Staat en Maatschappij.
De Troonrede.
De Troonrede waarmede dit jaar. de gewone sitting van de beide Kamers der Staten-Generaal werd geopend, is een kloek stuk, dat-getuigenis aflegt van grooten ernst en besliste overtuiging.
Ten opzichte van de belijdenis, die de regeering daarin aflegt, wijkt hetStaatastuk in gunstigen zin heel wat af van da openingsrede, welke het vorig jaar door den Minister van Binnenlandsche Zaken werd uitgesproken.
Toen kwam het zelfs zoover, dat tot veler ergernis Gods Naam verzwegen werd, en scheen het, alsof de regeeriug het niet noodig achtte, om Hoogeren zegen over de werkzaamheden der Staten-Generaal in te roepen.
Maar hoe geheel anders was het dit keer
Reeds de aanhef der Troonrede grijpt aan, waar de Landsvrouwe verklaart behoefte te hebben om uiting te geven aan de zorg en de smart, die de buitengewone nooden van ons volk, waarmede zg zonder ophouden medeleeft en mede gevoelt, in Haar opwekken.
Op dit koninklijke woord, dat getuigt i van eene innige verknochtheid van ! Vorstin en volk laat de Koningin dan onmiddellijk volgen : „Te grooter is de dankbaarheid, waarmede ik jegens God vervuld ben, nu voor ons land de vrede bewaard bleef."
Treffend staat met deze danktoon in verband het slotwoord van de Troonrede, luidende: „Met de bede, dat God ons volk in eendracht moge sterken en door de zware tijden tot betere dagen moge voeren, verklaar ik de gewone zitting der Staten-Generaal geopend."
Hior wordt positief christelijke taal gehoord, die tot groote erkentenis moet stemmen.
Ook treft men het stempel van het Kabinet aan in de Indische paragraaf.
Daarin wordt dankbaar de steun aanvaard van den arbeid der christelijke Zending; voorts wordt gezegd, dat tegen drank-en opiumgebruik de strijd krachtig zal worden voortgezet, en eindelijk zal de verzorging van de geestelijke en stoffelijke belangen der Indische bevolking de voortdurende aandacht hebben.
Met instemming xal zijn vernomen, wat iu de Troonrede voorkomt over de uitvoering van art. 192 der Grondv? et en over de invoering van de wetten-Tal ma.
Ten aanzien van het eerste punt wordt toegezegd, dat ds uitvoering van art. 192 der Grondwet ten spoedigste en met kracht zal worden ter hand genomen, waar nog bijkomt, dat zonder dat deze uitvoering wordt vertraagd, ter wille van de billijkheid, onverwijld de noodige voorstellen zullen worden ingediend tot wegneming van de steeds toenemende ongelijkheid in bezoldiging van openbare en bijzondere onderwijzers.
Vooral voor onze onderwijzers verheugen wij ons over deze toevoeging in de onder wij sparagraaf.
En met betrekking tot het tweede punt luidt het, dat aan de invoering van Talma's wetten ïonder vertraging gevolg zal worden gegeven. .
Moet dit alles tot grooten dank stemmen, toeh kwam het in de Troonrede niet verder dan tot het aangeven van voorstellen in het algemeen. De bijzonderheden bleven uit.
Zoo tasten we ook nog in het duister omtrent de maatregelen, welke zullen genomen worden, om in den toestand van 's lands schatkist, die steeds meer zojgwekkend wordt, verbetering te brengen ; over de voorzieningen, die zullen getroffen worden, om gebrek aan de noodzakelgke levensbehoeften te voorkomen ; over de poging, die beproefd zal worden om de lasten der mobilisatie, zonder vermindering der weerkracht te verminderen, enz.
Hoe dit alles intusachen zij, het Koninklijk woord heeft ons volk bemoedigd en daarvoor zijn wij dankbaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's