De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Na 300 jaren.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Na 300 jaren.

9 minuten leestijd

Gedenk aan de dagen van ouds Deut. 32:7.

1618—1918. II.

Alvorens te vragen, wat het werk der Synode van Dordt voor onzen tijd beteekent, willen wq enkele bijzonderheden van deze Kerk-vergadering in het geheu gen terugroepen.

Zij was samengesteld uit afgevaardigden uit het buitenland en het binnenland.

Als buitenlandsche leden waren bij de opening d«r vergadering drie en twintig godgeleerden aanwezig, een getal, dat later nog met enkelen vermeerderde.

Zij kwamen uit Engeland, de Pfaltz, Hessen, Geneve, Bremen en Bmden; werden met groote gastvrgheid te Dordrecht ontvangen, en door de Staten op royale wijze onthaald. Geen wonder, dat de meesten met lof over hun verblijf spraken, en op de laatste zitting met de buitenlandsche afgevaardigden gehouden den 9den Mei 1619, het afscheid werd genomen met een bewogen hart.

Vooral de afgevaardigden van Geneve waren met groote onderscheiding behandeld ; misschien had hierop wel eenigen invloed dat deze mannen uit de stad van Calvijn een schrijven namens hun Kerk aan de doorluchte vergadering medebrachten, dat zoozeer in goede aarde viel, dat besloten werd, het algemeen bekend te maken, en in de Handelingen der Synode op te nemen. De Kerk van Geneve gaf daarin uiting aan haar droefheid over de tweedracht, die in de kerken van Nederland heerschte, sprak haar vreugde uit over het bijeenkomen der Synode, Vfin welke zij hoopte, det zij het kwaad zou kunnen genezen, en smeekte den zegen Gods over haar' arbeid af.

Voor de afgevaardigden van Bremen liad men iets minder crediet; van den aanvang stonden zij in den roep, dat zij in meerdere of mindere mate overhelden naar de gevoelens der Remonstranten.

De inlandsche afgevaardigden der Kerk waren 56 in getal: zeven en dertig predikanten en negentien ouderlingen.

Daarbij kwamen nog vijf hoogleeraren evi achttien commissarissen-politiek.

Bij den aanvang was dus de vergadering omtrent 100 leden sterk, hoewelzij nog niet geheel voltallig was.

In handen van de commissarissen-t politiek was de regeling van den uitwendigen gang van zaken, terwijl de leiding en handhaving van de inwendige orde berustte bij den president, die in de 2de zitting was gekosen, Johannes Bogerman, predikant te Leeuwarden.

Op hem rustte een ontzaglijk zware taak, waarvan hij het gewicht en de verantwoordelijkheid terdege gevoelde; hij aanvaardde haar in het besef daarvan, wees op de zwakheid van zijn lichaam maar zeide, ta steunen op d« macht en genade Gods, en berustte daarom in de op hom uitgebrachte benoeming.

Tegelijk met den voorzitter werden ook de overige led«n van het bestuur der vergadering gekoaen, als bijzitters de predikanten Jacobus Rolandus, van Amsterdam, en Hermannus Faukelius, van Middelburg; als scriba's Festus Hom-'mius, van Leiden, en Sebastiaan Damman, van Zutfen.

Bovendien was aan Bogerman nog toegestaan door de Staten-Generaal, zich Amesius toe te voegen als persoonlijken secretaris, en om hem met zijn raad bij te staan. Geen wonder dat dit zestal bekwame, en ten deele zeer geleerde mannen, over veel invloed beschikten, en dezen op den gang van aaken niet zelden deden galden: op hunne vergaderingen ten huize van Bogerman, waarbij ook enkele andere leden der Synode, door haar aangewezen, tegenwoordig waren, werd de orde der te behandelen zaken vastgesteld, en werden de besluiten voorbereid.

Wat aan de Dordtsche Synode de meeste bekendheid heeft gegeven, ia de wijze waarop zij de leeringen der Remonstranten heeft bestreden, en haar eigen meeningen heeft geformuleerd.

Toch is dit, hoewel het voornaamste, niet het eonige werk gewaest, door haar verricht.

