Stichteïljke overdenking.
Daniël nu had in zijne opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan. Dan. 6 : 11. (middelste gedeelte.)
Open vensteren.
Er zijn vensteren in den hemel. Of staat er niet in Psalm 33: „De HEERE schouwt uit den hemel en ziet alle monschenkinderen. Hg ziet uit vfen Zijne vaste woonplaats op alle inwoners der aarde? " En wanneer dan zoo gezegd is, dat Zijne oogen gaan over gansch het gewoel der stervelingen, lezen we ten opzichte van de geloovigen: „Zie, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vreezen, op degenen die op Zijne goedertierenheid hopen, om hunne ziel van den dood te redden en om hen bij het leven te houden in den honger."
Ja, er zijn vensteren, open vensteren in den hemel, waardoor de Heere uitgiet Zijne zegeningen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; waardoor Hij neerzendt wat mensch en beest bij het leven bewaart; waardoor Hij bizonderlijk komt nederzenden alles wat Zijn volk kan verzadigen, zelfs in duren tqd en hongersnood,
Mocht de wereld dat maar meer bedenken, dat alle goede gaven en volmaakte giften afdalen van God. Hij doet Zijn zon Opgaan over boozen en goeden en geen schepsel aou zich kunnen roeren of bewegen, indien de Heere niet zegenend Zijne handen uitbreidde over een zondige aarde. En wie merkt er op? In onbedachtzaamheid, in onverschilligheid gaat de mensch van nature zijn weg, inplaats van te wandelen met dagelijksche lofprijzingen in liederen en gebeden. Ja, hoe menigmaal worden vloeken en murmureeringen, spotternijen en lasteringen omhoog geworpen met een boos en vijandig hart, den Heere, God Almachtig, als in 't aangeaichte, om Hem op 't diepst te hoonen en te tergen.
Open vensteren in den hemel. Dat mogen Gods kinderen telkens ervaren. En daarom kunnen ze bij tijden ook zingen: „Ik hef tot U, die in den hemel zit 1 mijn oogen op en bid. Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heeren, om nooddruft te begeeren en 't oog der maagd is op haar vrouw geslagen, om hulp of gunst te vragen; zoo slaan wg 't oog op onzen HEER, tot Hg ook ons genadig zij." (Ps. 123). En wanneer de ziele welgesteld mag zijn, dan zingt ze: „in de grootste smarten blijven onze harten in den HEER gorust" of ook wel: „De God des heils wil mij ten herder wezen; 'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vreezen."
Neen, de ongeloovige wereld wil dat niet erkennen, dat er open venstersn in den hemel zijn. Gij kent immers allen die geschiedenis van dien verwaanden hoofdman in Samaria, waarvan we lezen in 2 Koningen 7. Die spotte er mee! Maar Elisa, de profeet, hield vol, om te prediken dat de Heere aan den volgenden dag overvloed van spijze zou geven iu de schier uitgehongerde stad — den hoofdman voorspellende, dat hij het zien zou, dat er geopende vensteren in den hemel zijn, maar dat hij, als straf voor zijn ongeloof en spotterng, van de spijze niet zou eten, maar den dood zou sterven. Eu we weten het, dat den volgenden dag de inwoners van Samaria overvloed van spijae haaldou uit het verlat«n kamp der Syriërs, bij welke gelegenheid de hoofdmaD, staande in de stadspoort, onder den voet geloopen werd door de opdringende menigte en dientengevolge ongelukkig aan 't eind van zijn leven kwam.
Ja, laat de wereld maar smalend spreken over deze dingen, laat de ongeloovige maar spottend het hoofdschudden; Gods kinderen mogen zelfs op het sterfbed wel eens ervaren, dat er geopende vensteren in den hemel zgn. En als dan niemand wat ziet of hoort, dan kan de stervende uitroepen: oort gij het gezang niet, dat daar van boven komt; ziet gij door de geopende ver stèren niet de heerlijkheid die daar boven is bij Gods engelen en bij de gezaligden ? [Na welke liefelijke voorbereiding de ziele vroolijk zingen kan: Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!) ik zal, ontwaakt. Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Uw godlijk beeld." (Ps. 17 : 8).
