Na 300 jaren.
1618—1918. V.
Alvorens stil te staan bij hetgeen de Synode van Dordrecht hoofdzakelijk bezighield, en voornamelijk in de geschiedenis heeft doen voortleven, n.l. de strgd tegen de Remonstranten, willen wij nog de aandacht vestigen op iets anders.
En wel op het bijzonder karakter dat deze Synode droeg door de aanwezigheid van zoovele afgevaardigden der Gereformeerde Kerken uit het buitenland.
Daardoor heeft men haar' een soort van oecumenisch concilie kunnen noemen, d.w.z. haar tot op zekere hoogte vergeleken niet maar met de concilies der Roomsche Kerk, maar aan deze Synode ook een „oecumenisch" karakter toegekend. Dit woord „oecumenisch", ook voor verschillende groote kerkvergaderingen der Kerk van Rome gebezigd, komt van een Grieksch woord, dat (bewoonde) „wereld" beteekent, zooals bijv. in Lukas 2 vers 1 staat over het gebod van Keizer Augustus, dat de geheele wereld zou beschreven worden.
Wie dus, en wij meenen met recht, de Synode van Dordrecht een soort van oecumenisch concilie noemen, bedoelen hiermede, dat zij eigenlijk een wereld-Synode was, en een Kerkvergadering bedoelde te zgn, waarop zooveel mogelijk de Gereformeerde kerken van alle landen vertegenwoordigd waren.
In zijn openingsrede gaf de Dordrechteche predikant Balthasar Lydius ook uiting aan dit besef, toen hg in zgne dankbetuiging aan de vertegenwoordigers der Staten-Generaal herinnerde aan de Keizers Constantinus e.a., die een algemeen concilie hadden doen bijeenroepen, en den wensch uitsprak dat de vrucht van de thans gehouden Synode, in aantal wel veel geringer dan de vier algemeene concilies, niet kleiner zou mogen zijn.
En in zgn woord tot de buitenlandsche theologen wees hij op de gemeenschap der heiligen en de vereeniging der leden met Christus, het Hoofd, als de beweegreden, die hen van allerlei kant herwaarts had gebracht.
De zaken der Kerk hier te lande gingen ook de kerken in het buitenland aan; de beslissingen, die zouden vallen, waren van beteekenis ook over de grenzen ; dat bewees niet alleen de aanwezigheid der buitenlandsehe leden, maar ook het feit, dat hun in zaken, de leer betreffende, 'éen beslissende stem werd verleend.
En door hun houding tijdens de door hen bijgewoonde zittingen hebben zij getoond, meer dan figuranten te willen zijn; zij hebben deelgenomen aan de beraadslagingen, hun adviezen ten beste gegeven, en menig besluit zien tot stand komen dat onder hun invloed den vorm verkreeg, dien men het tenslotte gaf.
Hiermede is volstrekt niet gezegd, dat de buitenlandsehe leden het allen in ieder opzicht met de binnenlandsche eens waren. Er was somtijds ernstig verschil van meening.
Zoo hadden de afgevaardigden van Bremen scherpe woorden met Gomarus en enkele anderen, een verschil, dat zóó hoog liep, dat de heeren uit Bremen een tgdlang uit de vergaderingen wegbleven.
Dit verschil sproot voort uit een verschil in de leer, en moet dan ook op deze wijze worden verklaard.
Juist de eenheid in beginsel en belijdenis was de band, die de mannen van Dordt, zoowel van binnen-als van buitenland, samenbracht.
Men zal nu wel verstaan, wat wij bedoelen, wanneer wij spreken van het oecumenisch karakter der Dordtsche Synode, en in verband hiermede van het oecumenisch karakter van het Gereformeerd Protestantisme.
Zou het geheel overbodig zijn, na 300 jaren daaraan te herinneren? Of zouden wij mogen zeggen, dat het besef van dit karakter van het Gereformeerd Protestantisme ook nu nog krachtig voortleeft ?
De vraag stellen is haar beantwoorden. Waar treft men de ruimte van blik, den breeden kijk aan, die een treffelijk kenmerk is van de mannen van Dordt ?
Wordt door velen de blik nog wel eens geslagen, voor zoover het kerkelijke aangelegenheden betreft, voor zoover het de Gereformeerde belijdenis aangaat, buiten de grenzen van ons goede vaderland?
Het heeft er veel van, of wij opgesloten zitten tusschen hooge muren, die den blik stuiten, en geen geluid van de andere zijde over laten komen. De belangen en de belangstelling, zij schgnen niet verder te kunnen gaan dan ons eigen land.
En zou zulk een beperktheid van blik geen invloed hebben op den kgk, dien men op geestelijke en kerkelijke vragen heeft ?
De Dordtsche vaderen zochten en zagen de eenheid, waar zij inderdaad was. Vandaar hun band met de Gereformeerden van over de grenzen.
