De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Mattheüs-Passion.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Mattheüs-Passion.

7 minuten leestijd

*Waar wij een stuk over de Mattheüs-Passion overnamen uit „Timotheus" is het billijk, dat we hier ook laten volgen wat in de Chr. Pers zich tegen de beschouwing van den heer Voorhoeve heeft geopenbaard.

Zoo schrijft de heer Ph, Zalsman van Kampen in „de Bazuin": „Naar miijn bescheiden meening lijdt het stuk (van den heer Voorhoeve in Timotheus) in hooge mate aan eenzijdigheid. Het is een groote fout van den heer V, dat hiij dingen zegt, die op zichzelf waar en juist zijn en daardoor een grooten schgn van bewijskracht hebben, maar die, wel beschouwd, niet toepasselgk zijn op het punt in kwestie. Dat is altijd een zeer gevaarlijke bewiijstrant, maar vooral in een zaak waarin zeer weinigen tot oordeelen bevoegd zgn en velen zich zoo licht door zulk een schgngrond laten overtuigen, "

Ds, Heersink van Nieuweroord, spreekt zich, ook in „de Bazuin" aldus uit: „Met den geachte schrijver ben ik het eens, dat een componist bij het toonzetten van zulke heerligke onderwerpen als het lijden en sterven van onzen Heere Jezus Christus, zeer licht gevaar loopt, de grenzen van het heilige te overschrgdon en tot het profane over te slaan. Maar ik geloof niet, dat deze gedachte ook maar eenigszins met de Mattheus-Passion van J. S, Bach in verband mag worden gezet.

Ook is de opmerking juist, dat het uitvoeren van dergelijke oratoria, helaas, in den regel geschiedt door personen, van wie men redelijker wiijze onderstellen moet, dat hun hart aan het heilige, waarvan hun mond zingt, ten eenenmale vreemd is; dit is, zonder twijfel, betreurenswaardig, vooral voor die personen zelf, maar het doet aan de waarde van het stuk en óok aan zijne uitvoering niets af, mits deze laatste maar geschiedt overeenkomstig den hoogen eisch, welke het stuk zichzelf en zijn uitvoerders stelt.

Ik zou echter wel eens de vraag willen stellen, hoe het toch komt, dat dergelijke meesterwerken doorgaans uitsluitend door ongeloovige zangers moeten tengehoore gebracht ? Zou de reden hiervan ook kunnen gelegen zgn in de weinige belangstelling, welke de toonkunst over 't algemeen van de ziijde der geloovigen geniet? Het is, helaas, een feit, dat de muziek, biij zonder in hare hoogere kunstvoortbrengselen door hen niet dan bij uitzondering gezocht, gekend, gewaardeerd en beoefend wordt. Het op passende wgze ten gehoore brengen van een hoogstaand kunstwerk als de Mattheus-Passion is op zichzelf reeds een uiting van kunst, die alleen dè, n kans van slagen heeft, als ze geschiedt door een koor van in de zangkunst volledig geoefende zangers: zangers dus, die het tot een bepaalde hoogte in de beoefening van de zangkunst gebracht hebben. En nu is 't zoo, onder zulke geschoolde en in de kunst bedreven zangers worden er, helaas, zeer weinig gevonden, die waarlgk leven big Goden Zijn Woord; vandaar het door den schrijver terecht gewraakte verschijnsel, dat bij 't-uitvoeren van de Mattheus-Passion • veelszins ongeloovige personen de koren bezetten; maar ligt de oorzaak daarvan, welbeschouwd, eigenlijk niet bij de geloovigen zslf, die, zonder bezwaar, de beoefening der toonkunst in haar breeden omvang, maar rustig in de handen van het ongeloof laten?

Is dit laatste feit niet nog meer betreurenswaardig dan het eerste ? De toonkunst is toch een gave Gods, die straks in den hemel haar rijkste ontplooiing zal vinden. Behoort Gods volk daarom niet een open oog te hebben, ook voor de practische beosfening van die kunst? En niet alleen van die kunst zelve, maar ook van alles, wat God de Heere daarin geschonken heeft ook en met name door middel van' mannen als Joh, Seb, Bach ?

Doch óók over wat de geachte Schrijver in Timotheus zegt over de Mattheüs-Passion als zoodanig, heb ik een opmerking.

