Na 300 jaren.
1618—1918.
VIII.
De waarheid der uitverkiezing, te Dordt opnieuw gehandhaafd tegen de leeringen der Eemonstranten, heeft haar onmiddellijk geestelijk belaag voor allen, die haar in het geloof verstaan, en de volstrekte souvereiniteit Gods erkennen.
Dat zg door sommigen, die haar niet verstaan, misbruikt wordt, is onvermijdelijk, en mag geen reden zijn, haar te verzwijgen. In 'de Kerk van Christus zullen, zooals ook de gelijkenis van het onkruid tusschen de tarwe leert, de ware en Bchijngeloovigen altijd dooreengemengd zijn, óók waar een Kerk is, die haar belijdenis zuiver houdt, en de waarheid naar do H. Schrift dienovereenkomstig predikt, kunnen en zullen er zijn, wier uiterlijk instemmen met de belijdenis niet gedekt en gedragen wordt dooreen geloof des harten; zoo zullen er ook zijn, die zich achter de met den mond beleden waarheid der uitverkiezing verschuilen, om hun bekeering uit te stellen, en in zorgeloosheid en onbekeerlijkheid voortleven.
Dit zal hun oordeel verzwaren, maar geeft geen recht en ontslaat niet van den plicht, deze waarheid te verkondigen tot een troost voor de geloovigen, en opdat God in Zgne grootheid en vrgmacht geëerd worde.
Bovendien is het niet moeilijk in te zien, waartoe de ontkenning van de waarheid der uitverkiezing moet leiden; of is het leeren van een verkiezing uit een vooruitgezien geloof niet hetzelfde als haar ontkennen f
Het ging, volgens de Remonstranten, om het handhaven van.den vrijen wil. Episcopius, een hunner woordvoerders ook in de Synode, omschreef het aldus: „Wij hebben niet anders bedoeld, niets gewenscht, niets gezocht dan die gulden vrijheid, die het midden houdt tusschen slavernij en bandeloosheid."
Die „gulden vrqheid" echter, waarvoor de Remonstranten opkwamen, was een loochenen van de Souvereiniteit Gods, van Zijne almogendheid en al werkzaamheid in het gebied der herschepping zoowel als dat der schepping.
Zóó mag het door hen niet bedoeld zijn, zoo hebben zij het wellicht zei ven niet ingezien; maar de verdere geschiedenis zou het bewijs leveren, dat hierin beginsel deze belijdenis van Gods Souvereiniteit was losgelaten, en de eerate stap was gezet op eeu weg, waar velerlei ontkenning nog zou volgen, en bitter weinig te belijden zou overblijven.
En het getuigt voor het inzicht en doorzicht der mannen van Dordrecht, dat zg met alle kracht, die in hen was, getracht hebben deze dwaling, die op het erf der belijdende Kerk niet thuis behoorde, bij den wortel af te snijden.
Wanneer de uitverkiezing tot zaligheid wilde zeggen, dat God als voorwaarde tot de zaligheid had gesteld het geloof in Christus, waartoe zij, die gelooven zouden, wel door de aanrading van het evangelie, maar overigens uit eigen beweging, zouden komen, en dat God, in Zijne voorwetenschap, wie tot zulk geloof zouden komen, hen om dit vooruitgeaien geloof had uitverkoren, wdir blijft dan de eer en almacht van den Souvereinen God?
Dan wordt immers de inensch van God los gesneden, op zichzelf gezet, in zgne geestelijke werkzaamheid onafhankelijk gemaakt van God!
Dan is er, , wanneer de zondaar zich tot God zou bekeeren, eene werking zonder oorzaak buiten hem.
Zulk een „gulden vrijheid" onttroont God; terecht is er gezegd: „indien er een enkel vrij wezen in het heelal was, zou er geen God meer zijn."
De dwaling van het Remonstrantisme ademt den geest van een Erasmus, die weer nauwe verwantschap toont met den tegenstander van den grooten kerkvader Augustinus, nl. Pelagius,
Dat de wil en het besluit Gods de laatste, en daarom ook de onwankelbare grond zouden zijn van het behoud der verkorenen, wordt door het Remonstrantisme ontkend. Zq zullen niet toegeven het woord van Augustinus, door Calvijn met instemming aangehaald (Inst. III, 23, 8): „dat de wil Gods de noodzaak der dingen is, en dat noodzakelijk ge beuren ? .al al wat Hij zal hebbeu gewild."
Hoezeer door de beweringen van het Remonstrantisme de meusch van God wordt losgemaakt, kan ieder gemakkelijk zien uit de belgdenis der Remonstranten, in 1621 in het licht gegeven; daarin wordt o, a. geleerd, dat Gods Voorzienigheid samengaat met 's menschen wil, dat de roeping Gods den mensch niet zóó noodzaakt om te gelooven, dat hij 't niet kan nalaten", enz.
