De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Ik stond op mijne wacht, enz. Hab. 2:1—3.

Een, die wacht hield.

II. (Slot).

Wat staat hier verder? „Toen ant' woordde'mij de Heere en zeide: schrijf het gezicht en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze wie voorbij loopt."

Habakuk ontving antwoord. Dit mag in de eerste plaats worden opgemerkt.

Daar is nog nooit een bidder van zijn stille plekskens weggevlucht, blijvend. Hij mag evenals een Elia tot zes maal toe van zijn jongen beluisteren: ik zie nog nieta opkomen, de zevende maal zal het beluisterd worden: de Heere antwoordde. Hij laat geen bidder staan.

En nu het antwoord zelf.

Dit is ook niet in vage termen, in onduidelijke woorden, neen, geheel doorzichtig.-Israel leefde bang; het had er allen schijn van alsof het in de volkeren zoude opsmelten, i. e. w, dat het voorbestemd scheen te zullen verdwijnen. De heidensche volken van Babel en Ninevé konden hen vrijelijk knechten. Neen, zegt de Heere, Mijn volk zal blijven bestaan en zij zelf zullen verdwijnen; dit land zal blijven, maar hun plaats worden uitgewischt. Stel dit maar op schrift, duidelijk op tafelen. Ieder die voorbgkomt mag het lezen.

Da Profetieën Gods mogen aan de uitkomst worsen getoetst, lezer.

Wat spreekt uit dit alles een goddelijk zelfvertrouwen, niet waar?

Mijn woord mag niet wegklinken, zich niet oplossen, verloren gaan temidden van de vele klanken dezer wereld, 't Moet ingegrift, duidelijk leesbaar worden opgehangen, voor ieders oog. Wie er maar voorbij loopt, moet als van de letters uit eene noodiging ontvangen: lees mij toch. Leg den toetssteen maar aan, of het waarheid is gebleken wat Ik gezegd heb, zegt de Heere,

Lezers, het is alsof de man van die wachtpost ons met de tafelen in zijne hand tegemoet treedt. Leest het toch eens. Is het gezicht omtrent Babyion werkelijkheid geworden?

Zegt maar volmondig: „ja, geheel, volkomen." Zij zijn weggewischt uit de rij der natiën. Dit woord des Heeren kan nog worden nagegaan, 't Zijn duidelijke letterteekenen, waarin de toekomst van Zijn volk ons als heerlijk wordt geschetst.

Is dit ééne gedachte: tot in de verste eeuwen zal de eenmaal beluisterde Godssprake vastliggen in het leesbare Woord, daar is ook nog eene andere.

Wat zich op deze wereld overal laat opmarken, is het maken van groote haast, één punt uitgezonderd: als God de Heere aandringt, talmt en stelt de menschuit; 't kan later nog wel. Als het mij goeddunkt. Als ik eerst dit en dan nog dat heb gedaan, dan zal ik me haasten.

Is zoo de gang van het werk als de Heere roept, omgekeerd ziet ge, als wij meenen dat iets gebeuren moet, als wij tot God komen met een of anderen nood, dan wordt herhaaldelijk de klopper op de deur gelegd met: „Heere, is het nu nog geen tijd? "

Ik kom wel", zoo luidt het antwoord, * , doch op een ander moment dan gij denkt, " Legt dit gezicht maar eerst vast op tafelen, 't Moet eeuwen kunnen verduren. Van Mijne plannen verblikt door der eeuwen loop geen enkele lijn. Mijne toekomst zal moeten worden afgelezen van de tafelen van Mijn Woord.

Ik kom om Mijn volk te bevrijden en Mijne vijanden te onderwerpen, straks op Mijn tijd. Ja, laat het maar lezen in letterschrift: „de Heere komt."

Wat donkerder de tijden, wat grooter de passen zijn, welke de Heere naar voren doet.

