De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Na 300 jaren.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Na 300 jaren.

12 minuten leestijd

1618—1918.

VIL

„Het ging niet over de grenzen van  „akkers, over goten of waterleidingen, „maar over de grenzen van den menschelijken wil en de goddelijke genade."

Met deze woorden wordt in de voorrede voor de Handelingen der Dordtsche Synode de beteekenis gekenschetst van den strijd, die te Dordrecht eindigde met de veroordeeling der Remonstranten.

Indien nu deze omschrijving juist is, zal men dan den moed hebben, thans nog aan dien strgd te herinneren? Is het nu wel het oogenblik er voor? En heeft de strijd, te Dordrecht uitgestreden, de beslissing, daar gevallen, nog wel eenig belang voor de kinderen van onzen tgd ?

Is het thans wel het oogenblik, om aan dien strijd te herinneren? Thans, nu de wereld in vlammen staat, óók door een strijd, die wordt gestreden, en die de aandacht in bange spanning houdt 6ok dergenen, die er niet rechtstreeks in zijn betrokken.

Zeker, deze strijd gaat niet over de grenzen van akkers, over goten of waterleidingen». Zóó iets mag nietig gekijf en onbeteekenend geruzie heeten, vergeleken bij den strijd, die de wereld verscheurt in onze dagen.

Maar, al is het honderdduizendmaal vergroot, zgn het andersoortige belangen, waarom het thans gaat? Men kan zeggen, dat het gaat om handelswegen, om grenzen van landen, om afzetgebied voor handelsproducten, om koloniën. Maar dat zijn immers evengoed mat& rüele belangen, dat raakt toch ook het stoffelijk bezitj de stoffelijke welvaart, de uitwendige macht der volken ? Het is een gevolg van de toenemende materialiseering van het gansche leven.

Is nu zulk een tijd wel geschikt, om te spreken over een strgd als te Dordrecht zijn beslissing vond?

Zonder eenigen twijfel. Al was het alleen, om hier den vinger op te leggen: zulk een strijd om geestelijke waarden staat toch oneindig hooger dan een worsteling om louter stoffelijke goederen. En laat nu niemand zeggen, dat die strijd van vóór 300 jaren zoo heftig en verbitterd was, dat het er vaak zoo hate Igk toeging. Het moge zijn toegegeven, niettemin zijn de levensbelangen, die op het spel stonden, van geheel ander, van véél hooger gehalte dan waar het, ten spijt van alle fraaie leuzen en klinkende frases, in de huidige worsteling omgaat.

Die tegenstelling op zichzelve reeds zou genoeg zijn om een herinnering aan de dagen in den strijd van Dordt te rechtvaardigen.

Als twee jongens vechten om een appel, of om een tol, dan kunnen zij er duchtig en verbitterd op los slaan; doch niet minder verwoed zal de één den ander kunnen aanvliegen, wanneer er een hoonend of krenkend woord tegen vader of moeder is gesproken, dat het kinderhart grieft, omdat iemand aan de eer van vader of moeder te na is gekomen.

Zeker, vechten is vechten. Maar toch, de opwelling en de beweegreden tot het strijden, zijn zg in het laatste geval niet van edeler aard dan in het eerste?

Nu moge in den strijd die' geestelijke belangen gold, in den strijd tusschen Contra-Remonstranten en Remonstranten, menigmaal met min nobele wapenen zign gestreden, de imet was toch van dien aard, dat hij ook thans nog gerust mag genoemd worden.

Of zou dat niet het geval zijn? Er zullen er ongetwijfeld velen zgn, die de beteekenis van dien strijd niet vatten; zij hebben wel eens gehoord van die Remonstrantsche twisten; maar daarmede houdt ook al hun kennis van deze aangelegenheid op; anderen weten bg benadering, dat de strijd liep over de voor ver ordineering en den vrijen wil; maar hun belangstelling wekt dat in de verste verte niet; zij hebben altijd hoeren zeggen, dat het een theologisch, leer stellig geschil was; en wie zou zich daar thans nog in verdiepen ?

Zoo echter spreekt hij niet, die iets verstaat van wat terecht het hart der belgdenis is genoemd, en waarvoor de Dordtsche vaderen met kracht en beslistheid zijn opgekomen.

Het ging immers in het geschil met de Remonstranten om niets meer of minder dan om dé volstrekte souvereiniteit Gods; dat is niet maar een godgeleerd twistpunt, een dogmatische woordentwist, waarvan de zin en het belang den oningewijde ontgaat. Of ja, den oningewijde ontgaat de zin en het belang van die vraag natuurlijk; maar niet hem, wien de oogen zijn geopend voor de waarheid van Gods souvereiniteit, en die met een souverein God heeft te doen gekregen.

En aangezien, in den kring van het Verbond, nog velen zijn, die voor die allerhoogste Majesteit zich buigen, is allereerst, maar volstrekt niet uitsluitend, voor hèn, de strijd, op de Dordtsche Synode beslist, thans even goed vanbelang als voor drie eeuwen.

Het ging en gaat n.l. om de eer van God als God, en om de zekerheid en den troost van Gods kinderen.