En ook is uit den loop der geschiedenis zonder moeite na te gaan, waartoe deze beginselen moesten leiden; zij zijn de dood geweest voor waarachtige Godsvrucht, hebben aan de religie allen gloed, alle levenswarmte ontnomen, en geleid tot een „vroomheid des harten", die ver afstond van de zaligmakende kennis Gods naar de H. Schrift.
Het zijn de geestelijke nazaten dezer Remonstranten geweest, wier godsdienst eigenlijk zonder God was.
Wie heeft zè niet ontmoet, de braven, die in de verste verte niet zouden willen ontkennen, dat er een „Opperwezen" is, die verre do gedachte verwierpen, dat zij Godloochenaars zouden zijn; dat nooit!
Maar daarmee was hun „geloof" dan ook eigenlijk ten einde. Verder bestond hun „godsdienst" in een laag-bij-degrondsche braafheidsleer, in ean duffe en dorre moraal van „eenieder het zijne geven" en „niemand kwaad doen."
Kenschetsend voor zulk soort „godsdienst" is, dat het eerste gebod van de twee, waaraan de wet en profeten hangen, nl. de liefde tot Qod, iu dezen braaf heidscatechismus niet eenmaal eeu plaats vindt.
Wie heeft niet het inzinken kunnen aanschouwen van een religie, waaruit de Heere God verdwenen is, waarin de mensch in zgn hoogheid en braafheid op zichzelf is gezet, losgemaakt van Zijn Schepper, en niet meer „met God te doen" heeft?
Wie heeft niet de kerken zien leegloopen big een prediking, die de lijnen van het Remonstrantisme doortrok, en wie is niet in de gelegenheid geweest, het krachtelooze, het wegsterven gade te slaan van een leven, dat aldus de Opperhoogheid Gods ontkende?
Do remonstrantsche beginselen hadden natuurlijk verreikende gevolgen, allereerst voor het geestelijk leven in engeren zin. Doch daar zij een zoo centraal en allesbeheerschend beginsel raakten als de Souvereiniteit Gods, bleef de doorwerking niet tot het religieuze leven beperkt.
Dat is ook onmogelgk, omdat de religie in het leven des menschen niet geïsoleerd is, niet los van zijn overige zielebestaan, niet een stuk, dat men uit zijn leven kan uitnemen en inzetten, zonder dat het het overige beweegt of deert; neen, zij is een verschiijnsel, waarmede al het andore van zijn leven samenhangt.
Zoo is het niet meer dan natuurlijk, dat het los-snijden van het leven van zijn Goddelijken oorsprong, het loochenen van de almogende en doorgaande werking van den Goddelgken wil zijn invloed heeft doen gelden in allerlei verhouding en naar allerlei zijde.
Het kerkelijk zoowel als het maatschappelijk, het huiselqk evengoed als het staatkundig leven heeft den invloed ondergaan van de beginselen, die in het remonstrantisme aan het woord waren.
Dat is niet beperkt gebleven tot het theologische terrein, waar de strijd ontbrandde, maar heeft zich voortgezet en om zich heen gegrepen, gelgk de kringen wijder worden van een steen, die in het water plonst.
En dit zal niemand verwonderen, die de direct-geestelijke beteekenis van de waarheid der uitverkiezing verstaat. Hij begrijpt, dat het hier niet om een godgeleerde haarkloverij gaat, waarmede alleen de theologen te maken hebben. Als het alleen een vraag betrof van de studeerkamer der godgeleerden, dan zou men er immers niet met zooveel bitterheid en vijandschap over hooren spreken? Dan zouden niet menschen, die willen doorgaan voor beschaafd en ontwikkeld, zoo geprikkeld worden, als zij van de uitverkiezing hooren gewagen; zij zouden de schouders ophalen, en aan de kwestie voorbij-gaan. Maar dat kan men niet; geen gelegenheid wordt ongebruikt gelaten, om te smalen op de menschen, die de leer der uitverkiezing erkennen als het „hart der Kerk."
En nu zou het wel wonder zgn, wanneer een beginsel, dat zoozeer het centrum van h«t geestelgk leven raakt, niet zijn werking zou doen ook naar den omtrek.
Doch hierover thans te handelen, zou ons te vef voeren. Wij stippen dit slechts aan om er aan te herinneren, dat de beslissing, te Dordrecht gevallen, iets anders en meer is dan de beëindiging van een godgeleerden twist, die voor onzen tijd sijn beteekenis heeft verloren.
