Staat en Maatschappij.
Overheid of Kerk.
Reeds eerder dan verwacht werd, is de regeering bg de oorlogsbegrooting voor het volgend jaar gekomen met eene definitieve regeling van de voorziening in de godsdienstige behoeften der militairen van de landmacht.
Naar wordt medegedeeld, wil ziij voortaan op een beter en meer afdoende wijze dan te voren voor de geestelijke belangen der militairen zorg dragen. Tot op het oogenblik, waarop het leger gemobiliseerd werd, strekte de eigenlijke overheidszorg voor het leger niet verder, althans voor de Protestantsche militairen , dan tot het geven van eene geldelgke vergoeding voor het godsdienstonderwijs en hier en daar tot het verstrekken van financieelen steun ten behoeve van zitplaatsen in de Kerk.
Toen nu bij het uitbreken van den wereldkrgg, het leger op voet van oorlog werd gebracht en het reeds spoedig bleek, dat ten opzichte van de geestelijke verzorging niets was voorbereid, nam de regeeridg, wijl tot onmiddellijk handelen moest worden overgegaan, het initiatief tot het instellen van het instituut der veldpredikers.
De organisatie bestond behalve uit den veldprediker in algemeenen dienst, die nevens de algemeene leiding ook de verzorging van de territoriale troepen, de cavalerie-brigade en de troepen in de iiniën en stellingen voor zijne rekening had, uit acht veldpredikers, voor elke Divisie twee.
Het bleek intusschen al spoedig, dat dit aantal geheel onvoldoende was. De klachten over onvoldoende verzorging vooral onder de gemobiliseerden, die niet tot het yeldleger behoorden, vermeerderden bij den dag. Daarom werd tot versterking en uitbreiding van het instituut overgegaan door de benoeming van een 24-tal reserve-veldpredikers.
Het voorstel der regeering is nu om ook voor vredestijd het instituut der veldpredikers te bestendigen. Daartoe worden noodig geacht één legerpredikant in algemeenen dienst en vijf legerpredikanten, die te samen de taak zullen hebben te verrichten, welke door den Minister van Oorlog nader wordt omschreven;
Ziij zullen, —zoo schrijft de Minister in zijne toelichting op het voorstel — zich geheel aan het werk onder de militairen kunnen wiijden; niet alleen zal tot hunne taak behooren godsdienstoefeningen te houden in kazernes en kampementen, maar vooral ook zullen zij de vraagbaak in geestelijke aangelegenheden moeten zgn voor de vele jonge mannen, die in de jaren waarin den militairen dienst moet worden vervuld, veelal raad en voorlichting behoeven. Ook zal van de legerpredikanten leiding ten aanzien van het leven buiten dienst kunnen uitgaan en zullen zij zich wanneer noodig in verbinding kunnen stellen met de ouders der dienstplichtigen. Thans wordt naar het oordeel van den ondergeteekende (de Minister v. Oorlog) de jonge mannen onder dienst in een voor het geestelijk leven gevaarlgke ontwikkelingsperiode te veel aan zichzelf overgelaten. Voorts zullen de legerpredikanten ook in hospitalen en arrestantenlokalen nuttig werk kunnen verrichten.
Tegen hetgeen hier aangevoerd wordt ls toelichting van het Ministerieele oorstel, dunkt ons, dat in geen enkel pzicht eenig bezwaar is in te brengen. ntegendeel! Wat de Minister zich voortelt te bereiken verdient algeheele intemming en warme toejuiching. Na arenlange verwaarloozing wordt eindelijk an regeeringswege de noodzakelgkheid ngezien om tot een betere en meer afoende behartiging van de geestelijke elangen der militairen, ook in vredesijd, te geraken. Dat hier werkelijk in en groot belang wordt voorzien, zal 'n eder, die wel eens met deze aangelegeneid in aanraking kwam, moeten onderchrijven. Het is zelfs te hopen, dat de egeering op dit punt verder zal gaan, n niet alleen aan het leger zal schenen, wat dit voor zijne geestelijke verorging behoeft, maar op een even erntige wijze ook de voorziening in de eestelijke behoeften van het marineersoneel zal ter hand nemen.
