De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Na 300 jaren.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Na 300 jaren.

11 minuten leestijd

1618—1918.

IX.

De vraag, die in de Dordtsche Synode aan de orde was, blijft actueel; want de botsing, die daar zooveel vonken deed spatten, was een botsing van twee verschillende levens-en wereldbeschouwingen, een botsing van twee aan elkaar tegengestelde beginselen.

En nu is het leven wel zeer bont en samengesteld; nu zijn ongetwijfeld de omstandigheden van het leven in onze dagen heel wat anders dan voor drie eeuwen; de buitenzijde van het leven is ontzaglijk veel gewijzigd; het leven is onnoemelijk veel drukker en voller geworden, daardoor misschien wel rijker aan indrukken, zonder dat het aan diepte heeft gewonnen; veeleer werkt de volheid van het leven en de veelheid der indrukken de oppervlakkigheid in de hand. De horizont is wijder geworden, maar niet de blik op het leven dieper, de houding in het leven rustiger.

Maar dèt alles neemt niet weg, dat op den bodem van het leven toch de zelfde problemen liggen als voor drie eeuwen; want de mensch is in zijn wezen niet veranderd; en de vraag, hoe men zich de verhouding van God en wereld denkt, kan slechts-op enkele manieren worden beantwoord.

Daarom staat zoo goed nu als toen beschouwing, tegenover beschouwing; het Eemonstrantisme heeft zijn eigen antwoord op die vraag, en het Gereformeerd Protestantisme het zijne.

Zoolang de vraag, hoe God en wereld, hoe God en mensch tot elkaar in betrekking staan, actueel blgft, zal ook het antwoord, dat te Dordt werd geformuleerd in hetgeen de Dordtsche leerregels behelzen over de uitverkiezing, actueel blijven. Want in de belijdenis van Gods Souvereiniteit is een eigen beginsel geponeerd, dat van wijde draagkracht is.

Hiermede hangt nog iets anders ten nauwste samen, dat mede recht geeft, om de Synode van Dordrecht met den strijd, die daar uitgestreden werd, aan de kinderen van onzen tijd voor te houden als een gebeurtenis^van groot belang.

Van Remonstrantsch-gezinde zijde toch kan men dikwijls de voorstelling aan­ treffen, dat het te Dordrecht een strijd was „van het godsdienstig geweten tegen het geloofsgezag."

Daarbij wordt natuurlijk ondersteld, dat het godsdienstig geweten aan de zijde van het Remonstrantisme was, en het „ geloofsgezag" of „ de belijdenisdwang" aan de «ijde der Contra-Remonstranten.

Deze voorstelling is wat sterk gekleurd, zij vindt echter bij velen gemakkelijk ingang; en de beslissing der Contra-Remonstranten wordt als „ belijdenisdwang", als een knechten der gewetens, als formulier-dwang en wat men al meer voor fraaie namen verzinnen kan, met verontwaardiging afgekeurd.

Er was echter in den strqd van Remonstranten en Contra-Remonstranten een kwestie aan de orde, die met dergelqke benamingen niét van de baan is, nóch uitgemaakt.

Een kwestie, die niet veroudert, en ook in onze dagen zich telkens aandient, óók in kringen, waar men o! zoo bang is voor wat dan „gewetensdwang" wordt geheeten.

Dat is de vraag van de verhouding tusschen persoonlijke overtuiging en gemeenschappelijke belijdenis.

En deze vraag beslaat, op kerkelgk terrein gesteld, maar een klein onderdeel van het breede levensterrein waarop zij telkens opduikt, en voor allerlei moeilijkheden stelt: de vraag doet zich op allerlei wijze voor en roept om een oplossing: hoe moeten de rechten, de belangen, de eischen van den individu gehandhaafd en gewaarborgd in de ge meenschap, welker belangen en eischen dikwijls volstrekt niet samenvallen met die van ieder individu afzonderlijk?

Eenzijdigheid naar de ééne of , naar de andere zijde kan men maar al te gemakkelijk waarnemen: óf een opgaan in de massa wordt geëischt, waarbij de persoonlijkheid wordt onderdrukt, vertrapt, omdat zg niet meetelt; of, ander uiterste, de enkeling vraagt slechts naar zichzelf, en bekommert zich niet om de anderen • dan viert een ongebreidelde zelfzucht hoogtij, en ontbreekt alle besef van ingevoegd te zqn in en te behooren tot een groot organisch geheel.

In staat en maatschappij zien wij beurtelings het ééne of het andere aan het woord komen. De tijd, dat om de gemeenschap weinig werd gedacht, is voorbij en maakt steeds meer plaats voor een geestesstemming, die alle aandacht geeft aan en opeischt voor het belang der gemeenschap.

Doch dat bij een dergelijke theorie de gemeenschap een grauwe, kleurlooze, eentonige massa dreigt te worden; dat het feit in vergetelheid dreigt te geraken, dat ook deze gemeenschap uit levende organen is samengesteld; dat in dezen weg de individu in het gedrang dreigt te komen en tekort wordt gedaan, behoeft voorwaar geen betoog.