Maar, Gij voelt het, zullen we deze dingen zien en kennen, dan moeten er bij ons, in ons huis, in ons hart, ook geopende vensters zijn, die uitzicht geven op den hemel. Want ontbreekt dat, dan zien we niets, dan ontvangen we niets, dan zijn we verstoken van al het heil dat van boven afdaalt,
O! wat is de groote wereld, die onbedacht haar weg vervolgt, druk bezig in het najagen van ongerechtige dingen, toch diep ongelukkig en grootelijks to beklagen. Een hond kent z'n meester en het paard voelt zich aangetrokken door de stal van zgn heer, maar de mensch bekommert zich niet om God noch Zgn gebod. Jong en oud dartelt voort, ook in deze bange, deze ernstige tijden, zonder bidden of danken. Waarbij niets anders is te vreezen dan een openbaring van Gods straffen en straks een allerellendigst einde.
O! dat het harte onzes volks tot den Heere bekeerd mocht worden en dat in onze woningen open vensteren mochten worden gevonden, waardoor een Godzoekend harte uitziet naar den hemel. Wat zou het leven veel rijker, veel heer-Igker, veel gelukkiger zijn ; waarbg door de open vensteren onzer woning gehoord zou worden het blijmoedig jubellied: „Welzalig hg die al aijn kracht en hulp alleen van U verwacht, die kiest de weigebaande wegen: steekt hen de heete middagzon in 't moerbeidal; Gij zgt hun bron. En stort op hen een milden regen, een regen die hen overdekt, verkwikt en hun tot zegen strekt, "
Wij gaan u, aan de hand van onze tekstwoorden, spreken over Open vensteren en overdenken dan saam: Ie. hoe Daniels vijanden deze open vensters wilden sluiten; 2e. hoe Daniël zelf deze open vensters niet wilde missen; en 3e. hóe de open vensteren ten slotte Daniël tot voordeel en Daniels vijanden tot schade werden.
I. We worden verplaatst naar het rgk van Perzië, waar Darius, die Beltsazar overwonnen had, koning was. Het rgk der Meden en Perzen had Babel overvleugeld en vol heerlgkheid ontplooide aich Darius' macht. Weinig bizonders geeft Daniël ons in zijn boek aangaande deze dingen. Lange verhalen van veldslagen en van overwinningen krggen we niet. Ook geeft hij geen opsomming van verschillende regeeringen en koningen. We zien alleen, dat de droom van Nebucadnesar aanvankelijk in vervulling is gega-^n en het gouden hoofd — zijnde Babels heerlijkheid — vervangen is door de zilveren borst met zilveren armen — zijnde het rijk van Darius, straks van Kores of Cyrus, dar Perzen koningen. En dan gaat het om die gebeurtenissen, waarbg het uitkomt wat de wereld verzint om God te hoonen en Zijn geloovige kinderen te belagen — waarbg ook gelukkig mag blijken, dat de Heere de Zijnen niet verlaat, ook al dreigen duizend dooden en al wordt hot harte vervuld met de bitterste smart en de bangste zorgen, 't Welk dienen moet, om ons geloof in God te bevestigen en onze gehoorzaamheid aan Hem en Zijne heilige geboden aan te moedigen, want de dingen die te voren geschreven zijn, die »ijn tot onze leering en waarschuwing en vertroosting geschreven.
Denk maar aan de drie jongelingen, die weigerden te knielen voor het gouden beeld, in den gloeienden oven geworpen werden, maar wonderlijk verlost.
En dan krggen we nu weer een andere geschiedenis.
Daniël, als jongeling in Babel gekomen, ia intusschen een oud man geworden. Hij heeft de regeering van Nebucadnezar en van Beltsazar meegeinaakt en is nu een van de voornaamste stadhouders in het land der Meden en Perzen, waarover Darius koning is. Als 'n vroom jongeling was hij zijn levensloop in het land der ballingschap begonnen (lees hoofdst. 1) en in heilige godsvrucht was hg blijven voortgaan, doende het werk, dat hem door zijn koning werd opgedragen. In weerwil van aijn Joodsche afkomst.en zijn strenge vroomheid was hij bij den koning zéér geliefd en was hij verheven geworden tot't hoogste staadsambt, mede om zorg te dragen, dat de stadhouders en [oversten des volks in alles eerlijk zouden handelen en toe te zien dat d© Koning geen schade leed bij het innen van belastingen, ena. (6:3). Dat stak den stadhouders geweldig en zij zochten iets, om Daniël ten val te brengen.
