De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Na 300 jaren.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Na 300 jaren.

10 minuten leestijd

Gedenk aan de dagen van oudt. Deut. 32:7.

1618—1918. I

Den 13en November van dit jaar zal het 300 jaren geleden zijn, dat de nationale synode te Dordrecht plechtig werd geopend in de bovenzaal van den Kloveniers-doelen. Uit naam der Staten-Generaal had deze opening plaats bij monde van den Gelderschen raadsheer Martinus Gregoriï.

Het samenkomen dezer Synode werd van zooveel gewicht geacht, dat er een algemeene biddag was uitgeschreven, die den 17en October 1618 werd gehouden.

Onmiddellgk aan de opening zelve gingen twee godsdienstoefeningen vooraf, de ééne onder leiding van den Dordtschen predikant Balthasar Lydius, de andere geleid door de Tours, Waalsch predikant te Middelburg; deze predikte in de Fransche taal, ten dienste van de buitenlandsche afgevaardigden. Dezen werden, na afloop dezer godsdienstoefening teruggekeerd naar hun tqdelijke verblijven, vandaar afgehaald, ieder door twee daartoe aangewezen gecommitteerden, en geleid naar de vergadgraaal.

Hier sprak dè zooeven genoemde predikant Lydius in het Latgn een korte rede uit; hij herinnerde hierbij aan het woord van Achab: die het harnas aangespt, beroeme aich niet als hij, die het heeft afgelegd" (1 Kon, 20 : 11), en ging daarna voor in het gebed, waarbg hg den droeven staat der Kerk hier te lande voor 's Heoren aangezicht beleed, en smeekte om het licht en de leiding des Heiligen Geestes, opdat zij het heilig Woord Gods recht mochten verstaan, en met eerbied behandelen; opdat zij niemand mochten misleiden door de Schrift, en er zelvea niet in dwalen mochten, maar bg hun zoeken van de waarheid in de Schrift, die vinden, en, na haar gevonden te hebben, met een standvastig geloof verdedigen. Op het gebed voJgde een korte toespraak tot de buitenlandsche afgevaardigden; hg dankte hen, dat zij hun land en gezin en arbeid hadden willen verlaten, en in dit ongunstig jaargetijde zich hadden willen blootstellen aan de gevaren van de reis overland en overzee.

Tenslotte verzocht Lydius den Politieken Commissarissen, de Synode te openen. Uit hun naam wees Gregoriï in een korte toespraak op den gevaarlijken toestand, die voor de rust en den welstand in kerk en staat noodlottig dreigde te worden, en aanleidisg was tot het saamroepen van deae doorluchte Kerkvergadering. Hg sprak de hoop uit, dat eenheid zou blijken, en verklaarde de vergadering voor geopend.

Zoo ving de eerste zitting dezer nationale synode aan, welke zou blijven vergaderen tot in Mei van het volgende jaar.

Op den Hemelvaartsdag, den 9en Mei van het jaar 1619, had, in de 154ste zitting, de plechtige sluiting plaats met plechtige toespraken en gebed.

Van het verhandelde in deze 154 zittingen zal hier één en ander nog wel ter sprake komen.

Of zou het kunnen blijven louter bij de vermelding van het feit, dat nu voor 800 jaren die groote synode is gehouden ?

Geenszins.

Israel, het oude volk Gods, werd telkens vermaand, de daden des Heeren in het verleden te gedenken. De vaders worden aangespoord hun' kinderen te vertellen van de verlossingen Gods, van de bevrgding uit de slavernij, van den machtigen arm des Heeren, die den Farao deed omkomen en het volk Zijns verbonds deed doortrekken door de Roode Zee. De vaders moeten weten en de kinderen moeten hooren van de omzwervingen door de woestgn, van de trouw Gods, die Zijn volk spijsde en bewaarde. Zij moeten leeren beseffen, wat het is, dat hen gemaakt heeft tot hetgeen zij zgn.

Ook in het lied van Mozes, Deut. 32, treffen wg een dergelijke opwekking aan. Zij is aan het hoofd van dit artikel gezet: „gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uwen vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen." En dan volgt als in vogelvlucht een overzicht van Israels historie tot op het moment, dat zij aan het eind der woestgnreis, aan de grens van het beloofd© land staan. Heel die historie spreekt van verkiezende liefde, van bewarende trouw, van vergevende genade van 'e Heeren zijde, en van afval, ondank, af keerigheid, onverstand en hardnekkigheid aan de zijde van Israel.

