Stichtelijke overdenking.
Ik stond op mijne wacht, enz. Hab. 2:1—3,
Esn, die waoht hield.
Wat zijn de tijden benard, wat is het wereldgebeuren ontzettend, lezers. Men ziet zich telkens de vraag voorgelegd of het lijden der menschheid, de smart waaronder alles en ieder gebogen gaat, het wereldwee nog wel in één opzicht zal kunnen klimmen.
De volken, waartusschen de reuzenworsteling gaat, zijn schier aan het einde hunner krachten. En ieder vraagt zich af: vanwaar worden toch altijd weergevonden de nieuwe legerscharen om de telkens opnieuw gedunde gelederen te vullen ?
Deze gedachte alleen maakt reeds stil: ïijn er wel rouwkleederen genoeg voor zulke geteisterde landen.
't Is toch één schreiende familie: hier een bruid, daar een moeder, hier een weduwe met een onverzorgd kroost.
En nog worden de lijsten maar uitgebreid, nog worden maar nieuwe divisies in het vuur geworpen, nog is er geen einde aan den gruwel te zien. Wanneer een oogenblik het woord „vrede" zich beluisteren laat, gelooft niemand het meer. 't Schijnt alsof men aan de mogelijkheid schier gaat wanhopen.
Langzamerhand legt ook het gebrek ons de hand op den schouder. Ook wg komen te staan voor toestanden waaraan voorheen nooit is gedacht. „Er is geen brood meer", tot nu een klank in de allerarmste krotten alleen gekend, wordt thans vernomen ook in de huizen der rijken.
Men koopt voor al zijn goud en zilver Diets meer. 't Gebrek breidt zich uit over alle terreinen. Dit is niet meer verkrijgbaar en dat niet meer te koop dan tegen ongekend hoogen prqs. Ja, de natuurlgke gesteldheid van het hart, de innerlqke Ignen zijn thans voldoende uitgekomen. Nog nooit kreeg de mensch schooner kans om zich ten koste van zijn evenmensch te verrijken dan nu. Waarom, zoo hoort ge 't telkens, zou ik niet toeslaan? Als ik 't niet doe, doet 't een WiderI Zoo ziet ge 't: noodgedwongen kwam de wereld te staan in het teeken van 't gebrek.
Wie onzer — ik leg in allen ernst u deze vraag voor — zou er geloof aan hebben geschonken, zoo ons ware verteld; in ons rijke land met zqn ©verrijken veestapel mag nog geen rund geslacht worden, 't Allernoodzakelijkste voedsel alleen wordt uitgereikt.
Lezers, heeft dit alles ons nu niets te zeggen ?
In den beginne, toen deze oorlogstoestand pas was ingetreden, liet zich aanwezen overal een zekere neiging tot ingetogenheid. Men leefde naar elkander toe. De verschillende groepen van ons volksleven werden weer hare oorspronkelijke eenheid gewaar. Dat is geheel verdwenen. Grooter spraakverwarring laat zich moeilijk denken. Luider, steeds luider worden de strijdkreten gehoord. De breuken trekken door tot op den bodem. Zou op het einde wel iets anders zijn te wachten dan enkel revolutie?
Is het niet alsof we ons terug zien geleid in de dagen van Babels torenbouw?
Men verstaat elkaar niet meer.
Het is precies als toen de menschheid is aangegrepen door een geest van verwarring.
Daar staat ze nu, de arme menschenwereld, in haar rijke armoede alleen, niet wetead hoe alles te moeten duiden.
Weet gij het, lezer?
Daar is ééne plaats, vanwaar zich de rechte sprake beluisteren laat. Wilt ge haar weten, zoo geef me uwe hand. De Profeet uit de dagen van ouds wgst ze ons tezamen.
„Ik stond op mijne wacht en stelde mij op de sterkte en ik hield wacht om te zien wat hij in mij spreken zoude en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
Toen antwoordde mij de Heere en zeide^: „schrijf het gezicht en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze wie voorbij loopt.
Want het gericht zal nog tot een bestemden tijd zqn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen en niet liegen, zoo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven, "
De Profeet Habakuk leefde in een hangen tijd. Ook van die dagen kan gezegd: 't was benauwd van alle zijden, 't Zedenbederf was verschrikkelijk. De gruwelijkste zonden braken zich gaandeweg baan. De Koning zelf ging in 't kwaad voor. Terwijl de vijand met agn strijdwagens den grond deed trillen en allerwege schrik rond zich verspreidde, was er weinig of gansch geen opmerken dat achter dit alles de tuchtigende hand des Heeren zich bewoog.
Hoe zou het volk, dat God vreesde, den moed behouden?
Alleen op deze wijs: dan zullen de dienstknechten des Allerhoogsten hun het woord des Heeren moeten overbrengen, hun de vertroostingen Gods doen beluisteren.