En wat doen nu velen, die zich getrouwe zonen van Dordt wanen ? Zij droomen van een eenheid, die niet bestaat, zij zingen zichzelf en anderen in een zoeten slaap bij den met volharding herhaalden deun van een leus, die, als de oogen zijn dichtgevallen, schoone fantasie-beelden doet aanschouwen.
• Hoe vaak hooren wij van „heel de Kerk en héél het volk!"
Alsof de nationale eenheid ook een kerkelijke eenheid meebracht I Alsof eenheid van historie en taal ook insloot eenheid in geestelijke houding.
Alsof niet een groot gevaar ligt in een zich blind staren op een denkbeeldige eenheid, en in een niet vragen naar wezenlijke eenheid, die, ontdekt en tot uiting gekomen, kracht zou geven door samenbinding.
Wat is' er toch van die volks-kerk, die heel het volk omvat?
Is het Nederlandsche volk, of is het niet-Roomsche deel van ons volk dan een nieuwe verschijning van het oude Israël ? Dear, in Israël, was het verbond Gods met het volk als volk; dèkkv was, krachtens de verkiezing en het verbond de Kerk in het volk besloten, tot het volk beperkt, viel zij, uitwendig, met het volk samen.
Doch was deze beperking niet tijdelijk, totdat de beloofde Christus zou zgn verschenen ? Werden niet, na de komst van Christus, als vanzelf die nationale perken doorbroken? , Eu kon, na het Jeruzalemsche Pinksterfeest, (Hand. 2) ooit weer de geschiedenis zich herhalen, dat God met een volk als volk een verbond maakte ?
Wie in deze inbeelding leeft, miskent de beteekenis van Israël, en het universeel karakter der Nieuw-Testamentische Kerk.
Doch dit universeele sluit niet in zich een ongebroken en ongedeelde eenheid.
Zulk een eenheid op kerkelijk terrein bestond in de Middeleeuwen, toen de machtige organisatie der van Rome uit bestuurde Kerk het geestelijk leven van West-Europa beheerschte, en er haar stempel op drukte. Toen werden de tradities en de schatten der christelgke religie bewaard en overgeleverd binnen de omsluiting van een uitwendige eenheid.
En dan moet men nog buiten beschouwing laten dat ook toen reeds de christelgke Kerk niet meer één en ongedeeld was: immers sedert 867 was reeds de scheiding tusschen de Grieksche en Latgnsche Kerk voltrokken ; een volstrekte eenheid was er dus eigenlijk sedert dat oogenblik niet meer.
Van geheel andere beteekenis echter is geweest, wat met de Reformatie is geschied. Deze beweging toch, die uit geheel andere motieven opkwam dan de scheuring tusschen de Grieksch Katholieke en de Roomsch-Katholieke Kerk, greep bovendien in een gansch ander tijdstip der historie plaats. Zij viel samen met het opkomen van wat men gewoonIgk den modernen tijd noemt, en gaf mede aan dien nieuwen tgd zijn geestelijk aangezicht.
En als nu iets duidelijk is, dan wel dit: dat met het opkomen van den nieuwen tijd, sedert de 16e eeuw, in steeds bonter wordende veelvormigheid, in steeds meer uiteenloopende levensopenbaringen het leven zich heeft ontplooid, en voort gaat zich te ontplooien.
Dat gaat steeds door, en zet zich met nam© in onzen tijd voort tot in het verbgsterende. Een ver bgzondering, een splitsing, een uiteenloopen van gedachten, van arbeid, van geestelgke belangstelling, dat er niet alleen geen oog op te houden is, maar dat het allerlei groepen van menschen doet voortleven, geheel vreemd aan elkaar.
Op allerlei levensterrein is dat het geval. Om twee verschillende terreinen te noemen, dat der wetenschap en dat van den „arbeid." Hoe ongelooflijk rijk en onafzienbaar groot is het veld van wetenschappelijk onderzoek! Zóó dat twee vakgeleerden, die ieder bijv. een onderdeel der scheikunde beoefenen, naar de meening van een buitenstaander en oningewijde dus zóo ongeveer het zelfde verrichten, en vakgenooten zijn, van elkander zeggen, dat de één op het gebied van den ander vreemdeling is, en zijn termen en formules niet eenmaal verstaat.
En op het gebied van den arbeid: wat weet de man, die dag in dag uit in een groote fabriek bij de machine staat, welke een onderdeel van 'n landbouwwerktuig vervaardigt, van den arbeider, die op den akker met dit werktuig arbeidt, het gras maait of het hooi keert? De één heeft geen begrip van den arbeid van den ander.
En dit ééne kunt ge zelf met honderden voorbeelden vermeerderen.
Nu wordt er, begrijpelijkerwijs, te midden van deze versplintering en verbrokkeling van het leven toch ook weer gezocht naar eenheid, naar wat vereenigt. En er zijn groote motieven, die werken; die, worden zij tot het besef der menschen gebracht, en op een gelukkige wijze omgezet in een leus, een strgdleuze, de menschen zich doen aaneensluiten.