De Remonstranten leerden „dat God door een eeuwig onveranderlijk besluit, in Jezus Christus Zijnen Zoon, eer des werelds grond gelegd was, besloten heeft, uit het gevallen zondige menschelijk geslacht diegenen in Christus, om Christus' wil, en door Christus zalig te maken, die door de genade des Heiligen Geestes in dezen Zijnen Zoon Jezus Christus gelooven, en in dat geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, door die genade, tot het einde toe volharden zouden."

Het geloof, in zijn onvolkomenheid, en de gehoorzaamheid des geloofs, in haar onvolmaaktheid, werden, alzoo door hen gemaakt tot een voorwaarde der zaligheid, door God uit alle mogelijke voorwaarden uitgekozen. De verkiezing zou dus niet bestaan in de uitverkiezing der gekeuden van eeuwigheid, maar in het uitkiezen van ééne voorwaarde uit vele.

Bovendien maakten zg onderscheid tusschen de verkiezing tot geloof en de verkiezing tot zaligheid; de verkiezing tot het rechtvaardigmakend geloof kon er zijn zonder de beslissende verkiezing tot zaligheid.

Dit hing samen met hunne meening, dat zij, die Jezus Christus door een waar geloof zijn ingelijfd, toch ook nog door nalatigheid het beginsel van hun wezen in Christus zouden kunnen verlaten, de tegenwoordige wereld wederom aannemen en de genade verwaarloozen; m.a.w. zg betwijfelden de volharding der heiligen.

Van de voorbestemming maakten zij een vóór-wetenschap Gods; de verkieaing was voor hen uit het voorgezien geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, en niet een verkiezing tot het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, enz.

De genade was, naar hun oordeel, wederstandelgk, en niet onwederstandelijk ; het rechtvaardigmakend geloof een verliesbaar goed.

Al wat de Remonstranten in hunne bekende 5 artikelen leerden, hangt nauw met elkander samen: de verkiezing uit het geloof, de algemeene verzoening, de noodzakelijkheid van geloof als voorwaarde tot de zaligheid, de genade niet on wederstandelgk, de mogelijkheid van een afval der heiligen. Dit alles komt op uit eene beschouwing, die principieel staat tegenover de gereformeerde religie, «n haar in het hart aantast.

Het is dan ook ten volle verklaarbaar, dat de mannen der Contra-Remonstrantie, dit inziende, zich met alle kracht hebben verzet. En evenzeer, dat al wie iets verstaat van de gereformeerde belgdenis, ook nu nog het gevaar van deze beginselen van het Remonstrantisme klaar ziet.

Of zouden de beginselen van het Ge­ reformeerd Protestantisme voor onzen tijd hebben afgedaan ?

Dat zal niemand zeggen, die, door Gods Geest geleerd, zich heeft leeren buigen voor de opperhoogheid Gods. Deze te erkennen, het heeft immers een diep insnijdende beteekenis allereerst voor eigen leven; het wil zeggen, de Souvereiniteit te beseffen van den Schepper, die te zeggen heeft over alle creatuur ; aan Wiens wil en wet ook de mensch is onderworpen.

Het wil .zeggen, de onkreukbaarheid te erkennen van het recht van dien God, die van Zijn schepsel vragen mag een voldoen aan den eisch door Zijne wet ons gesteld.

Het wil zeggen, te hebben leeren beven voor het oordeel Gods, dat naar recht ons zou verdoen; te hebben leeren afzien van alle hoop, uit onszelven ooit te zullen beantwoorden aan den maatstaf van Zijn heilig recht. En als zóó een zondaar in de schuld viel, en zegt: wee mij, ik verga, dan gaan de oogen, dan gaat het hart open voor de volheid van vergiffenis, die in Christus den Middelaar is.

De Geest der dienstbaarheid, die altijd weer vreezen doet, wijkt voor den Geest der aanneming tot kinderen; van den schrik en de vreeze wordt de aldus geleerde overgeleid in de rust en den vrede; hij leert het zoete smaken der gunst Zijns Gods, en zich neerlaten op de gewisse en onveranderliyke beloften van Zijn Woord.

En dan leert iemand ook den troost verstaan, die daar ligt in de waarheid van Gods verkiezende gunst.

Want daar blijft, ook in den wedergeborene, nog altijd over de werking der zonde, de neiging van den tegen God gekeerden wil; en ieder kind van God, die, in - den weg der dagelijksche bekeering en van zelf-onderzoek, zijn waren aard leert kennen, erkent: het is niet uit mij, dat ik op den weg des levens ben gezet, maar het is door de lokkende liefde Gods, door de onwederstandelijke werking van Zijn' Geest; hij erkent, dat het zijnerzijds zonder eenige verdienste is, en alles gegrond in de volkomen genoegdoening van Christus.

En wie bewaard wordt biij het geloof, beseft, dat het alleen is omdat de schakels onverbrekelijk zijn van den keten der weldaden van het genade-verbond, die uitvloeien uit den vrederaad van den Eeuwige: „die hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hg ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hg ook gerechtvaardigd."