Het raderwerk van het ontzaglgk samengesteld geheel is in beweging, maar het loopt stroef, met veel kraken en knarsen. Er is botsing van belangen, en daardoor strijd.

Op geestelijk, op religieus, en daardoor ook op kerkelijk terrein is eene soortgelijke ontwikkeling waar te nemen, als zich ook op het terrein van het maatschappelijk leven voltrekt. Maar zij is daar nog slechts in den aanvang, nog in een begin-stadium van haar ontwikkeling.

Bij zeer velen heerscht nog, op religieus en kerkelijk terrein, het op maatschappelijk erf in theorie reeds losgelaten individualisme, vrucht van het wonderlijk vrijheids-begrip, dat ook in het Remonstrantisme aan het woord was. Een vrijheids-begrip, waartegen de Synode van Dordt zich heeft gekant en uitgesproken, gelijk zij niet anders kon doen.

Ook hier was de erkentenis van de Souvereiniteit Gods in het geding, die, gelijk wg zagen, door het Remonstrantisme in beginsel was losgelaten.

De „vrijheid van geweten", waarvoor het Remonstrantisme meende en nog heden ten dage zegt te strgden, tegenover een „formulier-of belgdenis-dwang", is uitgeloopen op een vermeend recht voor ieder mensch, , om te gelooven, wat hij wil."

Dat dit moest uitmonden in de grootst denkbare willekeur, is voor ieder duidelijk. En dat de positieve inhoud van een dergelijk „geloof" allengs buitengemeen gering werd, heeft de historie ons wel kunnen leeren.

Doch nu een dergelijk individualisme op religieus terrein volkomen is uitgegroeid en tot in zgn uiterste consequenties is doorgevoerd, nu blijken ook zijn schaduwzgden, ja, nu wordt de terugslag alweer gevoeld.

Ook in het religieuze is gemeenschap onmisbaar; onvermijdelijk wordt de behoefte aan gemeenschap en gemeenschaps-vorniing beseft. Hoe tallooze kringen en gezelschappen en vereenigingen en bonden ziet men dan ook niet ontstaan onder menschen, die aan de Kerk en het kerkelgk leven ontgroeid zijn!

En niet alleen zoekt men aaneensluiting, maar men moet toch ook weten, in welke opzichten er overeenstemming is, waaromheen men zich vereenigt, wat er gemeenschappelqks ia. En dan moet, zal het niet al te mystiek, niet al te ongrijpbaar zijn, toch worden omschreven ; dat kan toch niet in een gemeenschappelijk gevoel, of in een gelijksoortige stemming bestaan, die de éen bij den ander als aanwezig onderstelt of gevoelt.

Zelfs hoort men in die kringen al stemmen opgaan, die klagen over het geüiis van dat gemeenschappelijke, die toonén te beseffen, welk een' steun de uiting van een gemeenschap uitgegaan, in sommige gevallen zou kunnen geven aan den individu. De vraag wordt aan die zijde overwogen, of niet het bestaan van formulieren, . voor het inzegenen van een huwelgk, wenschelijk moet worden geacht, zoodat niet alle wijding of gebrek aan wgding afhangt van den predikant, op wien de taak der huwelijksbevestiging rust. Zelfs werd niet lang geleden aanbevolen als wenschelijk het samenstellen van een boekje, dat aan een ziek-of sterfbed van dienst zou kunnen zijn voor een predikant-ziekentrooster, wien het uit verlegenheid (of uit gebrek aan vertrouwdheid met de H. Schrift en uit geestelijke armoede? ) ontbreken zou aan de geschiktheid, bij een dergelijke gelegenheid het rechte woord te vinden.

Dus ook in het kamp van het individualisme wordt naar het gemeenschappelijke gezocht; ook waar de onbeperkte vrijheid van overtuiging als het ideaal wordt aangeprezen, gaat men vragen naar samenbinding. En waar aamenbinding is, is daar ook niet een band, die al heel licht de persoonlijke, volstrekte vrgheid hier of daar drukt ? Of de band zou zóó wijd moeten zijn, dat hg geen band meer is.

Zeer zeker, zoo hoor ik mg al tegenwerpen, maar dit alles is toch nog ver van formulier-of belgdenisdwang, en zeer verre van een „knechten der gewetens."

Wat klin\t dat griezelig: „formulieren belgdenis-dwang", en „knechten der gewetens." Dat doet haast denken aan brandstapel en schavot, dat riekt bijna naar den mutsaerti En breng dit dan in verband met de Dordtsche Synode, waar de Remonstranten om hun afwijkende gevoelens werden veroordeeld, dan kunt gg die Synode en de mannen, die daar den toon aangaven, brandmerken als ketterjagers, en als een afschuwwekkend voorbeeld voor onzen tijd!

