De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Het geschiedde nu, als zij ze geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach, Heere Heere! zult gij al het overblijfsel Israels verderven, met uwe grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem? Toen zeide Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis Israels en Juda is gansch zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De Heere heeft het land verlaten, en de Heere ziet niet. Daarom ook wat Mij aangaat, mijn oog zal niet verschoonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hunnen weg op hun hoofd geven. En zie, de man, die met linnen bekleed was, aan wiens lendenen de' inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende : Ik heb gedaan, gelijk als Gij mij geboden hadt. Ezech. 9: 8-11.

Een voorbidder.

(Slot.)

Van Gods volk is gezegd - en terecht!-: Z!j strijden bij den Heere met Zijn eigen wapenen" Vandaar, dat een vernedert hart in vertrouwen uitgaat om met de belofte Gods bij den Heere te pleiten en genade zoekt in bijzondere gevallen het rechte woord te mogen hebben, om zich daarop neder te werpen.

Als Abraham gevoelt, dal hij „stof en asch" is, dan bekomt hy vrijmoedigheid om te dingen bij den Heere voor Sodom, en Gomorra; en als-Ezechiël gevoelig is aangedaan door wat hem bij gezicht is getoond, dan beroept hij zich op den Heere, als den Almachtige en als den God des Verbonds, die in Christus en om Zijnentwille met Zijn volk in genade handelt en hun soms het voorrecht schenkt Koningen tot hunne knechten te hebben en Engelen tot hunne bescherming.

Teeder, kinderlijk vraagt hij: Zult Gij al het overblijfsel — er waren reeds zoo velen omgekomen en weggevoerd — verderven met Uw oordeel uit te zenden over Jeruzalem ? Wat zal er dan komen van Uwen Naam ? Van Uw Verbond, van Uw Woord ? Zoudt Gij dan gansehelijk Uwe belofte te niet doen ? Waar zijn de „rommelende ingewanden" Uwer barmhartigheid ? En wat zullen de vijanden zeggen ?

De Heere antwoordt hem: De ongerechtigheid van 't huis van Israel en Juda is gansch zeer groot en 't land is met bloed vervuld en de stad is vol afwijking. De schuld des volks was zoo groot; de mate der ongerechtigheid was vervuld; de beker overloopende. Het recht werd verkracht; zij benauwden den rechtvaardige, zonder daarover eenige smart te gevoelen; zg namen zoengeld en verstootten den nooddruflige in de poort.

De bronnen van het volksleven, de hooge standen en priesters, die de Wet Gods en Zijne gerechtigheid moesten leeren, waren vergiftigd; de rechters zochten Jeruzalem te bouwen met onrecht en onderdrukking en de overheden vroegen naar do rechten des Heeren niet.

Godloochenarij had de massa des volks aangetast. Want zij zeggen — en' dat doet pijn ! — : , Do Heere heeft het land verlaten, de Heere ziet het niet."

Gewis, daar is geen band meer, waar lichtvaardigheid en wereldliefde aldus spreekt

Feitelijk is elke zonde loochening van 's Heeren alomtegenwoordigheid. Er is gevraagd: Wie zal zondigen en tegelijkertijd erkennen: God staat er bij, Hij ziet het en Hij ziet mij in 't hart?

Deze vraag mocht gedaan worden. Van kapers, in donkereu nacht uitgei gaan op roof, wordt medegedeeld, dat zij terugkoerden, zoodra sterk zoeklicht j op hen werd gericht, 't Zal wel zoo zijn, dat het licht de duisternis bestraft.

Zij overlegden dan : God is buitenslands buiten de stad. De verborgene gedachten des harten worden openbaar. Gaat de Godvergetenheid verre in de geslachten ook thans — en zij gaat ver! — dan is het ergste te vreezen.

Nu kwam de Heere Zijne afwijzing van des profeten voorbeê rechtvaardigen en zeide: Ook wat Mij aangaat. Mijn oog zal niet verschoonen het volk zoo lange in goedertierendheid gedragen ; Ik handhaaf mijne gerechtigheid ; zij komen onder den last van hun eigen zonden, en bizonder door verwerping van den weg der genade in den Messias; zij hebben Gods Woord verlaten, wat wijsheid zouden ze dan hebben ?

Daarom, Ik zal hunnen weg, hun eigen weg (want niets is meer ons eigen, dan onze zonde!) op hun hoofd geven. Wij moesten zulke woorden niet zonder ontzetting kunnen lezen.

