De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

In de N.R.Ct. van Vrijdag 30 Aug. j.l. (ochtendblad) vonden we onderstaand merkwaardig stuk — door een onbekende geschreven — over de kerkelijke goederen. We zijn benieuwd of deze beschouwingen aiet op tegenspraak zullen stuiten. Het ware wel te wenschen, dat er toch eens met wat meer ernst door vooraanstaande juristen en theologen over de kwestie van het Beheer gedacht en geschreven werd en dat eens een weg gevonden werd om de kwestie van de zilveren-koorde tot een goede oplossing te brengen. Ook d© politieke omstandigheden dringen in de»e, waar we al meer en meer den radicalen kant uitgaan. Bedoeld stuk luidt:

Het beheer der kerkelijke goederen.

Men schrgft ons naar aanleiding van den in ons Avondblad van 27 dezer meegedeelden brief van mr. Van Citters:

De heer Van Citters schreef in 1818, toen de Hervormde Kerk, die pas was gesticht, wilde bewijzen dat zij recht had op de kerkelijke goederen, terwijl zij dat recht nooit bezeten heeft, omdat zij twee jaar geleden nog niet eens bestond en de Gereformeerde Kerken vóór 1816 nooit in het bezit van kerkelijke goederen zgn geweest. En deze kwestie duikt nu weer op en zal telkens opduiken, wanneer men aan den Staat de verplichting wil opleggen om aan de Kerk subsidie te verleenen, welke verplichting wordt bestreden door hen, die eischen volkomen scheiding van Kerk en Staat.

De Staat heeft die verplichting niet, mdat ag vroeger kerkelijke goederen enaast zou hebben, zooals telkens maar eer uit den treure wordt beweerd. De taat heeft nooit goederen genaast of eroofd, die behoorden aan de Ned. Herv. erk, zelfs niet goederen die behoorden aan de Gereformeerde Kerken in de 16e, 17e en 18e eeuw, omdat zij nooit iets bezeten hebben en niets behoefden te betitten. Zelfs indien men de Ned. Herv. Kerk beschouwt als het kind en dus de erfgenaam van de vroegere Gereform, Kerken, dan was zij de erfgenaam van doodarme ouders.

Die moeder besat niets. Zg was als Kerk van haar ontstaan af in de Reformatie slechts staatsambtenaar, van wie het tractement verviel met den dood. Zij heette de Gereformeerde Kerken in de Nederlanden en bezat niet eens een behoorlijke organisatie, die algemeen erkend werd. Ik geef de keuze tusschen de organisatie van Leicester in 155& , van de staten van Holland en de overige gewestelijke organisaties, die later tot stand agn gekomen, maar die van de staten van Holland is practisch erkend en bepaalde dat de Kerk een taak van staatszorg was; het onderhoud berustte dus bij den Staat. De Staat, door recht van verovering eigenaar geworden van de goederen der Roomsch Katholieke congregaties bestemde dese voor het onderhoud der Gereformeerde kerken.

De Kerk bezat dus niets; ze had ook een recht op de vroegere geestelgke oederen; die behoorden aan den Staat n bestonden dus niet meer; maar de taat, die voortaan de Gereformeerde erk als Staatskerk aannam, belastte zich met het onderhoud dier Kerk, en bestemde nu de vroegere geestelgke goederen daarvoor. De diaconie kreeg later eigen - administratie.

Als de Kerk waarlqk in het bezit was, dan was dit onrechtmatig. De Staat beschouwde die goederen als de zijne. De gelden der geestelijke kantoren, die ingesteld werden door den Staat tot onderhoud der Staatskerk, waren de goederen der vroegere kloosters, , waar-op de Gereformeerde Kerk natuurlijk in geen geval eenig recht kon doen gelden. Mr. S. J. Heringst, die in 1863 een artikel 'Schreef in de Gids over „Kerk en Staat" en daarbij het recht der Herv. Kerk bepleitte, kon het recht van het bezit slechts gronden op het recht van verjaring. Dat wil in dit geval dus zeggen: het recht van verjaring op goederen, die zoovele jaren lang, zij 't dan ook in onrechtmatig, bedt zijn geweest, maar zelfs dit is niet waar.