In de vierde zitting was besloten eenige Remonstranten, n.m.l. den hoogleefaar Episcopius en twaalf predikanten op te roepen om binnen 14 dagen voor de Synode te verschijnen. De Statea-Generaal had n.l reeds in 1617 ten opzichte vau de te houden Synede vastgesteld, dat daar allereerst zouden behandeld worden de vijf controverse artikelen, en de hieruit gereïeu moeilijkheden.

Doch den tijd, die verloopen moest éér de opgeroepen Remonstranten konden verschijnen, bracht men niet met afwachten door. Er werd beraadslaagd over de vertaling van den Bijbel, reeds lang als een behoefte gevoeld, en te lang reeds uitgesteld.

Op verschillende provinciale en algemeene Synoden was de zaak eener nieuwe bg bel ver taling ter sprake, doch nog niet veel verder gebracht. Voor de Dordtsche Synode was het weggelegd, den voornaamaten stoot t© geven, die het werk straks in gang zou zetten.

De zitting, waarin deze zaak ter tafel kwam, (de 6e, op den 19den Nov.) werd door Bogerman met een bijzonder plechtig gebed geopend; daarna zette hg het belang en de noodzakelijkheid eener nieuwe vertaling uiteen.

Terwijl de buitenlandsche afgevaardigden het oordeel hierover gaarne aan die uit het binnenland overlieten, hoewel zg nochtans hun adviezen over de wijse van arbeiden niet wilden achterhouden, stemden de inlandsche Godgeleerden zonder onderscheid hierin overeen, dat een betere vertaling dan die er tot dusver bestonden dringend noodig was.

Eenstemmig waren allen ook hierin, dat men niet moest pogen, een bestaande .vertaling te verbeteren, maar een geheel nieuwe moest tot stand brengen.

Met algemeene stemmen werd besloten een nieuwe vertaling te doen bewerken, waarbij men echter van de bestaande gebruik zou maken, voor zoover dit mogelijk was.

De regels, waaraan de vertalers bij hun arbeid zich zouden te houden hebben, werden vastgesteld ; bepaald werd o. a. dat aan ieder boek en ieder hoofdstuk een korte, nauwkeurige inhoudsopgave zou voorafgaan, dat op den rand de gelijkluidende plaatsen der H. Schrift zouden worden aangegeven, en een korte verklaring zou worden bijgevoegd, wanneer daardoor van een vertaling van een duistere plaats rekenschap kon worden gegeven. Was het noodzakelijk, om voor een goede vertaling eenige woorden in te voegen, die in den grondtekst niet voorkwamen, dan zouden dese met een kleiner letter worden gedrukt en tusschen haakjes geplaatst, opdat men ze van den eigenlijken tekst zou kunnen onderscheiden.

Ten aanzien van de Apocriefe boeken bleek er nog al verschil van meening te bestaan, niet alleen tusschen de uitlandsehe en de binnenlandsche leden, maar ook tusschen de afgevaardigden uit het binnenland onderling.

Ten slotte werd bij meerderheid van stemmen besloten, ook de Apocriefe boeken opnieuw uit het Grieksch in het Nederlandsch te vertalen; wel zou hierbij niet dezelfde nauwkeurigheid behoeven in acht genomen te worden als voor de Canonieke boeken was voorgeschreven.

Ook zou duidelijk moeten blijken, dat zij niet op één lijn werden gesteld met de Canonieke boeken: een afzonderlijk titelblad en een behoorlijke tusschenruimte zou hen moeten scheiden en onderscheiden van de Canonieke, en een aparte voorrede zou den leser duidelijk moeten inlichten over hun waarde, en over de dwalingen, die zij bevatten. Zij moesten afzonderlijk gepagineerd, en achter de boeken van het N. Testament worden opgenomen, „opdat het volk ze des te beter van de Canonieke geschriften leerde onderscheiden en onderkennen."

Het aantal overzetters werd bepaald op zes; het zouden mannen moeten zijn in theologische zaken en in de talen zeer ervaren, en vroom; drie zouden zich bezighouden met de overzetting van het Oude, drie met die van het Nieuwe Testament en van de Apocriefen.