Wie denkt niet aan de verwoestingen onder de volkeren van Europa, wie niet aan den afval in eigen land, en aan zich zelven en zqne kinderen?

Als de Heere eens Zijne wegen rechtvaardigt, dan zien wij, ook in't persoonlijk leven, dat het, in zeker verband, onze eigene wegen zgn, als de Heere. in ellende en tegen beid met ons gaat han­ delen. Dan-souden de^fnenschen met hunne , barmhartigheden" verschoonen en ganschelijk niet inzien, hoe de Heere in den weg Zijner gerechtigheid alleen Zijne barmhartigheid in 't einde heerlijk doet schitteren. Die kennis van Gods wegen bekwamen hebben soms zoo hartelijk uitgeroepen; O! Heere wat sijt Gy rechtvaardig en genadig! Van recht en goedertierendheid beide te spreken, is echt werk.

Gij, mijn lezer, herinnert u, dat. Ezechiël sprsk van zes mannen gereed om Gods oordeelen uit te voeren. Ook was er in 't gezicht een zevende man vertoond. Deze had geen moordwapen in zijn hand en geen harnas of malienkolder tot dekking om zijne lendenen. — Zqne kleedij was priesterlijk eenvoudig. Een linnen lijfrok was zijn kleed, en een inktkoker inplaats van een zwaard.

Nauwelijks had de profeet antwoord op zijne voorbeê bekomen en nog is hij er stil van of ziet, de man, die met linnen bekleed was, aan wiens gordel de inktkoker was, bracht bescheid weder. Van die zes had E^echiel gezien, dat ze hun werk gingen uitvoeren, en nu komt de zevende zeggen: Ik heb gedaan, geligk Gij mij geboden' hebt.

Dat was voor den profeet een innige vertroosting, voor de Kerk der eeuwen een diepe onderwijzing. Immers, dien man was een heerlijk werk opgedragen en dat moest volvoerd eer die zes hadden kunnen uitgaan. Tot he.ta toch was gezegd: Ga door, door 't midden der stad en teeken een teeken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in 't midden derzelve gedaan worden. En dien zes was geboden achter Hem uit te gaan en straks: genaakt aan niemand op denwelken het teeken is.

Wie, zoo vroeg men, is bedoeld met dezen, die tot zijn stillen arbeid, arbeid des vredes, uitging? De een antwoordde: Do Heilige Geest, die evenwel naar ik meen nooit als een man wordt voorgesteld; de andere dacht, dat hierdoor een Engel was te verstaan; doch meerderen waren van oordeel, dat in 't gezicht-van Christus, den Middelaar Gods, en van Zijne uitnemende bediening uitbeelding was.

Wilde iemand liever niet aan één persoon gedacht hebben, maar aan den dienst des Evangeliums in 't algemeen, gelijk in 't gezicht van 't witte paard (Openb, 6), dat zou kunnen, als hij dan maar niet vergeet, dat 't witte paard niets is zonder zijn Berijder. Christus treedt.op voor de veiligheid Zijns volks.

Noach moet eerst in de arke, Lot in Zoar zyn en als in deze „laatste ure" de oordeelen uitgaan, dan staat er nadrukkelijk: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de hoornen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods verzegeld zullen hebben aan hunne voorhoofden,

't Vruchtdragend geboomte voor den Heere, het groene hout, moet bewaard blijven in dit voorhof, en éér treedt Gods gerechtigheid niet uit, ook niet ten volle in het eind der eeuwen, dan dat alle Gods gekenden, tot den laatste toe, in veiligheid zijn.

'k Zie den Man. met den linnen lijfrok steeds Zijn werk doen. Hij gaat uit in stilheid en kent al degenen, die de Zijnen zgn' en die afstaan van ongerechtigheid (Tim.) en den Naam dès Heeren aanroepen. Hij komt toeloopen op hun geroep en die leed dragen over al de zonde en schuld des volks; die züchtea over de ontheiliging Zijns Naams en van Zijn dienst; bij wie 't niet kon blijven tot praten er over, doch die 't blijk der ware bekeering droegen en Hem aanriepen uit een gereinigd hart — dat juist smartelijke kennis heeft van eigen onreinheid — moesten geteekend worden.

