Na 300 jaren.
1618—1918.
X. (Slot)
Zoo heeft de strgd, te Dordt uitgestreden, en de beslissing, daar gevallen, ontzaglgke beteekenis gehad, die tot in onze dagen reikt,
In de vijf artikelen tegen de Remonstranten is duidelgk en scherp omschreven, hoe de Gereformeerde Kerk zich stelde tegen de beginselen van het Remonstrantisme, en met overtuiging uitgesproken. wat zg beleed van de verkiezing en verwerping, van het verzoenend werk van Christus, van des menschen verdorvenheid en de bekeering en van devolharding der heiligen
Principieel had zg positie genomen tegen beginselen, waarvan zij inzag, en waarvan de geschiedenis heeft bewezen dat zg de gereformeerde belijdenis in het hart aantastten.
Het nageslacht, dat de belgdenis der vaderen liefheeft, zou dus wel zeer ondankbaar zijn, indien zg het werk, te Dordrecht verricht, onopgemerkt liet voorbggaan.
Wg mogen en moeten dankbaar erkennen het groote en goede, dat 's Heeren | gunst door den arbeid der Dordtsche < Synode aan Zgne Kerk heeft geschonken.
Maar het zou van groote kortzichtigheid getuigen, indien iemand meenen kon, dat te Dordt het laatste woord gesproken' was, en voor het gereformeerd protestantisme van onzen tgd geen roeping overbleef, dan het daar gesprokene te herhalen,
Was deze meening juist, dan zou er niet in de belgdenis der Souvereiniteit Gods een drijfkracht schuilen als er metterdaad in ligt, dan zou er niet iu; de belgdenis der preedestinatie een beginsel gegeven zijn van zóó centrale beteekenis en daardoor van zóó universeele strekking, dat het ook voor onzen tijd zgn toepassing moet vinden,
Helaas, dat zoo weinig gereformeerden dit beseffen; dat zg niet de roeping verstaan, in te denken en door te deuken, welke de beteeken is en draagkracht is der zooeven genoemde beginselen! Hier is een verzuim, een tekort, dat met schaamte moest beleden, en dat niet gemakkelijk zal worden ingehaald
Toen de reformatie zich baan brak, heeft zg, geboren uit een religieus besef, zich geconcentreerd op en bepaald tot het rehgieuze. De hervormers, zoowel een Luther als een Calvgn, hebben het zich tot taak gesteld, het religieus beginsel, dat hen scheidde van en stelde tegenover Rome, aan de hand der H. Schrift I te omschrgven, te ontwikkelen, uiteen te zetten.
Die strijd, die roeping,nam al hun krachten in beslag. Wel kwam tegelijk met de reformatie een andere beweging op, die uit geheel andere bron was af geleid, door beginselen werd gedreven, van geheel anderen aard dan de reformatorische; wij denken aan het humanisme, dat wortelde in het oude Grieksche ideaal.
En een dochter van dit humanisme was de met den nieuwen tijd eveneens opkomende natuurwetenschap.
Doch de reformatoïcn konden niet anders dan zich concentreeren op wat het meest aangelegen was: de vraag van de rechte verhouding van den zondaar tegenover God. Wel lag met name in de beginselen van Calvijn gepropageerd, een beginsel van universeele strekking; en in Calvijn's geschriften ligt wel aangeduid, welke de toepassing dier beginselen zou kunnen zgn op ander terrein dan dat van het religieuze leven Maar tot uiteenzetting en toepassmg daarvan is het bg hem zoo goed als niet gekomen.
Heeft nu het gereformeerde protestantisme na Calvgn de taak gezien, die hier wachtte? Heeft men, ook in de dagen van Dordrecht, beseft, welke roeping hier lag?
Daar kwamen, in den aanvang der 17e eeuw, binnen de grenzen van het erf der Kerk, meeningen en leeringen op, die van de belijdenis der Kerk afweken.
Het gevaar hiervan werd ingezien; de wapenen werden gewet en aangegespt om het gevaar te bestrgden. De overwinning werd te Dordrecht bevochten.
Maar ontkend kan moeilgk, dat het belang van den strgd toch slechts zeer ten deele werd gezien. Het gansche strgdpunt werd te uitsluitend gewaardeerd als een louter theologisch punt van verschil; dat het veel verder belang en strekking had, werd over het hoofd gezien.
Zoo heeft de overwinning dan ook niet de vruchten afgeworpen, die zg had kunnen en moeten dragen.
De beperking van de belgdenis der Souvereiniteit Gods en van de praedestinatie tot een theologische kwestie heeft iu ons land het gereformeerd protestantisme in zulk een richting gestuurd, dat het zijn roeping maar ten deele heeft vervuld.
Het is op zgn zachtst gesproken, aan sterken twgfel onderhevig, of het gereformeeerd protestantisme de universeele beteekenis van de belijdenis der Souvereiniteit Gods na de dagen van Dordrecht wel genoegzaam heeft ingezien.
