De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Kerkelijk leven.

7 minuten leestijd

De Avondmaalsbeschouwing van Luther.

Hieromtrent lezen we in een studie van prof. dr. A. Eekhof in Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis (afl. 41918) ongeveer het volgende:

Vrij zeker heeft Luther de tweede uitgave van Calvijn's „Institutio", in Augustus 1539 verschenen, gelezen. En 18 Nov. 1539 schrijft Calvijn aan Farel, dat hg zésr verheugd is van Melanchton te hebben vernomen, dat Luther zijn boek(en) met zeldzaam genoegen gekzen heeft; en dat nog wel, zoo schrijft Calvijn, „niettegenstaande hetgeen ik daarin over het avondmaal heb geleerd." En daarbij was Luther gebleven, hoewel sommigen, om Luther op te zetten, hem er op hadden gewezen-„dat Calvijn in die boeken Luther en de zijnen op hatelijke wijze had terecht gewezen."

Luther had — zoo wist Oalvgn mede te deelen — toen zelf de plaats opgeslagen, en als hij gezien had, dat deze inderdaad op hem doelde, zou hij — aldus Calvgn — gesproken hebben: „Ik hoop, dat Calvijn nog eens beter over ons zal gaan denken; maar het is niet meer dan billijk, dat wg van een edel menscheen beetje kunnen verdragen."

Hoe aangenaam dit Calvijn was blijkt uit 'tgeen hij aan Farel daarover schreef nl.: „Welnu, als men van zulk eenebezadigdheid niet verplet zou staan, dan is men een keisteen gelijk. Ik tenminste ben er door getroffen."

Later, in 1556, herinnert Calvijn Joachim Westphal, een van die volgelingen en vereerders van Luther, die den avondmaalsstrijd tusschen Lutherschen en Gereformeerden weder aanwakkerden, er aan, dat Luther, hoewel hg zeer wel Calvijn's meening wist, toch met dezen niet in vijandschap wilde leven en zich zelfs niet bezwaard had gevoeld om Calvijn eigenhandig hartelijk te laten groeten.

Luther en Calvijn hebben elkander dan ook omstreeks het jaar 1540 in zake de beschouwing over het avondmaal meer en meer gevonden. Luther was tot zijne oorspronkelijke opvatting, reeds in zijn geschrift over „de Babylonische ballingschap" verdedigd, teruggekeerd en daarin stond Calvijn vlak naast hem. De Augsburgsche Confessie, in 1530 opgesteld, was tenopaichte van artikel 10, dat over het avondmaal handelde, in de „Variata" van 1540 aanmerkelijk gewijxigd. Luther heeft die •erandering nooit afgekeurd; Calvijn vond in de „Variata" de spiritueele (geestelijke, mystieke) beteekenis van het Avondmaal terug. „Zooals het in den beginne door Luther en anderen werd voorgesteld, zoo verdedigen wij het thans", schreef Calvijn.

Die mystieke, spiritueele (geestelijke) opvatting van het Avondmaal vond Oalvijn bij Luther en miste hij bij de Zwitsers, bij Zwingli inzonderheid. Dat de sacramenten niet anders zouden zijn dan bloote teekenen, was Calvqn te profaan. Aan de verheerlgking van Zwingli boven Luther wilde Calvgn niet meedoen. „Farel wist immers zelf" —zoo schrijft Calvgn hem — „ais het op vergelijken aankwam, hoe hoog Luther boven Zwingli uitstak" (in een brief aan Farel, Maart 1540).

Oalvijn wordt zoo feitelijk de schakel — de verbinding — tusschen Luther en de Zwitsers, Als hij in zijn geschrift: «Traicté de la Saincte Oene" (1541) de oorspronkelqke beschouwingen van Lu' ther en die van Zwingli en Oecolampadius heeft weergegeven, dan jubelt zqne ziel als hij thans, ziende op de Wittenberger Concordie en de „Variata", schrijven mag: „Dus belijden wij allen uit éénen mond, dat wij, als wij in het geloof het sacrament ontvangen, volgens de instelling van Christus, waarlijk deelgenooten zijn gemaakt aan het werkelgke lichaam en bloed van Jezus Christus. Hoe dat nu geschiedt, zal de een beter kunnen afleiden en duidelijker uitleggen dan de ander. Aan de eene agde moeten wij, om alle vleeschelijke phantasieën buiten te sluiten, onze harten opheffen in den hemel, niet denkende dat de Heere Jezus zoo zou kunnen worden vernederd, dat Hij in vergankelijke elementen (brood en wijn) zou kunnen worden opgesloten. Doch aan den anderen kant, om de uitwerking van dit heilige mysterie niet te verminderen, past het ons te bedenken, dat dit plaats heeft door de geheime en wonderlijke kracht Gods en dat de Geest van God is de band van deze deelneming, weshalve zij dan ook een geestelijke wordt genoemd."

Mede de overeenkomstige gevoelens, welke beiden te dien dage ten opzichte van het avondmaal koesterden, hebben Luther na October 1539 tot een vriend van Calvijn gemaakt, een bondgenoot, dien hg tot aan het einde zqns levens heeft bewonderd en bovenal om zijns werks wil heeft liefgehad."