Ook op het gebied van het geestelijk leven, ook op kerkelijk terrein, heeft het Remonstrantisme doorgewerkt. En de historie is daar om te toonen waarop het uitliep.
De mensch losgemaakt van God; niet de souvereine, almachtige wil Gods de oorzaak van 's mensehen heil; maar hij zelf in een zekere samenwerking met God; zoo moest wel de plant der waarachtige vreeze Gods verdorren; God werd hoe langer hoe meer een God van verre; en de dienst des Heeren werd verlaagd en veruitwendigd tot een burgerlijke braafheidsleer.
Zoo hebben wij den tgd beleefd, dat duizenden met alle religie hadden afgedaan, en onder de bekoring van de zoogenaamde resultaten eener „onbevooroordeelde wetenschap" zich gerechtigd achtten ook de Heilige Schrift maar terzijde te leggen.
Allengs echter schijnt er een kentering te komen. Een geslacht staat op, dat hunkert naar ziele spijs, dat hooger grijpt dan enkel naar stoffeïgke goederen.
-.Allerwege kan men andere klanken beluisteren, die uiting geven aan het besef, dat de ziel verwant is aan een hoogere orde van dingen.
De platvloersche braafheidsleer heeft geen vat meer op tallooze kinderen van onzen tgd; zij hebben nobele aspiraties en schreiende behoeften. En wat zien wiij gebeuren ?
Vreemd aan de waarheid van Gods Woord, opgegroeid in een sfeer, waarde kennis en de vreeze Gods ver te zoeken waren, staan zij open voor allerlei invloed, die uit het Oosten naar Europa schijnt over te waaien.
Velen, vooral jonge menschen, ademen in een atmosfeer, die zwaar is van pantheïstische .... denkbeelden kan men haast niet zeggen, van pantheïstische stemmingen en sentiment. Maar dan toch van stemmingen en gevoelens, die, hoe aanlokkelijk en schoon om er in weg te zinken, opkomen uit een opvatting van de verhouding van God en mensch, die een gansch andere is dan. die der H. Schrift en van het Gereformeerd Protestantisme,
Zij is een volslagen tegenhanger-en tegenstelling van het Remonstrantisme; hier niet een God van verre. Wiens bestaan, nu ja, wel wordt erkend, maar die toch verder met Zijne schepping en Zijne menschenkinderen niet in gemeenschap is. Hier een God van nabij; een God, met Wien de in godsdienstig gevoel en religieuze stemming levende mensch zich één gevoelt, zoozeer één, dat hij als een deel van de Godheid zich waant, in het Goddelijk Wezen opgaat, en zichzelf vergoddelgkt.
Ieder, die met dergelijk gestemde menschen wel in aanraking komt, wordt hun ernst en warmte gewaar; hij heeft hier andere tonen te beluisteren dan die klinken uit het kamp der godsdienstloozen. Maar ieder, die buigt voor des Heeren Woord, ontwaart ook terstond, dat hier een andere geest heerscht; dat ook hier wordt tekortgedaan aan de Souvereiniteit Gods. Hier is het niet meer: „God, de Hooge en Verhevene, die in de eeuwig heid woont, en Wiens naam heilig is; die zegt: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden."
Het onderscheid tusschen Schepperen schepsel is hier weggevallen, en wat hier aan godsdienstigheid gevonden wordt, is van geheel anderen aard, is principieel verschillend van wat naar de opvatting van het Gereformeerd Protestantisme de waarachtige vreeze Gods is.
Hier wordt niet, als in het Remonstrantisme, de mensch van God losgemaakt, en op zichzelf geplaatst, maar hier vloeien het goddelijke en het menschelijke in een.
In deze beschouwing is geen plaats voor het geloof, dat ook naar de belijdenis der Dordtsthe leerregels een gave Gods is, die Hij met de andere weldaden van het genadeverbond aan Zijne uitverkorenen schenkt.
Er is daarin geen eeren van Zgn souverein welbehagen en Zijn souvereinen wil, want er is geen besef, dat wij met onzen wil niet kunnen met den wil Gods overeenkomen, tenzg Hij door de genadige en krachtige, on wederstandelij ke werking des H. Geestes op onnaspeurlijke wiijze in het hart Zijner verkorenen indringt, en maakt, dat dezelfde wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt."
O zeker, ook naar de belijdenis der Dordtsche vaderende er een gemeenschap tusschen den Heere en Zijn volk, die ieder kind van God kent en smaakt; maar dan zóó, dat het niet gaat ten koste van, maar krachtens Zijne Souvereiniteit, Wie, die nog iets verstaat van wat het Gereformeerd Protestantisme is, zou niet beseffen, dat er te Dordrecht gekampt is voor levensbeginselen, dis ook voor onze dagen nog hun eigen uitnemend belang bezitten?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's