Op kerkelgk terrein was de overwinning bevochten; de dwaling was afgesneden, | en de verkondigers van de belijdenis < aantastende meeningen buitengesloten.
Nu was de rust teruggekeerd na langen en bitteren strijd; eene rust, die noodzakeigke voorwaarde was voor een verdere ontwikkeling van hetgeen uit de belgdenis voortvloeide.
Doch deze gevolgtrekkingen zgn ongeveer uitsluitend gemaakt op het terrein der godgeleerdheid; welk belang de gereformeerde beginselen hebben voor het andere levensterrein dan dat der Kerk, werd uit het oog verloren,
Dit kan niet genoeg betreurd worden; en eerst wanneer de huidige gereformeerden weer op waken tot het besef van
de beteekenis en draagkracht der door hen beleden beginselen, kan er van het gereformeerd protestantisme weer een invloed uitgaan, evenredig aan zijn innerIgke kracht.
Maar zij loopen liefst door in het oude spoor, en bewegen zich niet gaarne buiten de oude, platgetreden paden; zóó wordt immers het gevaar van geestelijke inspanning gemeden, en de gevaarlijke kans ontgaan, in botsing te komen met diep gewortelde vooroordeelen en van geslacht op geslacht overgeleverde meeningen.
Het gereformeerd protestantisme heeft na de dagen van Dordrecht gestaan voor de vraag, hoe de zoo zegevierend gehandhaafde belijdenis haar dadelijke, practische toepassing zou vinden zoowel voor het kerkelijk als voor het persoonlijk leven.
Op kerkelgk terrein kon men zich op zqn gemak inrichten naar deneischvan het beginsel.
Doch voor de practijk van het persoonlijk leven der leden was het vraagstuk niet zoo eenvoudig.
Daar was nu een zuivere belijdenis der waarheid, daar was een q veren voor en een handhaven van de waarheid; eene kennis, die van geslacht op geslacht werd overgeleverd.
Doch reeds uit den Catechismus van b Heidelberg wist het gereformeerde volk, dat een oprecht, d.i. een echt geloof, een geloof van het ware gehalte, een zdd zaligmakend geloof, niet is alleen een zeker weten, maar ook een vast vertrouwen
Waar ligt nu de schakel, of liever nog de eenheid van die beide, kennis en vertrouwen ?
Dat is het probleem, dat op allerlei wijze werd beseft, en aan de orde kwam.
De geschiedenis der godgeleerdheid van de 17e eeuw zou kunnen wijzen op verschillende pogingen, gedaan om de eenheid tusschen een zuivere leer en een leven dien overeenkomstig te vinden.
En de geschiedenis van het geestelijk leven uit dien tijd kan ons toonen, hoe voor de levens-practijk de band tusschen belijden en beleven, tusschen weten en in toepassing brengen, werd gelegd.
Het is hier niet de plaats om aan te toonen, dat deze moeilijkheid ten deele voortvloeide uit een verschuiving, die had plaats gegrepen. De waarde en beteekenis van het geloof zooals die gegrepen waren door een Calvijn, was bg mannen als Voetius een eenigszins andere geworden.
Genoeg zij het, er thans aan te herinneren dat, om de zuiverheid van leven naast de zuiverheid der leer te bewaren, een levenshouding werd aanbevolen en in toepassing gebracht, Waardoor er een breede klove en een scherpe scheiding kwam tusschen de „geloovigen" en de „wereld."
Ook dit heeft ontegenzeggelijk zijne beteekenis gehad; het heeft velen, die de waarheid liefhadden, bewaard voor het gevaar van vervloeien, en het besef levendig gehouden, dat er een erve des Verbonds is, waar, in den weg des Verbonds, de Heere met Zijne bigzondere genade werkt.
Maar daartegenover staat, dat er een klove heeft gegaapt tusschen „Kerk" en „wereld", die dèn invloed der gereformeerde beginselen heeft belemmerd. Zij wilde, in de wereld zijnde, niet van de wereld zqn. Doch door de wijze, waarop dit werd toegepast, is de werking der gereformeerde belijdenis teruggedrongen en weggehouden van een terrein, waar zij haar kracht had moeten laten gelden.
Zeer zeker is door middel van het gereformeerd Piëtisme veel oprechte vreeze Gods bewaard; daar was in die mannen en vrouwen, wier begeerte was te leven naar den eisch van Gods gebod, en wier zoeken was, de zekerheid van hun zaligheid, de gewisheid van tot de uitverkorenen te behooren, te mogen erlangen, een leven bij de H. Schrift, een kennis vaak van de diepten en hoogten van het geestelgk leven, waarnaar men in onze dagen van oppervlakkig en gejaagd leven dikwgIs vruchteloos vraagt.
