Allerlei.
Roem der Hope.
Jezus, mijn Verlosser leeft! En ook ik zal met Bern leven Daar, waar Hg Zijn zetel heeft. Wat zou mij dan nog doen beven Nu het Hoofd, reeds opgewekt. Al de leden tot zich trekt. Door een onverbreekbren band Ben ik aan dat Boofd verbonden Mijn van God gegrepen hand Worde in Zijne hand gevonden
En vergeefs grijnst dood en hel; 'k Zie op Jezus! 't is mij wél, 't Geen ik afleg is d' ellend'; 't Geen ik wachte kracht en leven; 't Leven, hier nooit recht gekend. Wordt mij eeuwig dan gegeven: De aardsche korrel wordt gesaaid, 't Hemelsch lichaam wordt gemaaid. 'k Zal dan wonen bg mijn HeerI Dit is mijn geloofsvertrouwen — Ik zal Jezus in Zijn eer, In Zgn Koninkrijk aanschouwen; Ik, ik-zelf, verlost van 't vleesch, Vrij van zonde, vrg van vrees. Rieht uw geest dan hemelwaarts. Heft uw aielen op naar boven, Tan de lusten dezer aard Tot waar ge eeuwig wenscht te loven; Woont met hoop en hart en zin Thans reeds bij uw Heiland in.
DA COSTA.
Lied der verwondering.
Ja, Heer! dat mag een wonder heeten. Een wonder Uwer sterkte en macht: Ik ben er nog, zoo teer van maaksel. Zoo jswak van moed, zoo klein van [kracht! Gevallen is aoo meen'ge ceder. Geknakt zoo meen'ge eikenstam: En ik — ik mag nog ademhalen. Daar God mij in Zijn hoede nam. Ja, Heer! dat mag een wonder heeten. Een wonder van üw wijs beleid: Mijn dwaasheid had miij duizend nooden En duizend dooden toebereid. Maar Gij boogt recht wat ik verkeerde; Wat ik bedierf, hersteldet Gij ; En waar ik mijnen voet verstrikte. Daar maaktet Oij mgn schreden vrg. Ja, Heer! dat mag een wonder heeten. Een wonder Uwer trouw en zorg: Gij waart me een Leidsman aan mijn aij de, Waar listig zich een slang verborg. Gij hebt in stormen en gevaren. Door mijn verstand niet eens bevroed. Mij sluimrend in Uw arm gedragen. Gelijk een teedre moeder doet. Ja, Heer! dat mag een wonder heeten. Een wonder der barmhartigheid: Dat Ge aan den wortel van mijn leven Nog niet de bijl hebt aangeleid; Dat Ge al mijn ongerechtigheden, Zoo lang genadig hebt geduld^ En mij, dis al Uw gunst verbeurde, Met spijze nog en vreugd vervult. O, leer mg inzien in die wondren, Opdat mijn hart Uw naam vereer, En, in aanbidding neergezonken, Volkomen zich tot U bekeer! O, geef mij wgsheid, om t® merken, k Waartoe dit alles mg geschiedt. Opdat mijn hart, van goede werken, Een rgken, vollen oogst U biedt!
Ds. J. DE LIEFDE,
Gods Liefde....
Was weer van 't kruispunt opgestaan versterkt, vertrouwend; n 'k wist, welk pad ik in moest slaan, op Gode bouwend. Al lag die weg ook donker daar, 't was binnen in mij vredig-licht; daar heerschte blij de Liefde Gods, waarvoer m'n zorg en vreeze zwicht. u heeft de Heer' mij doorgeleid naar 't zonlicht weder, u kniel ik hier uit dankbaarheid vol jubel neder; „Al lag die weg ook donker daar, „al viel de strijd mg soms ook a waar, „Gij Zelf, Heer, hebt me kracht gegeven, „Gij gaaft weer van Uw Goedheid blijk; „Ge maakt me rijk, oneindig rgk, „door zooveel Liefde, mij ten leven!"
[De Rotterdammer.)
De vleugels van het Evangelie.
Er bestaat een schoon zendingslied in erschillende talen, dat begint: " Dierbaar vangelie! vlieg altijd verder voort!". Eens ging eene oude negerin ergens p Jamaika in een zendinga-biduur naar e samenkomst. De bus ging rond, onderijl dit lied gezongen werd. Zij had de oogen naar boven geslagen, ong zoo hard als zij kon «n scheen geeel in aandacht verdiept. De collectant, die wist dat zij liever zong dan gaf, stiet haar aan en fluisterde haar in 't oor; „Hoor, SissaI het zingen: Vlieg Evangelie!" helpt niets, als gg ook niet wat geeft om er vleugels aan te maken f" De opmerking was alleszins juist!
Bloemknopjes en Distelblaadjes
Al blijft de hulp, die gij verwacht, Voor 't weenend oog verborgen. Al duurt het ook tot middernacht En weder tot den morgen. Vertwijfel niet aan 's Heeren macht! De Vader zelf zal zorgen.
LUTHER
Zoo 't God goed is, zoo zij 't ons mee, Ons beste werk is: stil zgn; De dienaar en de heer zgn twee. Doch moeten ééns van wil zijn.
De mot doorknaagt het beste kleed, De ngd het beste hart doorvreet. Wie zich dus graag voor schade hoedt. Sluit kast en hare voor dat gebroed.
HEYE,
Laster en kwaadspreken zijn vonken, die, als men ze niet aanblaast, van zelf uitgaan,
BOERHAAVE.
De schoonste zomerzonneschgn Vervroolijkt hart noch zinnen. Wanneer wij niet vervroolgkt zgn Door 't zennetje van binnen.
Gezegend de ziel, die verstomt noch bezwijkt, Ook dan als de rouw haar omringt. Maar midden in 't lijden den vogel gelijkt. Die in 't donker het heerlijkste zingt.
TEN KATE,
Is 't overdenken goed, het overdenken [niet, Hij ziet zichzelven uit, die al te lang [doorziet, Die altijd wilde doen en nooit en heeft [gedaan, 't Schaaltengetje moet eens in 't huisje [blijven staan.
HUYGENS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's