Ziet hier de schoone taak van onzen Profeet, Zqn naam beteekent: „innige omarming." Nu, uit alles blijkt, dat hij teederlijk omarmd werd, én dat hg in alle leed en iedere donkerheid zich aan Gods trouwe mooht vastklemmen.
Ge weet allen dit bekende woord: „alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal en er geen vrucht aan den wgnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de velden geen spgze voortbrengen, dat men de kudde uit de, kooi afscheuren zal en dat er géén rund in de stallingen wezen zal; zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mg verheugen in den God mijns heils."
Deze Habakuk treedt in onzen tekst op als een prediker der vertroosting.
Als zoodanig willen we ons oor te luisteren leggen.
Eerstelijk treedt hg hier uit els een wachter op den wachttoren..
Ge kunt u dezen gedachtengang zeer gemakkelijk voor den geest roepen. Immers zijn er nog genoeg dorpen en vlekken in ons land, waar het overoude gebruik heeft stand gehouden om gedurende den nacht, op vaste tijden, een wacht de rondte te laten doen,
In de steden had men — tenminste zoo herinner ik het mij nog van een tiental jaren geleden in een onzer groote steden — op den omgang van den hoogsten toren een vaste post.
Elk uur, of half uur, werd naar elk der windstreken bij hoornsignaal den volke kond gedaan, of er ergens ook eenig onraad zich speuren liet.
Als de nacht' nederdaalde op veld en akker, beklom hg zijn eenzamen post; dan had hg maar uit t© zien,
Zoo'n wachter op den toren, die na^r alle zijden speurt, heeft in vredestgd natuurlijk niet zooveel beteekenis als in dagen van gevaar.
Zoo ziet ge 't hier.
De Profeet zag zich van Godswege geroepen, en dus innerlijk gedrongen, om de teekenen der tijden te verstaan.
Hij stond op zijn wachtpost temidden der donkerheden der tijden, In de eenzaamheid, onttrokken aan het gewoel der wereld, daarboven op de transen, waar hij enkel en alleen boven zich ziet het welvende koepeldak des hemels, daar speurde hij of hg het verstaan mocht wat God hem en over hem heen had te zeggen tot zijn volk.
Elk woord brengt teekening aan.
Laat u eerstelgk zgn gewezen hierop: „Hij stond op zijn wacht."
Hg zat niet. Hij lag nog minder. Hg stond. Hg is zich het gevaar, waarin hij, en heel het volk raet hem, zich bevindt, ten volle bewust. Hg moet het weten, vanwaar de vijand komt, en van welke zgde de gevaren zullen naderen.
Hg noemt dezen wachttoren zijn sterkte Als hij hier is, gevoelt hg zich pas veilig. Daar beneden tusschen de voetgangeren, te midden van het bedrijvige leven, is hg zich van zijn zwakheid ten volle bewust. Daar kan hg het temidden van de stofwolken van het gebeuren niet houden. Wat zijn medeburgers hem ook mogen voorhouden, wat , ze voor afleiding hem ook bieden, hij gevoelt zich onder alles door slechts aangetrokken tot ééne plaats. Daar boven is zijne sterkte.
Deze beeldspraak is, dunkt me, niet moeilgk te verstaan.
De Profeet heeft het hier niet over een werkelgken toren, niet over een hoogtepunt van welks transen hij nederziet op de schare of op de donkerheden van den omtrek, maar over de plaats der eenzaamheid, zijn stille bidvertrek, waar hij zich opgetrokken gevoelt als het ware dichter bij den hemel, waar hem de nevelen van het leven lager schijnen dan waar hij is.
Hier is zgne sterkte.
Als Habakuk in stille omarming ligt met zijn God, wanneer hg zichzelf ©n heel de wereld, waarvan hij een onderdeel zich weet, mag overgeven in de hand des Almachtigen, dan pas wordt hij zich zijne sterkte bewust. Krijgt het er niet den schijn van, alsof de Apostel Paulus bij dezen Godsgezant ter schole heeft gegaan als hij nederschrijft: als ik zwak ben, ben ik machtig.
In de stilte van het bidvertrek vindt elk kind des Heeren zijn sterkte. Als het zich to rusten mag leggen in Gods armen.
Een bekend prediker verhaalt het volgende: hij bezocht eens een kind des Heeren, een oude vrome, die spoedig dacht heen te gaan. Op de vraag hoe hij het maakte, luidde het antwoord aldus: ik lig zoo zacht en voel me zoo veilig; ik heb drie kussens onder mijn hoofd, nl, onbegrensde macht, oneindige liefde en eeuwige wijsheid Gods. 't Was in een prediking dat hij dit mededeelde. Ziet, eenigen tijd later wordt hij weer bij eén stervende ontboden, „'k Had verlangen u te zien eer ik sterf", zoo waren de woorden van haar die heenging, „Ik heb u de geschiedenis hooren vertellen van dien ouden vrome. Toen ik onlangs een aware operatie onderging, nam men het hoofdkussen mg af. Op de vraag of ik het niet mocht houden, luidde het antwoord: „het is beter voor u dat wij het wegnemen, " Zie, toen mocht ik er dit aan toevoegen: ik houd er nog drie kussens over: Gods onbegrensde macht. Zijn oneindige liefde en Zijn eeuwige wijsheid, "
Wordt hier ons niet klaarlgk getoond wat een kind des Heeren vindt op zgn wachttoren: onbegrensde macht. Dat is zijn sterkte.