Juichen wij dus van ganscher harte e voornemens der regeering toe, om azerne en kampement open te stellen oor de geestelgke bearbeiding van hen, ie tijdslijk of blijvend een deel uitmaken an het leger, echter met de wijze, waar p dit zal geschieden, zgn wij niet zoo eer ingenomen, zelfs bestaat daartegen an onzen kant ernstige bedenking.
Het bezwaar, dat wij hier op het oog ebben, gaat niet tegen het voortbestaan an het instituut der veldpredikers, voor redestijd van legerpredikanten, maar egen de instelling op den voet, zooals die hans bestaat. v A w dSd
Het is mogelijk, dat de spoed, waarede in de eerste mobilisatiedagen moest e werk worden gegaan, geen andere en etere regeling van het veldpredikerschap oeliet, maar nu de omstandigheden op it oogenblik eene rustige overweging an de zaak mogelijk maakt, zal, wijl an het instituut van iegerpredikanten'n lijvende instelling staat gemaakt te woren, men de vraag onder de oogen hebben e zien, naar welke beginselen eene regeing zal dienen getroffen te worden.
En dan is het cardinale punt, dat bij eze kwestie op den voorgrond treedt, it, of de behartiging van de geestelgke elangen der militairen een onderdeel
(1) In dit artikel is alleen sprake van de eestelijke verzorging der Protestantsche miliairen. p b van directe staatszorg uitmaakt, dan wel of zg tot anderer terrein behoort.
Bg de beantwoording dezer vraag schrikken we er geen oogenblik voor terug om het onomwonden uit te spreken, dat de voorziening in de geestelijke behoeften van de militairen niet tot de rechtstreeksche taak van de Overheid behoort, maar tot die van de Kerk,
De Kerk draagt de verantwoordelijkheid voor de bearbeiding harer leden. Zij heeft uit te maken, wat deze behoeven, en te regelen alles wat op de godsdienstige verzorging betrekking heeft. Uit dien hoofde kan alleen de Kerk het beschikkingsrecht hebben op benoeming en ontslag harer ambtsdragers, de legerpredikanten, en het toezicht op dezen uitoefenen.
Zoo hebben het ook onze vaderen begrepen, toen zij in de 16e en 17e eeuw de veldpredikers aanwezen, die zich hadden aan te melden bij den Gedeputeerde te velde, die hun dan hunne regimenten aanwees.
De regeering gaat echter in haar voorstel van een geheel tegenovergestelde gedachte uit. Wel zal zij het advies dor Kerken voor eene eventueele benoeming van een ambtsdrager vragen, maar de benoeming zelve houdt zij aan zich. En daarmede wordt de legerpredikant staatsambtenaar.
Dit nu kan nimmer de taak van de Overheid zijn. De Overheid kanen mag niet doen wat die der Kerk is. Zij kan geen leiding geven in geestelgke aangelegenheden.
Wat de Overheid wel kan en ook moet doen is de Kerk in haren arbeid steunen, en dit zoowel in financieelen zin als daadwerkelijk. Wat dit laatste betreft door aan de door de Kerk aangewezen ambtsdragers den vrgen toegang füt kazerne en kampement te ontsluiten en daarbij alle medewerking te verkenen, opdat deze ambtsdragers hun arbeid in vollen omvang kunnen verrichten. Een instituut van legerpredikanten is dus voortreffelijk, maar de basis, waarop dit instituut gebouwd wordt, moet eon andere zijn dan die, welke de regeering aangeeft.
Hoe de Kerken de regeling zullen moeten treffen, is nader te bespreken. Voorshands gaat het alleen om het beginsel, dat aan het instituut moet ten grondslag liggen. En van daaruit het voorstel der regeering bezien, kan het, zooals het daar ligt, moeilgk aanvaard worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's