Het schijnt wel buitengemeen moeilijk voor menschen, die zóo spreken, en die gaarne voor bg uitstek verdraagzaam doorgaan, zich in te denken, wat het uitgangspunt was der Dordtsche vaderen!

Misschien speelt hierbij wel mede een rol de lang gekoesterde, streelende waan, dat alleen „het denkend deel" de wijsheid in pacht had; de waarheid werd, zoo meende dat denkend deel, vastgesteld en gedecreteerd door de „onbevooroordeelde" wetenschap; aan haar uitspraken had de „leek" zich immers te onderwerjjen.

En waar nu een Kerk haar belijdenis formuleerde, kon men zich moeilijk een denkbeeld maken van, om een modewoord van onzen tijd te gebruiken, het „democratisch" karakter van het gereformeerd protestantisme.

Neen, zulk een belijdenis wordt niet van boven af opgelegd door de K«rk, die haar opstelde, voor de „leeken", die haar hebben te aanvaarden.

De steun van zulk een belijdenis ligt niet, zooals wel beweerd wordt, voor den „leek" in de omstandigheid, dat er geen punten van twijfel zijn, geen geschilpunten.

Maar de beteekenis van zulk eene belijdenis ligt hierin: zg geeft vorm en uitdrukking aan het gemeenschappelijk geloof, dat leeft in de harten dergenen, die zich voor de waarheid Gods buigen, en gebonden liggen aan Zijn Woord; die Zgne Souvereine hoogheid erkennende, zich willen laten gezeggen, en beseffen, dat de kennis van den Vader gegeven is aan hen, Wien het de Zoon wil openbaren. (Matth. 11 vers 27).

„De goddelijke waarheid en het goddelijk gezag", is. terecht gezegd, „hebben hun grond niet in onze toestemming. De waarheid en het gezag hebben zich niet te richten naar ons, maar omgekeerd, wij hebben ons te onderwerpen aan hen. In de Kerk hebben niet de theorieën van de predikanten de leiding te geven; maar de opperste heerschappij moet berusten bij de waarheid der Goddelijke openbaring, waaraan allen gelijkelijk hebben te gehoorzamen."

Een dergelijke gedachte is natuurlijk ongerijmd voor iemand, die de Souvereiniteit Gods in den zin van het Gereformeerd protestantisme niet erkent, en een vrijheids-begrip huldigt, waarbij de mensch wordt tot het middelpunt en de maatstaf van alle dingen.

Maar de Kerk, die opkomt uit en leeft bij het Woord Gods, door de levenwekkende werking des H. Geestes, heeft in tijden, dat het geloofsleven krachtig door haar leden stroomde, ook als levensuiting aan haar gemeenschappelijk geloof uitdrukking gegeven in haar belijdenis.

Indien nu iemand die belijdenis mede aanvaardt, indien zij vorm en uitdruk­ king geeft aan hetgeen hij persoonlgk als waarheid erkent, mag men dan spreken van belgdenis-en formulier-dwang, van een knechten der gewetens?

Heeft ooit een Kerk, die in het Gereformeerd protestantisme thuis behoort, haar belgdenis aan iemand willen opleggen, met onderdrukking van zijn geweten?

Maar omgekeerd: heeft een Kerk, die nog verstaat, waarvan zij leeft, en wat haar onafwijsbare levensvoorwaarde is, niet een heilig recht, om te omschrijven, wat het geloof harer leden is? Zou zij niet het recht, ja den plicht hebben, zelve te bepalen, wie zij wil erkennen, als tot haar gemeenschap behoorend ?

Is er eenige vereeniging, die niet zelve bepalen mag, wie zij als lid wil erkennen ? En zal er ééne zijn, die toelaat, wie ingaan tegen haar grondbeginsel, en dus moeten werken als ontbindende elementen ?

Zooveel te meer is het de roeping der Kerk, die haar ontstaan niet dankt aan een menschelgk wilsbesluit, de waarheid Gods, zooals zij die verstaat, te omschrijven en te bewaren.

Zij dwingt niemand tot haar te behooren. Maar evenmin kan zij gedwongen worden, te dulden, die tot haar niet behooren.

Zoo heeft de Synode van Dordrecht niet anders gedaan dan zich keeren tegen de Remonstranten, die het levensbeginsel der Kerk aantastten.

Dat strekt haar nog na drie eeuwen tot eere.

Het Remonstrantisme heeft na Dordrecht zijn eigen leven kunnen leven, niet meer opgehouden door den strijd, dien het tevoren had te kampen.dien het tevoren had te kampen. Toen, in de dagen van Dordt, was er nog niet een organisatie, die als een verstrikkend net was heengeslagen om een innerlijk verdeeld, niet bij elkaar behoorend agglomeraat. Een net, dat bijeenhoudt, wat niet bijeen^ooH, dat niet alleen een belemmering is voor de vrije - en gezonde ontwikkeling der heterogene elementen, maar bovendien hen dwingt tot een rusteloozen strgd, die de krachten verlamt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Na 300 jaren.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's