Staat en Maatschappij.
Het mond-, en klauwzeer.
Het wekt — en terecht — heel wat ergernis onder ons volk, wanneer men er kennis van krijgt, hoe tengevolge van het uitbreken van het mond-en klauw- stal na stal met het kostelijk vee wordt afgemaakt.
Vooral zij die in de nabqheid van de besmette hoeven wonen, en ooggettigen zgn van de toepassing van het afmaaksysteem, komen tegen deze wijze van doen in verzet.
Want het gaat dan niet alleen tegen het afmaken van het vee, doch ook niet voor het minst tegen de wijze en de manier, waarop het vee behandeld wordt. Meestentijds is de ziekte van vrij onschuldigon aard, althans zoo is het ditmaal. De landbouwers in de provincie Utrecht, die dit keer hunne stallen aantast sien, weten dit bij ondervinding. Wat vaak nu het meest prikkelt, is de veeartsenijkundige dienst net doet, alsof zij van de ziekte alles afweet, terwijl aard der ziekte onbekend is en de oorzaak van het kwaad in het duïster igt.
Laat men er de geschriften van Prof. dr.. D. A. de Jong uit Leiden maar eens over opslaan, die als wetenschappelijk man in zijne verhandelingen over Veeartsenjjkunde juist tegen het afmaaksysteem te velde trekt en dit „wetenschappelijk niet te motiveeren acht." Toen deze hoogleeraar nog niet lang geleden een voordracht hield in de algemeene vergadering der Maatschappij tot bevordering der Veeartsenijkunde was eerste stelling „dat de noodzakelijkheid der bestrijding van mond-en klauw in het algemeen belang nader of beter dient te worden aangetoond."
Wanneer nu een man als professor de Jong dit zegt, is het afmaaksysteem al zeer seker weinig gerechtvaardigd. En dit laatste is het ongetwijfeld in de moeilijke tijdsomstandigheden als waarin wij op dit oogenblik leven.
Terwijl er alom wordt geklaagd over gebrek aan melk en boter en de boeren voor de bearbeiding van den grond de mest zoo zeer behoeven, richt men een moordpartg op het vee aan, alsof er een ongehoorde overvloed van is. Bovendien zal het vee, dat afgemaakt is, ongehoord duur door het Rijk moeten vergoed worden.
Wij vragen ons af, hoe de maatregel van het afmaken van het vee te verantwoorden is, in een tijd, dat alle pogingen moeten aangewend worden, om ten behoeve van de voedselvoorziening de veestapel intact te houden.
Laat de regeering toch onverwijld de last verstrekken om met het afmaken op te houden. Doet zij dit niet, dan zal de Kamer zich met de zaak hebben te bemoeien. *
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's