De Profeet hier hield wacht om te zien wat de Heere in hem spreken zoude.
Daar was dus een uitzien naar de sprake Gods, naar wat de-mond des Heeren hem zeggen wilde.
Wat is dit een gewenschte gestalte, lezer. Daar ia nl. geen moeilijker onderwijzen dan iemand, die het weet, of beter nog, die het meent te, weten.
De Profeet heeft al heel wat mogen ondervinden. Hier op zijn wachtpost heeft de Heere hem al zoovele blijken mogen geven van Zijn gunst. Toch bleef hij bij en onder alles even nederig.
Ik hield wacht om te zien wat Hg' in mg spreken zoude. Daar was naast het uitwendig oor ook nog een ander, Zgn hart luisterde naar de sprake Gods,
Juist zooals de Dichter daarvan zingt: Mgn ziel is immers stil tot God,
Van Hem wacht ik een heilrijk lot. Hij immers zal mgn rotssteen wezen.
Mijn heil, mgn hulp in mijn gebrek. Mijn toevlucht en mgn hoog vertrek; Ik zal geen groote wankling vreezen.
De daden Gods en de sprake die er opklimt van het wereldkamp moeten worden verstaaa. Nu is de eenige plaats, waar zulks mogelijk is, niet anders dan in de stilte, in de nabijheid des Heeren, onttrokken aan het geroezemoes dezer wereld, in de eenzaamheid, waar de deur achter u werd toegedaan. Wanneer het dan eens gebeuren mag dat het oor ontsloten wordt van binnen. Als het een luisteren wordt naar den Heere. De ziel moet worden nedergelegd op dat drie^ voudig kussen: de Heere is mijne sterkte. Hij is mijn liefste. Hg is mijn eeuwige Koning, Die met Zijne wijsheid mg voorlisht.
Ziet, dit wachten op antwoord is maar niet zóómaar, omdat er zoovelen om antwoord vragen.
De donkerheden van dit bewogen leven, de duisternis van het wereldgebeuren, de rampen in het algemeen, doch inzonderheid die over Gods Kerk, komen hem voor als eene bestraffing.
Ziet, daarom zijn zoeken naar antwoord: Heere, openbaar het mij toch, laat mg de oorzaak weten uwer kastijdingen, 't Is een straf van Uwentwege, Wanneer ik den wortel niet weet, weet ik ook de plant niet uit te roeien.
Lezers, wordt ons hier niet een wenk gegeven vanaf dezen wachtpost. Ontzettend is het wereldgebeuren; de duisternissen van gruwel en geweld maken het bang aan allen kant, In den eersten tgd werd het gevoeld dat in de stilte van het godshuis, in de nabijheid der bidders, hulp moest worden gevraagd. Toen werd het toegegeven: hier schuilt de sterkte. Maar 't is voorbijgegaan als een morgenwolk. En waarom. Om de zeer voor de hand liggende oorzaak, dat men niet opging om de wacht te houden, dat men niet afwachtte eenige sprake des hemels. Wat alles voortkwam uit dit zeer nuchter verschgnsel: men heeft nooit gezien, dat er verband bestaat tusschen zonde en gevolgen der zonde.
't Zijn geen kastijdingen, zoo kunt ge het hooren, 't Is geen straffinge Gods,
Men eindigt in de natuurlijke verschijnselen. Vandaar: dit volk of die koning heeft het gedaan.
Och, lezer, wat is het diep treurig. Weet ge waar het toe komen moet? Tot deze belijdenis: wij hebben gezondigd, wij evengoed als al de anderen.
Daar is een loslaten geweest, een wegstooten van, een spotten met het heilige Wezen, Vandaar dat alles thans zoo wanhopig door en op elkander ligt. Niets was hier voor noodig dan even zich terugtrekken, de hand even oplichten, de volken zich laten uitleven, hen het goeddunken huns harten laten volgen.
Ziet hier de straffingen Gods,
Wat is het noodig dat de wachters den wachttoren beklimmen!
Wat is het noodzakelijk dat deze sterkte wordt gezocht.
Lezers, dat wij het doen mogen in deze dagen, onze knieën buigen in de eenzaamheid, opdat het antwoord kome van des Hoogsten lippen, (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 oktober 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 oktober 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's