Van de sterk sprekende tafelen van Gods Woord gaat een lichtend schijnsel uit. Is het niet alsof ik er van aflees:

Laat al de stroomen vroolijk zingen. De handen klappen naar omhoog; 't Gebergte vol van vreugde springen En hupplen voor des Heeren oog. Hij komt, Hy komt om d'aard te richten. De wereld in gerechtigheid; Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten. Wordt in rechtmatigheid geleid.

Het antwoord, door God hem gegeven op zijn wachten, moest worden vastgelegd op tafelen in duidelqk schrift, opdat een iegelijk, die voorbijkomt, het leze.

Wat God doet en ook wat Hij doen zal in den weg Zijner gerichten en verlossingen, zal moeten worden verstaan. De Heere noodigt: onderzoekt toch wat u wijsheid kan leeren uit Mijn eeuwig Woord,

Wat zijn daar menigten van geschriften, wat 'n tallooze bladen? Waarmede de menschelijke geest zich vermoeit, terwijl door de groote menigte niet wordt omgezien naar wat Gods Woord van Gods daden vertelt. Men loopt voorbij. Maar toch komt het onherroepelijk zeker. Het wereld program wordt afgelezen van de tafelen met leesbaar schrift. Niet wat door menschenvingeren werd ingedrukt, maar wat God heeft vastgelegd, zal geschieden.

De Heere noodigt tot een onderzoek. Zou dit ter eener zijde niet zijn eene waarschuwing, ter anderer eene vertroosting?

De wereld wordt ook gewaarschuwd. Ook van deze zijde zal nooit kunnen worden ingebracht: 'k heb er niets van: vernomen, mij is nooit iets medegedeeld. In duidelijk schrift zijn haar de daden Gods verkondigd.

Wordt zoo de sparende goedheid des Hearen nog niet in helder licht geplaatst? Hij duldt immers, hoe ook de spottende lezer zijn hart er aan ophaalt, zich met een trotsch gebaar afwendend als hg las van de tuchtigende hand Gods en van een arm, die bekleed was met macht, die zich straks zou ontblooten ten gerichte: kom, wie gelooft dit nog? 't Zal wel uitblijven.

Het komt zeker, spreekt de Heere. Het gezicht zal nog tot. een bestemden tijd zijn.

Hoe lang dit nog duren zal, weet niemand. Alleen dit wordt ons medegedeeld: de tijd is bepaald.

In al de gezichten en oordeelen klinkt eenerlei sprake door: het zijn de onderdeelen en tevens de boodschappers van den grooten en doorluchtigen dag des Heeren. En zoo zien we dan ook dezen Profeet ten slotte met de bazuin aan de lippen.

Eigenaardig en zeker geen blijk van hooggestemd geestelijk leven is dat in deze dagen betrekkelijk weinig gesproken wordt over de vertroostingen, welke toch ook nu zelfs in sterke mate kunnen worden afgelezen uit de oordeelen Gods in onse dagen, 

In eenigszins luchthartigen zin laat zich telkens vernemen dit woord: „het loopt met de wereld op een einde."

Lezers, het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, maar is de tijd verschenen, dan zal Hij het voortbrengen. Hij liegt niet.

Ziet, dit is nu de rijke vertroosting voor Gods kind: mijn God laat nooit een woord vallen. De wereld gaat voorbij. Alles scheen wel een leugen uit te dragen. Zij reikte immers al maar wissels uit, doch de betaling liet zich wachten. Aan het eind zinkt ze zelfs heelemaal weg.

Is het nu geen blijk van Gods groote gunst, dat Hij van tijd tot tijd en dan in onmisduidbare klanken laat aflezen: weer eene waarschuwing van de eeuwigheidsklok.

Het heeft alles een bestemden tijd. Wij voor ons, als menschenkinderen, vinden het vaak vreeselijk. We klagen dan ook steen en been. Telkenmale laat de verauchting zich hooren: „waar moet het met alles heen? "

„Naar de voleindiging der eeuwen", is het antwoord.

Als de beschaving, waarin wij leven, ten onder moet gaan, zoo vormt ook zij een onderdeel van het groote proces. Hierin staan vast en zeker de voetstappen des Heeren.