Opvallend is het, dat hij over de muziek geheel zwijgt. Ook spreekt hij niet over den persoon van J, S. Bach, als Componist. Noch aan de hooge beteekenis van de Mattheus-Passion onderde oratoria, noch aan de hooge beteekenis van Bach onder de toonkunstenaars wgdt hij een woord. Het is met name de tekst van de M. P. welke ziijn aandacht heeft getrokken en dan is zijn oordeel, dat „het stuk niet kan worden goedgekeurd zoo min om de wijze waarop het moet worden voorgedragen, als ook om den inhoud hier en daar." Nu is de groote inhoud van de Mattheus-Passion letterliijk Matth. 27 in zijn geheel doorvlochten met enkele koren, aria's en koralen. Keurt nu misschien de geachte schrgver het af, dat gedeelten van de H. Schrift op muziek worden gezet en gezongen? Hiij zegt dit niet met even zooveel woorden ; wel vindt hij het afkeurenswaardig, „dat een koor moet zingen: „LaatHem gekruisigd worden" of „ Zijn Bloed kome over ons en over onze kinderen; " zelfs noemt hg het „profaan" als in den zang „woorden worden voorgedragen, die onze iHeiland uitte in het bitterst ligden om der zonde wil."

Maar wat dan te zeggen Van de Psalmen Davids, die toch ook getoonzet zijn om gezongen te worden ? Is het dan ook „profaan", als b.v, in Ps. 22 woorden worden gezongen, die rechtstreeks aan 'sHeilands kruislijden herinneren, als: „Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij ? enz, "

Ten slotte nog een opmerking over de samenstelling van de Mattheus-Passion, bijzonder wat de koren ©n aria's betreft,

In die samenstelling toch doet zieh niet alleen de meester kennen, maar ook de geloovige, die blijkbaar met heel z'n ziel heeft kunnen inleven in de rijke beteekenis van 's Heilands kruisliijden voor Zijn volk. De schrgver in Timotheus meent dat de M, P, „de lijdensweg tot een martelaarsgeschiedenis heeft gemaakt, waarbiij de plaatsvervanging op den achtergrond treedt, of eigenlijk geheel niet is te vinden."

Niets is echter minder waar dan dit. Het „plaatsvervangende" komt juist zoo treffend in 't geheele stuk naar voren. Telkens doet de Componist gevoelen, dat het onze zonden sijn, v/elke den Christus dat bittere lijden hebben aangedaan. Neem b.v. al aanstonds het eerste koor van deel I, waarin het oog der geloovigen door de dochteren Sions wordt gericht op den grooten „Bruidegom", die als een „Lam geduldig" ter slachtbank wordt geleid van wege „onze schuld." Dan de schoone aria; „Buss und Reu' knirscht das Süüdenherz entzwei" (Door boete en berouw wordt het zondaarshart verbroken); en het koraal: „Ich bin's, ich sollte bussen, enz. (Ik ben het, ik moest het boeten). Treffend zijn in dezen ook de woorden uit de aria: „MeinenTotbüsset Seiner Seelen Noth (Door Zijn zielsnood wordt voor mijn dood betaald), alsmede vooral ook (om nu een greep te doen uit het 2d6 deel) het wonderschoone: ,

„Aus Liebe will mein Heiland sterben, Von einer Sünde weiss Er nichts, Dass das ewige Verderben Und die Strafen des Gerichts Nicht auf meiner Seele bliebe." 

(Uit liefde wil mijn Heiland sterven; Hij zelf weet jyan geen enkele zonde; (maar Hij deed het) opdat het eeuwige verderf en de straffen des gerichts, niet op mijne ziel zou blijven.)

Genoeg om het onbillijke van bovenstaand oordeel te doen inzien. En eindelijk vindt de schrijver het „teekenend" dat de Mattheus-Passion niet „eindigt met de Opstanding, maar met het graf." en hij zoekt hierin iets typeerends voor 't geheele stuk. Dit begrqp ik niet. Het is toch „Passion" en in Matth. 27 staat toch ook niets van de opstanding.

Laat de geachte schrijver echter gerust zijn ten opzichte van J. S. Bach; want deze Godzalige toonkunstenaar heeft óók heerlijk van de „Opstanding des Heeren" gezongen I"

Ds. Heersink schrijft deze dingen, „opdat bij ons christenvolk de belangstelling in de toonkunst niet nog meer onderdrukt en op den achtergrond gedrongen worden, als reeds het geval is. Ook inzake de toonkunst mag ons Gereformeerde volk niet den weg van „doopersche mijdinghe" op, in welken vorm ook. Integendeel moet ook dit terrein van de Gemeene Gratie door de gemeente des. Heeren voor de Eere Gods worden opgeëischt, wat alleen kan, wanneer de belangstelling in de muziek, ook en met name in zijn hooger, kunstvoortbrengselen weer tot eere komt zooals in den tijd onzer Vaderen!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De Mattheüs-Passion.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's