Stichtelijke overdenking.
Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem, maar eene hongerige ziel is alle bitter zoet. Spreuken 27:7.
Zalig die hongeren!
Een van de spreuken van den wyzen koning Salomo. Een korrel goud, glinsterend onder het licht des Heiligen Geestes.
De heilige schrijver weet dat iemand, die verzadigd is, zelfs het kostelijkste van den honig nog veracht, maar dat een hoDgerige zelfs het bittere nog goed smaakt. Het is een woord dat op velerlei wijze zijn bevestiging vindt.
Een verzadigde ziel. Dit kan wezen door den rijkdom, door de goederen dezer wereld. Een sprekend voorbeeld is de rijke jongeling, die tot den Heere Jezus kwam met een zeer belangrijke vraag.
„Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? " De groote Hartekenner, Die weet in welken strik hij gevangen zit, legt hem dit ééne op: „verkoop wat gij hebt en geef het den armen en gij zult oenen schat hebben in den hemel en kom herwaarts, volg Mij." Die schat in den hemel is het honigzeem, het beste van den honig. Naar dien schat kan de geloovige wel eens onstuimig begeeren, als hij wonscht ontbonden te zijn en met Christus te wezen. Dit is toch zeer verre weg het beste Maar de jongeling ging bedroefd weg. Het wjas uit met al z'n belangstelling voor het eeuwige leven; want hij had vele goederen. Hij verwierp den Zaligmaker, weigerde Hem te volgenen vertrad het honigzeem, het kostelijkste van Christus' goederen.
Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem.
Niemand denke hier slechts aan heü die vele goederen hebben. Iemand, die weinig in dit leven heeft, kan er evenzeer aan gehecht zyn als een ander, die rijk genoemd wordt. Maar een verzadigde ziel is een ieder, die geheel en al opgaat in het materieele. Het gaat hem alleen om stoffelijke welvaart. Dit is zijn werken en zijn worstelen; zyn denken en zijn spreken. Daarvan is zijn hart vol. En er is geen plaatsje over voor de schatten van het Koninkrijk der hemelen.
Onze tijd vervult zeer vele zielen met aardsche zorgen. De geldmachten beheerschen de wereld. Zij sleuren alles mee in hun noodlottige drijfkracht. Inderdaad, wij loopen groot gevaar door den geest van onzen tegenwoordigen, materieelen tqd in beslag genomen te worden. Dan gaat het Evangelie der genade langs ons heen! Het heeft voor ons dan geen beteekenis. Het roert ons niet; 't ontsluit ons oog niet voor eene hoogere levensopvatting dan de wereld biedt.... Het Evangelie gaat langs ons heen en wij laten het gaan. En de sprake van het goed, dat eeuwig blijft en eeuwig geluk met zich brengt, wordt verworpen en vertreden. Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem.
Maar het geschiedt ook op andere wijzen. Paulus spreekt ergens van valsche leeringen, die het Kruis van Christus zochten te verijdelen. Zij riepen den menschen toe: raak niet en smaak niet en roer niet aan! Door allerlei inzettingen werd de Gemeente belast. Maar de apostel schrijft: zg hebben niet de minste waarde, maar zijn tot verzadiging van het vleesch. M. a. w. de mensch wordt er zoo mede vervuld dat er geen plaats is voor het Evangelie der genade.
De zonde van het Farizeïsme steekt op allerlei wijze het hoofd op. Wij bedoelen het streven van den mensch om door zijn goede werken zich de zaligheid waardig te maken. Niet dat wij die goede werken moeten prijsgeven. Integendeel! Wei is waar schijnt in onze kringen de leer van vrije genade ontheffing te schenken van den dienst der barmhartigheid. Men schijnt te meenen dat het met de zaak der Zendicg ook zoo nauw niet genomen behoeft te worden. De Heere zat immers wel zorgen dat er geen klauw achterblijft, zoo leeraart men. Dat de Koning der Kerk gesproken heeft van de prediking des Evangelies aan alle creaturen, wordt maar vergeten. Deleer der genade schijnt ook voor velen een vrij-brief te bevatten voor een min nauwkeurigen en eerlijken levenswandel. Waarlijk, zij die zoo denken en spreken kennen de meening des Geestes en den zin der Schrift niet.
Maar nu maakt het een hemelsbreed verschil uit of onze goede werken vruchten des geloofs zijn of dat wij er een grond van zaligheid van maken.