Als het zoó gebeurt, kan er in sulk herdenken een rijke aegen liggen, en een gezegende vrucht er uit rijpen.

De begeerte, de behoefte om te gedenken, is bij den ménsch zoo natuurlijk. Althans, wanneer hij op rijper leeftgd is gekomen. Nog niet in de jeugd. Wie jong ie, leeft vooruit; hij grijpt naar een ideaal, hij worstelt om de verwezenlijking van zijn droomen; hij haast en jaagt; niet aan het verleden voelt hij zich gebonden, maar door wat vóór hem ligt, zich getrokken ; hij merkt nog niet, dat er achter hem zooveel is, dat hem steunt en drijft; hg let alleen op de toekomst, die hem wenkt.

Maar de mensch, die rgker wordt aan inaicht, en rijper in levenservaring, ziet het anders. Hg vindt zulk gedenken niet vervelend; het boezemt hem belangstelling in; hij komt er als vanzelf toe, bij allerlei gelegenheid. Op rijper leeftijd, als het bloed niet meer zoo bruist door de aderen, als er niet alleen drang tot actie is, maar ook bezonnenheid en bezonkenheid komt, begint gij te begrijpen, hoe er samenhang en lijn is in uw leven; hoe uit de bouwstoffen van het verleden het heden wordt opgebouwd. Wat in het heden rijpt is een vrucht; de zaden daarvan zgn gelegd, ontkiemd, hebben gebloesemd in voorbijgegane tgden. Het heden wordt gedragen door het verleden, waaruit het opkomt.

En wat geldt van den enkelen mensch, is in nog sterker mate waar van een volk. Ook voor een volk is „gedenken" zoo natuurlijk, en zoo goed. Tenminste als het gebeurt op de rechte wgze, zooals het Woord des Heeren het aanwgst.

Een volk, dat geen verleden, geen geschiedenis heeft, mist ontzaglijk veel. Men zegt, dat dit bijv. door de Amerikanen als een gemis wordt gevoeld: ssij hebben als volk nog geen historie, die eeuwen beslaat; in hun steden verheffen zich wel de reuzengebouwen torenhoog, maar tevergeefs zoökt men er de oude, door den tijd verkleurde gevels, de plekjes, waaraan een dierbare herinnering is verbonden, waar de stem van het verleden spreekt, en gedaanten uit een roemrijk verleden voor het oog des geestes oprijzen. Zeker, zg hebben den durf, het aanpakken, de energie van de jeugd; zij worden niet belemmerd door den sleur, zijn niet geslagen in de boeien eener taaie traditie; maar velen van hen stellen er toch een eer in, te stammen uit een oud geslacht, en een naam te dragen, die herinnert aan het oude Europa.

Zóó sterk wordt daar, over den Oceaan, de beteekenis der historie, de waarde van het „gedenken" beseft.

Zullen wij dan het verleden vergeten ? Zullen wg niet gedenken?

Zal het gereformeerde volk dan met stilzwijgen voorbggaan, wat de Heere in de dagen der Dordtsehe Synode voor Zijne Kerk heeft gedaan? Zal het niet herdenken, wat toen is geschied ? Zal dit niet als vanzelf voor hun besef herleven, en in zijn belangrijkheid aan hun geestesoog voorbijgaan?

Maar dan moge het geschieden gelgk het behoort, d.w.z, in eene lijn, die Gods Woord ons aanwgst.

In ieder talent, dat de Heere schenkt, schuilt een gevaar, vanwege onze zondigheid. Geen voorrecht, van Godswege genoten, of het kan verketrd worden gebruikt.

Zie het aan Israel zelf, dat toch ook door zijn God wordt vermaand, de dagen van ouds te gedenken. Bij de groote feesten had de huisvader in den kring van het gezin te gewagen van de groote daden Gods, die Israel verkoor.