Niet de minste twijfel behoeft daaromtrent te bestaan.

De Heere komt — ziet hier de vertroosting voor het volk in Habakuks dagen. Daar was zooveel wat hun de blijdschap roofde. Immers nergens was iets van die komst te merken. Kon de vijand niet doen en laten wat hij wilde? En waren zij niet aan handen en voeten gebonden ?

Och, zegt de Heere, ziet iets verder, weet ge wel waarin ge alleen vastigheid zult vinden ? Dat is in het leesbaar schrift van Mijne hand. Houdt u daaraan. Toetst hieraan alles wat u wedervaart. Het gansche wereldgebeuren regelt zich naar het heilig Blad,

We weten dat Israel toen nog uitzag naar de eerste komst van Christus, Hij . heeft toen nog eeuwen getoefd Toch kwam Hij.

Wij staan aan de heirbaan der volken een heel eind verder. Christus is gekomen. Hij heeft den bestemden tijd vol gemaakt. Thans is er een wachten op 'Zijn tweede komst.

Hoe 's Heeren eigen prediking hier geduriglijk naar henenwqst, behoeft niet expresselijk te worden genoemd.

Uit de 'veelheid slechts dit:

Als de Heere bij brood en beker heenwijst naar het blijvend karakter, dan is het: „doet dit, totdat Ik kom, " En als de Heere prediken laat bij Zijn hemelvaart, zoo spreken de twee godsgezanten: „gelijk gij Hem naar den hemel hebt zien henenvaren, alzoo zal Hij wederkomen, "

De Gemeente van Christus weet dus waarop te mogen rekenen: Hij komt. Wat wordt nu gevraagd: Hem beidende wachten.

Zou dit de gewenschte gesteldheid onzer ziele niet zijn? Wat dunkt u? Is het wel zoo goed voor een Christen, als hij het met de wsreld zoo goed kan vinden? Gaat dit niet gepaard met een geestelijke armoede? Heeft hg het niet veel rijker als hij mag uitzien naar den Heere? Bij Dezen kan zijne ziele zich kwgt. Aan Hem mag hg zich. geheel toevertrouwen

Op Zijn Woord kan hij leunen. Deze is een volkomen Zaligmaker, Reeds nu.

En als straks het wereldgebeuren een einde heeft genomen, als het heden van genade zijn bestemden tijd heeft volgemaakt, komt Hij voor. aller aangezicht een bevestiging geven van Zijn onbedriegelijk Woord,

Lezer, verbeidt gij Hem ook?

Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven, al is er ook een toeven eeuwen lang. Spelt het eens aldus: dat is het goddelijk geduld, de onmetelijke ontferming, die alleen bij God is te vinden.

Nu zijn de leesbare tafelen ons voorgehouden van onze jeugd af aan. Menige uitlegger is ons reeds op zijde gekomen. Wat heeft het ons geleerd ? Ia de sprake der oordeelen en kastijdingen Gods onzer dagen u ook niet tot een roepstem? Hij toeft, doch slechts voor een tijd. Ziet eens in alles, wat thans uwe oogen aanschouwen, een waarschuwing opdat gij behouden moogt worden.

Is er voor de wachtenden, die uitzien naar den Heere, in dit woord niet een bizondere lokstem verscholen?

Gij hebt misschien in uw hart al menig keer getwijfeld: „zou de Heere met Zijn gunst wel tot mij komen ? immers anders vrees ik voor Zijn wederkomst."

Laat uw oor thans tot luisteren zich neigen. Betrek, evenals Habakuk, de wachtpost. Laat in de eenzaamheid uw stem maar horen. Hij geeft een antwoord: „Ik kom, Ik kom gewis, "

De eenige raad, dien ik u heb te geven, ' is dus deze: zoo Hij vertoeft, , verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven!I

Heerlijk wie Hem ontmoeten mag. Voor dien schuilt er een zoetheid van klank, in het woord: straks kom Ik blijvend, dan haal. Ik u met allen, die Mijne komst hebben liefgehad, eeuwiglijk bij Mij thuis, .

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's