Vóór de Reformatie was de Roomsch Katholieke Kerk, financieel en geestelijk, niet alleen volkomen afhankelijk van den Staat, maar had altijd op den Staat een groot overwicht geoefend of trachten te oefenen. De Kerk was rijk en dus machtig. Toen nu de Hervormingspartij in ons land zegevierde, besloot de Staat, die de vroegere Kerk wegjoeg, maatregelen te nemen om nooit weer een dergelijk gevaar te loopen. De Staten vpn Holland en later de Generale Staten, namen de Kerk onder hun hoede en zorg. De Kerk zou nu voortaan staatszorg zijn evenals nu het onderwijs; het onderhoud van die Kerk was dus bij den Staat, maar deze waarborgde daardoor voor zich het recht om de Kerkdienaren als ambtenaren te behandelen, zoodat zij zich moesten richten in gedrag en woord naar de-eiechen van den Staat,

Hiertegen hebben de Calvinisten ie de 16de eeuw met hand en tand zich verzet. Hunne Synoden-waren tot 1591 samengekomen met geen ander doel dan om een organisatie voor de-Kerk in 't leven te roepen, geestelijk en financieel onafhankelijk van den Staat. Het heeft niet mogen baten. De besluiten van de Middeiburgsehe Synode in 1581 werden door de Staten niet erkend. En de Nationale Synode is niet gehouden vóór 1618, en daar is voornamelijk' over de leer gehandeld. Maar door Iijdelijk verzet èn door ongevraagd de administratie der kerkelijke goederen, waar die nog ongerept waren, in handen te houden, hebben do Calvinisten zich het feitelijk bezit dier goederen toegeëigend, echter tegen den zin en de bedoeling van den Staat, die zich in die twee eeuwen altijd als eigenaar der kerkelijke goederen heeft beschouwd, en het ook was.

Evenwel zal men bij Ned. Herv. gemeenten ia steden, die na 1574 de Spaansche regeering hebben afgezworen, geen spoor van kerkelijke goederen ontdekken. Op het platteland en in steden, die vroeger reeds waren overgegaan, bleven de pastoralia en kerkgoederen onder het beheer van kerkelgke personen onder vrijwel gedwongen oogluiking der overheid, maar zelfs nu in onzen tqd kan men opmerken, dat processen, begonnen over pastoralia, gewoonlijk tot op een zeker punt gekomen, haastig in der minne geschikt worden, waarachynliijk omdat de Kerk haar eigendomsrecht niet k»n bewijzen.

Deze toestand bleef twee eeuwen lang bestaan, of liever hangen. De zaak wachtte eigenlijk nóg steeds op definitieve regeling, evenals zeovele zaken in de Republiek, totdat de Fransche Revolutie uitbrak en alles overhoop smeet. In 1798 beoogde de regeering duidelijk genoeg alle geestelqke goederen van de Kerk vóór 1581, in navolging der Fransche Republiek, nationaal te verklaren, terwql aan de in dienst sijnde predikanten nog hunne wedde werd verzekerd. Alle regeeringssubsidies werden ingetrokken; het statas quo der goederen werd voorloopig gehandhaafd. In 1806 ging Lode wqk Napoleon de macht van den Staat het verst uitbreiden: al de geestelijke fondsen werden in de Staatskas gestort, doch het onderhoud bleef nu plicht van den Staat. De koning bestuurde d« Kerk. Bg de inlijving in het Fransche Keizerrqk verviel natuurlijk ieder spoor van de vrijheid der Kerk.

Toen dan ook in 1816 met het nieuwe Koninkrigk der Nederlanden een geheel nieuwe organisatie der Kerk kwam, heeft zij getracht hare vrijheid te herwinnen, doch vond een niet gering te achten tegeastander in koning Willem I, die 800 weinig overtuigd was van het recht van de Ned. Herv. Kerk cp het eigendom en zölfs op de administratie van de geestelijko goederen, dat hij in 1827 het volgende verordende ïn aanmerking nemende, dat eenige kerkbesturen geheel uit het oog hebben verloren, dat zij slechts beheerders zijn der kerkegoederen en dat hunne d*den zich niet verder dan tot die van eenvoudig beheer kunnen uitstrekken hebbeu besloten en besluiten: art. 1. Alle kerkbesturen en kerkelijke administratiën zullen zïch zorgvuldig wachten om eenige bestellingen of beschikkingen te maken omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk bij de bestaande wetten, reglementen, orders of instructiën is opgedragen." De koning achtte dus, dat alle kerkegoederen Staatseigendom waren en hij deed dit met het volste recht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's