Wij vinden het altijd aangenamer te lezen hoe geestverwanten elkander zoeken en weten te waardeeren, dan dat ze elkander verbijten en vereten. De tijd van de Voetianen en Coccejanen is dan ook b.v. al heel onverkwikkelijk. Wat heeft de Kerk er groote schade van geleden!

De plaats van den schoolmeester.

Uit een studie van Jhr. Mr. B. M. de Jonge van Ellemeet, voorkomend in Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis (aflev. 4, 1918), gaande over het gebied der Drenthsche Kerkgeschiedenis (omstreeks 1730) knippen we dit kleine stukske uit:

„In de tweede plaats dienen hier de schoolmeesters, die daarenboven als voorlezer en koster fungeeren, genoemd. Behalve dat zij de schoolgelden innen, worden zq door het kerspel bezoldigd en genieten zij slechts bij hooge uitzondering landschapssubsidie (subsidie uit de publieke kas); bovendien hebben zij het genot van de kosterijgoederen ter plaatse. Kerkeraad en classis oefenen een oumiddellgk toezicht op hen uit. Bij het onderwgs staat het godsdienstonderricht op den voorgrond: zg zullen volgens art. 24 der Kerkenorde (van 1780) „niet alleen de kinderen leren lezen en schrijven, maar ook dezelve in de godzaligheit en lere van de Catechismus onderwijzen", bepaaldelijk hen „de vgf hooftstukken van de Christelijke religie, het morgen-en avondgebed van buiten laten leren, " hen „alle avonden een vrage uit den Catechismus inzetten en haar des anderen daags — zooveel doenlijk en met discretie '•— dezelve laten opzeggen." Verder luiden zij de klok vóór den kerkdienst, openen en sluiten het kerkgebouw en houden het schoon, terwijl zij bij den dienst zelf hebben voor te lezen en voor te zingen." art. 23—25).

Van de Sacramenten enz.

In dezelfde studie over Drenthsche Kerkgeschiedenis lezen we dan nog:

„De beide eerste deelen der Kerkenorde (1730), handelend over de kerkelijke bedieningen en vergaderiogen, zijn thans voorzoover in dit verband ter zake dienend besproken; wat het derde en vierde deel aangaat — welke respectievelqk tot opschrift dragen: „van de sacramenten en ceremoniën" en „van de censure en kerkelijke vermaningen" — kunnen wij hier met een enkele opmerking volstaan.

Gelijk trouwens wel reeds terloops uitkwam, was leervrijheid in de Staatskerk een onbekende zaak, vandaar dat de predikanten de Belijdenis des Geloofs der Nederlandsche Kerken, den Heidelbergschen Catechismus en de „Canones Synodi Nationalis Dordracenae" zoowel in de (prov.) synode als in de classe hoofd voor hoofd hebben te onderteekenen (art. 56) en de kerkelijke censuur ook in gevallen van onzuiverheid der leer van toepassing is. (art. 75)

De Kerkenordening spreekt uitdrukkelijk van de verplichting om de kinderen te laten doopen, op straffe van 10 goudguldens, ter controle van de schuiten, die van verzuimen den Drost („de Edel Mogende heeren Drost en Gedeputeerde Staaten" worden telkens genoemd) hebben kennis te geven. De doop wordt binnen 14 dagen in een openbare bg eenkomst der gemeente door den pastor loei toegediend, met gebruikmaking van het desbetreffend formulier achter den Catechismus, zonder dat daarin iets mag worden veranderd of daaraan worden toegevoegd. Een geringe wijziging in het formulier om den Lutherschen te gerieven (door n.l. niet te spreken van de leer, die „in deze Kerk, " maar die „ia de Christelijke" of „Protestantsche Kerk" geleerd wordt) wordt door den Landdag 20 Maart 1764 geweigerd.

Bij den doop van kinderen, verwekt in hoererij of overspel, heeft tevens de moeder in het openbaar schuldbelijdenis te doen. Katholieken mogen hun kinderen buitenslands laten doopen (art, 58, 60),

Het Avondmaal wordt vier t zes maal 'sjaars gehouden volgens het formulier; de private communie is verboden (art, 64—66).

„In de Kerken dezer Landschap" — zegt art. 71 — „zullen gezongen worden de 150 Psalmen, de Tien Geboden, het Gebed des Heeren, de Artikelen des Geloofs, de Lofzangen Mariae, Zachariae en Simeonis en het gezang: o God, die onze vader etc."

Niet verzwegen mag worden in dit verband de nieuwe psalmberijming. 6 Mei 1772 berichtten de Staten-Generaal aan Drost en Gedeputeerden, dat in beginsel besloten was tot de invoering eener nieuwe berijming. Op haar aandringen vaardigden ook Drost en Gedeputeerden een Drentsch predikant af om het werk tot stand te helpen brengen, die zijn vacation uit de landschapskas vergoed kreeg. Den 22sten Maart 1774 ontvingen Ridderschap en Bigenerfden van de Staten-Generaal een exemplaar van den nieuwen bundel ter invoering. Drost en Gedeputeerden bepaalden den dag der invoering bij publicatie op 4 December, terwijl zij het volgend jaar (9 Mei 1775) visitatoren speciaal opdroegen na te gaan, of de nieuwe berijming inderdaad in alle kerken en scholen werd gebruikt."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het Kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's