Want zgnerzijds zou ook de geloovige het werk altijd weer verbreken; hij zou niet bij de genade blijven, en zich van zijn' God afkeeren.

En wanneer hij dan afwijkt en valt, en zijne zaak ziet als verloren, hopelooz« zaak, dan kan hij zich troosten en oprichten aan hetgeen Gods Woord hem leert over de verkiezing Gods: God doet geen werk ten halve; hetgeen Hij begon, voleindigt Hij ook. Hg was het, die de koorden Zijner eeuwige ontferming sloeg om de verloren, weggezonken ziel, om den zondaar te redden van het verderf; hoe zouden die sterke koorden ooit kunnen breken? „Die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt."

Zijne goedertierenheid is van eeuwigheid.

Hoe minder een kind van God in zichzelf vindt, om op te bouwen voor zijne rechtvaardigheid, hoe minder hij in zijn eigen zondig hart iets aantreft waarop hij zou kunnen steunen, hoe meer hij den blik leert slaan in eigen binnenste, en in de donkere doolwegen van zijn eigen ziel, hoe meer hij leert voor zichzelf te vreezen, des te rijker is hem de troost der uitverkiezing. Zij wordt in het geloof verstaan, en doet deze sprake uit de ziel opwellen: wat uitgaat uit de grondelooze diepten der eeuwige ontfermingen Gods, kan niet falen. Zijn raad zal bestaan, en Hg zal al Zijn welbehagen doen.

Hierin ligt dus allereerst het directe geestelijk belang van de waarheid der uitverkiezing, een belang, dat ook thans nog even groot is als voor drie eeuwen, voor de gemeente Gods, die bij Zijn Woord leeft, en Zgne souvereine Majesteit erkent. In dezen weg vindt zg haren troost en hare vastheid, en wordt alle eer Hèm toegebracht, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn.

Nu komen er natuurlijk ook thans menschen aandragen met de tegenwerping dat deze leer den mensch lijdelgk en zorgeloos maakt, en hem een vrijbrief geeft voor allerlei ongerechtigheid. Precies als reeds de opstellers der Remonstrantie bezwaar hadden tegen deze leer, die zij „niet konden houden voor overeenkomstig Gods Woord, noch stichtelijk, maar voor onstichtelijk, ja schadelijk."

Men ziet, dat degenen, die de leer der Dordtsche vaderen voor verouderd houden, en meenen dat de beslissingen der Dordtsche Synode voor onzen tijd hare beteekenis hebben verloren, zich wel eens mogen afvragen, of hunne bezwaren wel zoo gloednieuw zijn? Misschien zouden zij dan bemerken, dat de tijden en de omstandigheden zijn veranderd, maar dat de menschen zichzelf zgn gelijk gebleven.

Wat men thans tegen de leer der uit­ verkiezing heeft in te brengen, klinkt geheel in denzelfden toon als de bezwaren der Remonstranten.

Daarom kunnen wij volstaan met er op te wij sen, dat geen waarheid zoo schoon is, of er wordt een verkeerd gebruik van gemaakt, en voorts verwijzen naar hetgeen te Dordtrecht hierop geantwoord is: „zoo ver is het vandaar, dat deze verzekerdheid de ware geloovigen hoovaardig en vleeschelijk zorgeloos zou maken, dat zij daarentegen eene ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreeze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in allen strgd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belgdenis der waarheid; mitsgaders van vaste blijdschap in God, en dat de overdenking van die weldaad hun is een prikkel tot ernstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en goede werken, gelijk uit de getuigenissen der Schriftuur en de voorbeelden der heiligen blijkt."

Dat de vraag geen belang meerheeft, zal niemand kunnen zeggen; want zij raakt het kernprobleem van de verhouding ook van de enkele ziel tegenover God. En dat deze vraag wel kan terzijde gelegd worden, wie zou het durven beweren?

Want juist in onze dagen, waarin de „gemeenschap" den enkeling dreigt te verzwelgen, en allerlei vragen aan de orde sijn, die de gemeenschap gelden, doet ook met nieuwe kracht de persoonlijkheid zich gelden: ook de religieuze persoonlijkheid roept om erkenning, vraagt naar bevrediging van haar in wgde kringen zoo lang onderdrukte en verwaarloosde eischen, tast en zoekt naar de zekerheid, die aan de ziel haar vastheid, haar evenwicht, en daardoor ook haar rustige kracht kan hergeven.

En op deze allerbelangrijkste vraag heeft, sedert eeuwen de gereformeerde religie haar antwoord gegeven, op grond en aan de hand der H. Schrift; zij gaat daarbij uit van de Souvereine Majesteit van den Schepper, van de erkentenis van Zijn vrij machtig welbehagen, van de belijdenis der onverbreekbaarheid van Zijn' raad.

En de verkorenen, in welke Hij óok het geloof werkt, waarin zij hun' God leeren erkennen voor hetgeen Hij is, zg leeren roemen in Zijn eeuwige ontferming, en belijden „uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, " een belijdenis waarvan zij met Paulus verstaan, dat zij zich omzet en uitloopt in een lofprijzing: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Na 300 jaren.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's