Heel Israels historie sprak van de gunst, die God Zijn volk bewees. En het besef hiervan was diep in de volks-ziel ingezonken; onuitroeibaar was in hen het bewustsijn, dat zij het volk des Heeren waren.

Doch wat werkte dit uit? Zien wg niet, in menige periode van Israels bestaan, dat dit bewustzijn hen zorgeloos maakte, inplaats van hen nauw te doen leven naar den eisch van het verbond? Was er niet in Jeremia's dagen zulk een verblinding over hen gekomen, dat zg aan de mogelijkheid van een' gericht zelfs niet geloofden? Hun zonden en afwijkingen zagen zij niet, de oordeelen Gods kwamen nader als de zich samenpakkende wolken van een dreigend onweder, en zij bleven maar roepen: „des Heeren tempel, des Heeren tempel is hier."

Maar straks blijkt Jeremia, de prediker van het gericht, toch het woord Gods te hebben gesproken; niet de valsche profetan, die riepen „vrede, vrede"; Jeruzalem ^^iel, en het volk werd in ballingschap naar Babel gevoerd.

Herinnerd te worden aan Gods gunst en groote daden mag nimmer een valsehe gerustheid kweeken. Wel is Gods verbond onverbreekbaar, en zijn Zijne genadegaven onberouwelijk. Maar daarom zal Hij niet nalaten. Zijn volk onder de roede te doen doorgaan, en hen te tuchtigen, wanneer zij van Hem zich afkeeren, of zich verheffen op een roemrijk verleden, waarvan zij de gunst en de roeping niet beseffen.

Gedenkt de dagen van ouds. Te Dordreeht is de gereformeerde belgdenis opnieuw bevestigd, en zijn de gereformeerde beginselen vastgelegd tegenover die van het Remonstrantisme. En er is alle reden, om dit met dank te herdenken.

Doch wat zal het baten, als men roept om de gereformeerde beginselen, en zich laat voorstaan op zgn gereformeerde belgdeni», wanneer niet tevens wordt ingezien, dat het roemen in een grootsch verleden volstrekt geen waarborg geeft voor de doorwerking van de beginselen in het heden?

Ieder persoon, iedere groep, ieder volk wordt gesteund en gestuwd door agn verleden. Wg leven als individu, als Kerk, als natie, tendeele van hetgeen ons door de voorgaande geslachten is overgeleverd.

Wéé echter, wanneer dit alles, wanneer dit het eenige zal Dan komt er  verval, achteruitgang, inzinking. Menig nazaat van een oud en adellijk geslacht heeft weinig anders dan zgn' naam, (van de oude familie-traditie, om hem oygt. eind te houden. Zijn veerkracht is ver. slapt, zgn actie verlamd; hij teert op den ouden roem, en slaapt in op het oorblazen; maar men gaat aan hem voorbij en rekent niet meer met hem; hij heeft afgedaan; zijn adeldom moge hem. zelven verheugen, zijn gevoel streelen' doch op zijn' tijd oefent hij geen invloed!

Het gedenken van de dagen van ouds moet iets anders tot resultaat hebben dan de inbeelding, dat wg zouden kun. nen teren op den ouden roem.

De erfenis uit het rijk verleden moet niet een schat zijn, die veilig ligt opgeborgen in een ontoegankelijken schuilhoek, die nu en dan eens wordt voor den dag gehaald, bewonderd, te pronk gezet. Dan is het een dood en werkeloos verleden. Neen, zij moet zijn als een kostelgk kapitaal, dat zijn vruchten afwerpt in het heden; dat niet renteloos is, maar als een rijk en vruchtbaar beginsel zijne werking doet zien.

Nazaten en geestverwanten van de mannen van Dordf, dat moet een eeretitel, een roem zijn voor het Gereformeerde volk van dezen tijd.

Doch dan niet sóó, dat de Gereformeerde beginselen worden opgeheven enkel als een leuze, als een vlag, die allerlei vreemde lading dekt; maar zoo dat de levenskracht en de strekking en de stuwkracht dier beginselen wordt ge. zien; dat hunne beteekenis worde beseft voor het persoonlijk en kerkelijk leven voor staat en maatschappij, voor denken en doen, dat gevraagd en gestreefd worde naar hun toepassing op allerlei levensterrein.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Na 300 jaren.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's