Als een schaap tusschen de wolven stond Daniël daar. Aller oogen bespiedden hem bg zgn doen en laten, bij zijn in en uitgaan. „Maar" zoo lezen we in, vers 5 „zg konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was en geen vergrijp noch misdaad in hem gevonden werd."
Pas dat nu eens even toe op onze crisis-dagen, met distributie in handel, winkel en huisgezin, Pas dat eens toe op de christelgke gemeente, op degenen die godsdienstig aijn: getrouw in alles; geen vergrijp noch misdaad; geen gelegenheid gevend om iets te vinden, dat als oneerlijkheid kon worden gebrandmerkt." Is het niet, om beschaamd het aangezicht te verbergen voor God en voor de measchen? En dringt het niet, om toch vergeving te aoeken, ook voor deze ongerechtigheden, in het bloed van Christus, waarbg het Woord des Heeren tot ons komt: breek uwe zonden af door gerechtigheid en uwe ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen — dan zal er verlenging van uwen vrede zijn" (4:27).
De Vorsten en de Stadhouders van Darius lieten evenwel niet af, om iets te zoeken, waarmee ze Daniël konden treffen, en zij zeiden: wij zullen tegen dezen Daniël geen gelegenheid vinden, tenzg dat wij tegen hem iets vinden in de wet zgns Gods." (6 : 6) In zijn godsdienst zullen ziij hem een strik «p»hnen; om hem te stellen voor een keus:of aan God vast te houden maar dan den \ koning ongehoorzaam te zgn; of den koning getrouw te blijven, maar dan God ontrouw te worden. Dien kant moet het uit bij Daniël en, waar zij naar z^n val hunkeren en er naar verlangen dat hg bij den koning in ongenade zal vallen, daar overleggen ze onder elkander dat hij wel te vroom zal zijn om iets te doen in strijd met zijn godsdienst.
• Wat heeft Daniël een goeden naam, ook bij agn vijanden. Wat zijn aij er van overtuigd, dat hij God lief heeft meer dan iets op aarde; dat hg het ernstig meent en het nauw neemt met zijn godsdienst; dat er bij hem geen plooien en schikken is, om twee heeren tegelgk te dienen.
Daarin heeft Daniël groote genade van zijn Ood ontvangen, dat hij alzoo mag bekend staan, ook bg zgn vganden.
0! moet het niet eigenlgk alt^d soo zijn: dat de christen de beste burger is ? Moet onze godsdienst niet waarheid en oprechtheid vertoonen voor vriend en vijand? Moet onze godsdienst niet belichaamd worden in een wandelen naar Gods geboden en in een handelen naar recht en gerechtigheid!
Ja — de duivel spant hier zooveel strikkea en de wereld verheugt zich, als er bg de christenen alles op door kan. Maar de Heere is een jaloersch God en de ziele zal alleen vrede en vreugd kennen, wanneer we, door de bevelen Gods klaarlgk vermaand, in 's Heeren wegen wandelen in oprechtheid met een volkomen hart. „Bg den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht; bg den reine houdt Gij U r«in, maar bg den verkeerde bewijst Gij U een worstelaar" lezen we iu PB. 18. Laten we dat bedenken, Het zij dienstbare, 't zij vrije; 't zij arm», 't zij rijke.
Wat doen nu de vorsten en stadhouders? Ze weten den koning met z'n allen („met hoopen" zegt 't 7de vers van ons teksthoofdstuk) te bewerken, dat er een koninklgke ordinantie zal gesteld worden, dat al wie in dertig dagen een verzoek doen zal van eenigen God of; mensch, behalve van den koning, die j zal in den kuil der leeuwen geworpen i worden, (vers 8)
Darius zelf had dat niet bedacht, maar : 't werd hem voorgelegd. En eigenlgk was 't ook wel vereerend voor hem dertig dagen achtereen als een „god" te tronen boven aijne onderdanen. De heidensche afgoden werden buiten dienst gesteld. En aller oogen zouden agn op den koning, aller handen zouden zich: naar hem uitstrekken. Meer dan een vader of moeder voor een kind was of d« heer of de vrouw voor den dienstknecht en de dienstmaagd, zou Darius nu zijn voor aijn onderdanen. Wel vleiend voor den Oosterschen vorst I En het gebod werd uitgevaardigd, het geschrift werd geteekend en het lag daar als een wet van Meden en Persen, welke niet mocht herroepen worden, (vers 9)
De bedoeling ia doorzichtig. Onder den schijn van den koning eere te geven en hem te stellen onder, ja boven de goden — is de toeleg van d«n vijand, om Daniël in de moeite te brengen. Ook Daniël zal nu niet mogen bidden tot agn God. Hij zal van aijn godsdienst wat moeten laten vallen. Of.... hg zal zelf ten val gebracht worden, 't Zal nu worden kieaen of deelen; 6f Gode eere geven i en dan te vallen in de handen van menschen; óf menschen te gehoorzamen en dan van zijn God te vervreemden en in ongehoorzaamheid te wandelen voor het aangezicht van Hem, die een jaloersch God is, ijverend voor de eere Zijns Naams.