Zij zouden zich vestigen in een Academiestad, en naar eigen oordeel gebruik mogen maken van de hulp der hoogleeraren zoowel in de Godgeleerdheid als van die in de Hebreeuwsche, Chaldeescbe en Grieksche talen. Bovendien zouden een openbare bibliotheek en andere noodzakelijke hulpmiddelen te hunner beschikking zijn.

Verder werd besloten, uit elke Nederlandsche provincie een tweetal revisoren te verkiezen, één voor de vertaling van het Oude, één voor die van het Nieuwe Testament, Zij zouden van de vertalers een exemplaar van ieder bijbslboek ontvangen, zoodra dit gereed was, en de bevoegdheid hebben, overleg te plegen, met andere broeders uit classis of provincie.

Was de geheels vertaling gereed, dan zouden overzetters en overzieners samenkomen in de stad, waar de vertalers arbeidden, beraadslagen en beslissen over den vorm, waarin de nieuwe vertaling zou worden in het licht gegeven.

De Synode was van oordeel, dat een tijd van vier jaar genoeg zou zijn om het werk te voltooien, maar wilde toch de vertalers aan dien termijn niet binden.

Men zou, zoo werd althans bepaald, beginnen drie maanden na het uiteengaan der Synode, en om de drie maanden zouden de vertalers aan de Staten-Generaal vertoonen, wat zij hadden bewerkt, en het zenden aan de overzieners.

Vertalers en overzieners werden benoemd. De drie door de Synode voor de vertaling van het Nieuwe Testament benoemde mannen zijn allen overleden vóór het werk was tot stand gekomen; hun taak werd overgenomen door twee der door de Synode aangewezen secundi, n.l. Pestus Hommius, pred. te Leiden, en Antonius Walaeus. pred. te Middelburg, van welke beide vooral de eerste het leeuwendeel had in de vertaling van het Nieuwe Testament.

Van de drie voor het Oude Testament aangewezen vertalers heeft alleen de bekende Johannes Bogerman de voltootiing van het werk beleefd.

Men zou 1637 schrijven, aleer dese „Statenvertaling" in druk verscheen. Maar aan de Synode van 1618/19, die in hare zittingen van den 10den tot den 27 sten Nov. haar aandacht aan deze zaak wijdde, de voorbereidende maatregelen nam, en de noodige besluiten vaststelde, komt toch de eer toe, dat zij den stoot heeft gegeven tot een arbeid, die eeuwen lang zijn beteekenis heeft gehad.

Dit gedeelte van het werk der Dordtsche Synode moge eenigssins op den achtergrond zijn gedrongen door de verhandelingen met en de besluiten tegen de Remonstranten, het is echter van niet gering belang geweest, en het zou ondankbaar zijn van esn nageslacht, dat zijn Staten-vertaling kent en waardeert, over het hoofd te zien, wat te Dordt is godaan, om ons volk te helpen aan een bijbel, dien het kon lezen en verstaan.

In dit verband willen wij niet de vraag aan de orde stellen, of niet de tijd gekomen is voor een nieuwe vertaling; of niet veel in den arbeid der statenvertaleis voor verbetering vatbaar is; men kan toegeven, dat voortgezet wetenschappelijk onderzoek nieuwe inzichten heeft verschaft, die ook op de vertaling hun invloed zouden hebben ; men kan erkennen, dat woorden en uitdrukkingen door de Statenvertalers gebezigd, voor velen onxer tijdgenooten onverstaanbaar zgn geworden, omdat zij uit onze schrijf-en spreektaal allengs zijn verdwenen.

Maar dit is ook zeker, dat velen de taal der H. Schrift niet meer verstaan, omdat zij vreemd zgn aan den geest der Schrift, en zijn opgegroeid buiten de beademing van het Woord Gods. Zeker is dat zeer velen, die met de Schrift zijn opgevoed, gevoed en gedrenkt, ook de taal der Statenvertaling nog zeer wel verstaan.

Indien ook binnen afzienbaren tijd een nieuwe vertaling tot stand komt, zal zij ongetwijfèld niet dien invloed hebben op en dien ingang vinden bg ons verscheurde en verdeelde en aan de Schrift ontwende volk, als de Statenvertaling had, door de Kerk voorbereid op de Synode van Dordrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Na 300 jaren.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's