Daar school in die eigenaardig gerichte, maar oprechte Godsvrucht een stille en zegenrijke kracht voor ons volk, die men gemakkelijk te licht kan aanslaan.
Doch dat neemt niet weg, dat bq velen dier oprechte vromen de ruimte van blik werd gemist, de strijd over hetgeen al of niet in overeenstemming was met het Woord Gods, verliep niet zelden in kleinigheden, splinterige, nietige kwesties.
Het besef ging te loor, dat de vraag naar. de personeele zaligheid hoewel ontegenzeggelijk een centrale, groote vraag, toch niet de eenige belangrijke is.
Het moet in de religie wel allereerst, maar nimmer uitsluitend te doen zqn om de persoonlijke behoudenis.
De erkentenis der Souvereiniteit Gods als den Schepper van hemel en aarde sluit, mits goed verstaan, in zich een organische opvatting. Krachtens deze opvatting omvat de in Christus gegeven en gewaarborgde herschepping niet enkele of vele met elkaar geen verband houdende menschenkinderen, maar gansch Zijne Kerk, die Hij Zich, door alle eeuwen heen, door Zijn Woord en Geest vergadert.
En deze herschepping is weer een deel van het groote plan Gods, waaruit, naar Zijn Woord, eene vernieuwing van hemel en aarde zal geboren worden.
Dit is door de nazaten der mannen van Dordt maar al te veel vergeten. Zg hebben den band tusschen geloovigen en wereld doorgesneden, en zich maar al te veel vergenoegd met eenboeksken in een hoeksken zich terug te trekken. Daardoor mede heeft de religie haar beslag op het maatschappelijk leven verloren, en zijn het geestelgk bestaan der oprechte vromen en het leven der wereld als twee afzonderlijke sferen geworden ; misschien is zoo het leven des geloofs bewaard voor versmelting; maar zeker is zoo de mogelijkheid van invloed op het leven der wereld in bedenkelijke mate verkleind.
Moet dan de wereld maar prgsgegeven aan het verderf? Is het naar den eisch van het Woord Gods, voor de wereld in onze dagen niets meer te hopen ? Zal de Kerk van Christus de gedachte opgeven, in onzen tijd nog een factor te zijn in de cultuur?
Ongetwijfeld, geen menseh kan zeggen, ook niet de meest vooruitziende, welke stormen de wereld nog zullen schudden, welke gerichten ook over de Kerk nog zullen heengaan, want het oordeel moet beginnen van het huis Gods.
Maar zou er dan in de H. Schrift aanwgzing zijn, die recht geeft om te zeggen: het is al zoover gekomen, dat de Kerk van Christus geheel zal afgedrongen worden van hare plaats in het wereldleven, en teruggedrongen worden tot de beteekenis van een secte ?
Zal er in de orde van dingen, welker geboorte-weeën schijnen te beginnen, nog met de Kerk van Christus gerekend worden, zal zij er nog zijn zooals een zuurdeeg bet geheele deeg doortrekt?
O, het is wel verleidelijk, om zich te verliezen in chiliastische droomerijen, en niemand doet wiijs, die geen acht geeft op de teekenen der tijden I
Maar dag en uur der toekomst van Christus weet niemand, ook de engelen in de hemelen niet, zelfs de Zoon niet, maar alleen de Vader.
De verwachting der toekomst van Christus mag ongetwijfeld verlevendigd worden, ook door de beroeringen, die wg beleven. Maar dat mag ook het gereformeerd Protestantisme niet doen verslappen in zijne roeping om te werken, zoolang het dag is.
Het heeft in zgne belijdenis der praedestinatie, der Souvereiniteit Gods een omvattend beginsel van groote stuwkracht en zeer wijde strekking.
Zullen dan zg, die zich gaarne gereformeerd heeten, deze roeping laten liggen ? Zullen zg voortgaan, zich te verliezen en te verloopen in kleinzielig krakeel, in onophoudelijk geharrewar, in nutteloos en vruchteloos getwist?
Dan zal de stroom van het leven der wereld, waarbuiten zg zich plaatsen, indien zijn golven hen niet wegspoelen, toch zeker aan hen voorbijjagen. Zij zullen daar staan tot een aanfluiting, maar gerekend wordt er met hen dan niet meer.
Mochten er maar velen komen, die in waarheid leeren buigen voor de Souvereine Majesteit des Heeren, die het koningschap van Christus leeren erkennen, niet alleen in zijne beteekenis voor hun persoonlijk leven; velen, die in oprechte bezieling zich in het geloof aangorden, en vragen, of er niet in de tgden die de wereld tegemoet gaat, uit recht van het machtig beginsel waardoor het wordt gedragen, ook een plaats zal zijn voor den invloed van het gereformeerd Protestantisme, dat God als Souverein erkent, en de eer bedoelt van Hem, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's