegeningen, ook dat ia uwe. Het leven met zijn tallooze vragen en zorgen, met zijn vele eischen en raadselen, met aijn nooden en behoeften, met zgn dagelijksch struikelen, vallen en opstaan, het is uwe, uw leer-en oefenschool, waar gg alle dagen voor-en toebereid wordt voor de eeuwige zaligheid.
O wonder, het brengt alles u nader aan 't huis van uw Vader.
Als de avond daalt en u moede en schuldig vindt, 't is om u te verootmoedigen, opdat gij met heimwee zult uitzien naar dien laatsten avond, als gg moede van de dagtaak des levens ault ontheven worden van den last der zonde en der dienstbaarheid. Als elke morgen u opnieuw den levensweg veorteekent en tot den levensstrijd u roept, 't is opdat uw hope zal verlevendigen op dien eeuwigen morgen, waarin de zon zal stralen met nieuwen glans, om nooit meer onder te gaan.
Ja, het leven is uwe; het leven met zijn onberekenbare verrassingen, met zijn tegenspoeden en uitkomsten, waarvan gij niets in de hand hebt, 't is nochtans uwe, opdat 't u zal dienen tot uw zaligheid.
En ook de dood! Met klimmende verbazing luistert ge toe naar de opsomming in 't woord des Apostels: de dood is uwe.
Ja, want is hij u niet de afsterving der zonde en de doorgang in 't eeuwige leven? Het leven is mg Christus, en het sterven is mij gewin.
Wondere ommekeer, als gg een kind van God moogt worden.
De dood verliest zijn prikkel, de hel haar overwinning.
De koning der verschrikking wordt u een gehoorzame gids naar 't eeuwig lichtende Vaderhuis; dat geldt van dien dood, die den mensch hier in angst en vreeze kan dompelen; die diepe afkeer en hangen schrik wekt in 't hart des menschen.
Die ontzettende koning, die u 't bloed in de aderen stollen en de haren van ontzetting ten bergedoetrqzen, hij wordt
en deemoedige slaaf, die ook al medewerkt ten goede. Om kort te gaan, en 't met weinige woorden te zeggen, zoo besluit nu de Apostel, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe.
Wat u in heden of toekomst verblijdt of beangst, het feestkleed en het rouwgewaad, vóór-en tegenspoed, rgkdomof armoede, gezondheid of krankheid, oorlog of vrede, schaarschte of overvloed, alles alles is uwe, alles moet u dienen, alles alles u medewerken ten goede.
Ja, daar is oorzaak om uit te roepen: o hoe groot is het goed, dat Gij, o Heere, hebt weggelegd voor die U vreezen ; wat geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geens menschen hart is opgekomen, dat heeft God bereid dien die Hem liefhebben.
Maar deze kostelgke woorden kunnen udan slechts toegeroepen worden, lezer, als van u mag getuigd, wat Paulus van de gemeente in Corinthe uitroept: gij zijt van Christus!
Het eigendom van dien eeuwigen Koning, want Zgne onderdanen staan in den afglans Zijner majesteit.
Alleen vanwege die levende betrekking tot Christus, kon tot Corinthe's heiligen gezegd: alles is uwe!
Immers Hij heeft de wereld overwonnen, en in Hem zijn al de Zijnen meer dan overwinnaars.
Hij heeft de sleutels der helle en des doods; Hij zegt tot al de Zgnen: Ik leef en gg zult leven; waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn.
Als gij, mijn lezer, van Christus ïgt, dan is alles uwe.
En van Christus zijn, dat wil zeggen, niet meer van onszelf zijn.
Dat willen wij zoo gaarne: van onsaelf zijn; maar dan zijn we een slaaf der wereld, een dienstknecht der zonde, een speelbal van dood en hel. Dit is de weg, dat gij van uzelf af-en op Christus geworpen wordt.
Gij hebt Christus noodigi En Christus is Sods; hiermede is de kringloop des heils volbracht; uit Hem, door Hem en tot Hem aijn alle dingen.
Niet ons, o Heere, niet ons. Uw Naam alleen zg de eer!
Lezer, wilt gij van Christus zijn? oprecht en waarlijk?
Maar dan moet gij afstand doen van uzelf.
O, zoo roept de ontdekte zondaar, dat wil ik niet, en als ik 't wilde, ik kan 't niet.
Indien dat u tot smart is, Christus is Gods.
Hg, die alleen 't leven en de vrede is, Hij wordt van God geschonken tot Wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomene verlossing.
Ook tot u zegt de Heere: doe uw mond wijd open, en Ik aal hen vervullen.
Bid, en gij zult ontvangen; klop, en u wordt opengedaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's