Niet die stille menschen, welke nooit iemand met hunnen godsdienst lastig vielen; niet die scherpzinnige belijders, die precies weten, hoe ver ze moesten gaan om anderen niet te ergeren; niet! die rijke jongelingen, die zeer verdraagzaam zijn tegenover zonde en geen behoefte hebben aan Christus' gerechtigheid; maar die van harte zijn aangedaan onder eigen plage des harten, en in hun roepen tot den Heere bewijs hadden van • die genade, welke hen geene gemeenschap doet hebben met de onvruchtbare werken der duisternis. Dat zijn dus niet die zuchten uit gewoonte, doch leed dragen voor God en dezen moesten geteekend  worden. 

't Waren toen weinigen en 't zijn nog  niet. velen, doch 't is het zaad van den Heere gezegend, tot stennsel voor land en volk. Nu is-'t Henoch, straks een Noach; later een' Elia, een Daniël en vele anderen; zevenduizend, die de knie voor Baal niet bogen; „kieijne luiden" voor God en de menschen, die niet probeeren om met wat praat over kleinheid eigentligk te zeggen, dat ze nog zoo heel klein niet zijn; — 't zijn die menschen, die in de wereld vaak „schuil gaan", en iemand heeft wèl gezegd: het beste gaat altijd schuil.

Deze kleinen moesten geteekend op hunne voorhoofden, d.w.z. hun werd genade vermenigvuldigd, tot vrijmoedig belijden en vasthouden aan Gods' waarheid. - Verzekering van Gods getuigenis, veraegeling door den Heiligen Geest sterkt wonderlijk in den dag der benauwdheid en het bewustzijn van Goddelijke gunst te deelen, maakt vrqmoedig en verheldert het aangezicht van 's Heeren kinderen. Bij dit teeken aan een uiterlijk waarneembaar teeken (b. v. de letter ) te \ denken, dat gaat niet.

En nu Ezechiël. Welaan, gij ziet, dat hij een troostrijke openbaring ontvangt, 'nl. deze, dat de oordeelen niet'uitgaan, tenzij Christus Zijn werk volbracht heeft in eiken tijd, en dat zelfs in de tijden, waarin 't harte bloedt onder al de jamj meren, Gods gekenden veilig zijn en juist : dan de meeste vrijmoedigheid en blijmoedigheid bekomen.

Als de volkeren door elkander geworpen worden, en 't alles woelt en gist en kookt, dan is dit zeker, dat de Heere Zijn Raad volbrengt en Zijne kinderen weet te teekenen met het merk des H. Geestes en ze veiligheid geeft en Luther zou zeggen: „in of onder den hemel", dat is gelijk.

Niet geteekend worden menschen, die zich schikken naar de wereld en niet geraakt zijn onder de nooden des volks noch vreezen voor Gods oordeelen; niet geteekend die menigte, die de theorie der lichtvaardigheid zyn toegedaan en van geen God iets lezen in de histofie der volkeren, noeh in die van eigen leven; met geteekend die menschen, die overleggen: de Heere ziet het niet; niet geteekend die arme of rijke, die geleerde of ongeleerde, die vreemdeling is in eigen hart" en voor wie de gebaande weg in de woestijn onbekend is. Wèl geteekend alle volk, dat in oprechtheid den Heere vreest en staan mag in de bresss en zeggen mag: O Heere! spaar Uw volk en geef Uwe erfenis niet over tot smaadheid.

Wèl geteekend elke ziele, diö buigt onder de oordeelen Gods en nochtans betrouwen mag, dat de Heere niet verlaat en Zich niet afkeert van Zijneigen werk en Zijn eigen volk.

Wèl geteekend allen, die in heilige verwondering zien, dat zij Gods oordeelen ontkomen, als Ezechiël getuigde in zgn: en ik alleen overgebleven was.

Eens, als na elk bizonder oordeel, zal ook nè, de eindoordeelen de Man met den linnen lijfrok spreken: Ik heb gedaan al 'tgeen Mg geboden is."

Gods teeken geeft veiligheid. Zonder dit altgd onveilig! Wie niet riep tot den* Heere, zal het zelfs dan nog zoeken bij de schepselen, bg heuvelen en bergen; maar de heuvelen en bergen hebben geen oor en hebben geen stemme.

Welgelukzalig allen, die op den Heere betrouwen! Hij, die de heerschappij der zonde verbrak, maakt al Zijn volk Koningen en geeft ze Engelen tot knechten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's