Zoo is er het stoffelijk belang, dat als een zeer direct en dringend wordt gevoeld. En er zijn geestelgke nooden, di« om voorziening schreien, een geestelgke leegte, die om vervulling roept.
Maar hoe moet het er nu wel uitzien] in het brein van iemand, die meent, d»t deze verbijzondering, dit uiteenvallen van het leven op gtestelijk terrein niet zon bestaan ? Die niet inziet, dat, sedert de Reformatie, ook op kerkelijk gebied de zelfde invloeden werken als op anderei domeinen van geestelijk leven ?
Die de uiteenloopende beginselen nietl kennen en onderkennen, waardoor de geesten worden beheerscht, en nu, om den wille van een ingebeelde eenheid maar kunstmatig een band smeden oml hetgeen niet bijeen behoort?
Men zegt dan, dat ons volk toch eenl gedoopte natie is. Maar is dat nog vol te houden ? Neem dan eens de hoofdstad des lands met haar ruim 600, 000 inwoners ; hiervan behooren big kens de laatste volkstelling 66, 900 tot geen Kerkgenootschap, d.i. bijna 12 pet. En dan zijn 1 dit nog maar degenen, die zelf verklaren | tot geen Kerkgenootschap te behooren; hoevelen zouden er nog bovendien zijn die misschien wel tot de een of andere 1 Kerk behooren, maar toch den H. Doop voor hun kinderen niet begeeren, en ver van de belijdenis der - -vaderen afstaan,
Wat zijn velen toch benepen en opgesloten binnen enge grenzen; zij den-1 ken niet over het oecumenisch karakter! van het Gereformeerd Protestantisme!
Aan de beraadslagingen der Dordtsche Synode namen de buitenlandsehe afgevaardigden met belangstelling en opgewektheid deel.
Wat zouden de afgevaardigden der Gereformeerde Kerken van Amerika, van Schotland, van Hongarije, zeggen van de beraadslagingen der Haagsche Synode?
Van de bepalingen en bepalinkjes die zij ontwerpt en aanneemt, om ze eenl volgend jaar weer te verwerpen ?
Ook onder het Gereformeerde volk is er hoegenaamd geen voeling met de| buitenlandsche kerken van Gereformeerde confessie.
Men sluit zich op, bouwt omheiningen, waarover men niet kan heenzien, maakt zich warm over kleine vraagjes, alsof zij de diepste beginselen raakten. En beseft niet, dat het óók wel iets beteekent dat er, naar schatting omstreeks 120 millioen mensehen van Gereformeerde confessie zijn, over de verschillende landen verdeeld; ons eigen land telt er ongeveer 3 millioen.
Als nu het Gereformeerd Protestantisme leeft van groote beginselen, die ook voor onzen tgd van belang kunnen zgn, die een eigen type vertegenwoordigen, zou dan zonder schade, zonder verarming aan geestkracht en levenskracht de aanraking met hen, die uit gelijke beginselen leven, geheel kunnen verwaarloosd ?
Er is tegenwoordig een in kracht toenemende beweging gaande, om al wat tot den Nederlandschen taalstam behoort te vereenigen in liefde voor „Groot-Nederland." Velen achten het belang groot van een rapport tusschen wat „Nederlandsch" spreekt, in ons vaderland, in Vlaanderen, in Z.-Afrika enz. Een dergelgke aaneensluiting en samenbinding kan inderdaad haar beteekenis hebben; want in de cultuur-ontwikkeling is ook de taal, de landaard, een factor van gewicht.
Maar van veel meer beteekenis is toch de vraag der religie.
Ook op dit terrein gaan de geesten uiteen. Er is veel godsdienstigheid, die naar de H. Schrift ver van de waarachtige kennis Gods is; er is in de Kerken der Reformatie allerlei uiteenloopende opvatting van de waarde der H. Schrift van de verhouding van God en weield, van de verhouding van den mensch tot zijn God.
Indien nu die opvattingen kunstmatig worden saam gebracht in een verband, waarin zij niet passen, dan kan botsing niet uitblgven.
En omgekeerd, indien gelgkheid van opvattjng niet wordt opgemerkt, omdat men door getwist in eigen kring wordt in beslag genomen, of omdat men alle breedte van blik en wijdte van uitzicht mist, dan moet het besef van de beteJkenis van eigen beginsel wel verzwakken.
De eenheid gezoeht waar zij is, niet waar zij schijnt.
Het Gereformeerde volk van onze dagen kan nog heel wat leeren van de mannen van Dordt!
Ook, wanneer het zich de vraag stelt, hoeveel of hoe weinig het heden ten dag» beseft van het oecumenisch karakter van het Gereformeerd Protestantisme.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's