Hier ligt voor ieder telkens zoo groote verleiding, om met z'n christelijke beginselen, om met z'n godsdienst soms wat te schikken en te plooien; om wat te geven en te nemen. Niet al te rechtvaardig. Niet al te streng. Niet al te fijn. Niet al te vroom. Gedurende de de dagen der week kan dat zoo lastig zijn. En 's Zondags kan het ook wel eens moeilgk wezen. Als men met vreemden omgaat, als men handel drijft, als men een winkel heeft, als men soldaat is, als men student is, als men een vrouw of een man zoekt. Ja — 't leven geeft" zooveel, waarbg 't zoo gemakkelijk zou wezen, als men z'n godsdienst wat op zij kon zetten. Maar.... is het voor het kind geen beproeving, met smart, om van z'n ouders verweiderd te worden? Kan de visch buiten het water, de vogel buiten de lucht leven? Kan een fontein, vol van water, ophouden met springen en een bron met borrelen ? Kan een rivier nalaten te stroomen eu de ze@ nalaten te rijzen en te dalen op gezette tgden?
En ziet, veel minder kan het harte, dat waarlijk God vreest, ophouden te belijden: nevens U heb ik niets in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde." God kwijt is alles kwijt. En gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen, schreeuwt het harte van Gods kind tot den Heere, om dichtbg Hem te mogen verkeeren. Dan is het: Uwe goedertierenheid is beter dan het leven" (Ps. 63:4) en de belijdenis des harten is; „wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis". (Ps. 65:5)
O, als de ziele welgesteld mag zgn dan vindt de geloovige meer in den Heere dan in de wereld, meer in Christus dan in gunst van menschen. En juist als de wereld dan dringt en dreigt en het leven zoo moeilijk en zwaar is, dan vlucht de geloovige zoo gaarne naar de opperzaal, naar het bidvertrek, om daar in de richting van den hemel te turen en met biddingen en smeekingen te roepen tot God, in den naam van Jeaus Christus, Sions Borg en Voorspreker.
Dat lezen we ook van Daniël.
Zooals de compasnaald trilt en draait en telkens zich wendt naar het Noorden, zoo vlucht Daniël naar zijn bidvertrek ' en valt daar neer voor z'n open venster, dat uitsicht geeft in de richting van Jeruzalem, om in den gebede gemeenschap te oefenen met den God des eeds en des verbonds, van wien elk kind van God ten slotte getuigt: welgelukzalig is hij die den God Jakobs tot zijne hulpe heeft, wiens verwachting op den HEERE zijnen God is. (Ps. 146 : 5)
OI het moet maar echt aijn met onsen godsdienst, dan dulden we niet, dat eenig schepsel zich stellen zal tusschen ons en den Heere. Dan is het zóo bij ons, dat we liever met God gesmaad worden en schade lijden, dan zonder God eere en voordeel verkrijgen. Want God verloren is alles verloren en als de Heere met ons is, wat zal een nietig mensch ons dan doen?
Maar.... wat is het harte boos en arglistig. Wat is de kracht om staande te blijven gering. Wat dreigen elk oogenblik gevaren en wat is het struikelen en vallen gemakkelijk. O! dat we ook voor déze zonden toch maar bedekking zoeken in Christus' bloed en er naar mogen staan om door Gods genade bewaard en gesterkt te worden, naar Zijne heerlijke belofte: „Mijne genade is u genoeg, Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht."
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's