In dit laatste geval zijn wij gelijk aan een verzadigde ziel, die het honigzeem vertreedt. Dan zijn wij zóó godsdienstig en zoo vroom in eigen oog, dat wij uit de hoogte neerzien op den goddeloozen tollenaar. Wij hebben dan zulk een deugdzaam leven, dat God wel grootelij ks onrecht zou doen, als Hij ons niet de beste plaats des hemels gaf! Wij 'hebben dan zooveel voor den Heere gedaan, dat de Heere ook veel voor ons moet doen. Een verzadigde ziel. Het kleed der eigene gerechtigheden is zóó breed en zóó lang, dat er niets meer te bedekken overblijft door de gerechtigheid van Christus. En verkondigt ons dan de Schrift dat de Heere Jezus Zichzelf gegeven heeft om verlorenen zalig te maken, wat moet zulk een in eigen oog hoogstaand mensch dan met dat Evangelie doen? ... Geen wonder dat hq er zich van afkeert. Het verzoenend lijden en sterven is dan eigenlqk een nutteloos werk. Het ontzaggelijke Golgotha wordt niet anders dan een vertooning. Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem.
Wij denken ook aan hen, die rijk zijn in kennis, in de valschelijk dusgenaamde wetenschap. Ook van hen geldt wat de Heere Jezus zeide: het is lichter dat een kernel ga door het oog van een naald dan dat een rijke ingaat in het Koninkrijk Gods. De wetenschap dezer wereld heeft ontegenzeggelijk veel zegen voor de menschheid afgeworpen en wg mogen haar eeren onder de gaven van Gods algemeene genade, die dit aardsche leven veraangenamen. Maar nimmer kan zij onze gedachten brengen buiten de grens van de voorbijgaande wereld I Zij voert ons niet op tot de kennis Gods. Zij verootmoedigt ons niet in de kennis der zonde. Zy leidt ons niet in de wereld der geestelijke dingen; spreekt onze zielen niet van troost in leven en in sterven.
Zij kan ons wel vermoeienis des geestes geven, nnaar nimmer verkwikking onzer onsterfeliijke ziel.
En toch, er zijn zoo velen die in eigen oog veel te ontwikkeld zijn om nog in het Evangelie der genade te gelooven. Zq hebben met hun verlichte oogen de grondlagen der aarde aanschouwd, den loop der sterren gezien, de natuur in al hare schoonheid bewonderd, in de boeken der philosofen gelezen, zij hebben veel van de wereld gadegeslagen. En zij durven het haast wel openlijk verkondigen: wij hebben alles doorzien en nergens God ontdekt!, , , Kom dan tot hen met het Evangelie des Kruises, dat toch ook in Paulus' dagen den ontwikkelden Griek eene dwaasheid was, geen wonder dat zij er de schouders voor ophalen, geen wonder dat zij het verwerpen. Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem.
Het honigzeem! In dit geval, de wijsheid die van boven is, die in Christus Jezus is. Paulus, die ook aan de voeten van Gamaliel gezeten had, mag zeggen dat Christus hem geworden is wijsheid van God. Het is eene wigsheid waartoe wij door eigen kracht nooit kunnen opklimmen, maar die ons van boven geschonken wordt. Daardoor wordt ons God verklaard. Daardoor ontsluieren zich voor ons oog de geheimen der eeuwigheid en wij aanschouwen een nieuwe wereld. Wij blikken in de diepten van ons zondig hart, maar ook in de hoogte van Gods ontferming, , En wij leeren een weinigje kennen van de wetenschap der gelukzaligheid. Maar, zooals gezegd, , ... een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem.
Ook na ontvangen genade heeft dit woord ons soms nog veel te zeggen. Het gebeurt toch wel dat iemand met den Heere begint en met zichzelf eindigt. God heeft hem gegrepen door Zijn machtige hand. Een nieuw leven is in hem begonnen. De zonde leerde hij haten, den dienst des Heeren liefhebben. Oprecht begeerde hij dat de eere Gods en de ge' nade van Jezus Christus in zijn leven maar verheerlijkt zouden worden ... En toch kan het wezen dat men later op zulke valsche gronden zijn zaligheid gaat bouwen, dat de eenige en eeuwige rotssteen, Christus en Zijn Kruis, geheel aan de voeten ontzonken is. Het nieuwe leven wordt dan rustpunt des geloofs; of de diepe en moeilijke weg, dien God met ons nam, maakt de zekerheid van ons heil uit; of de verkwikking in het gebedsleven ondervonden, de vertroosting van Gods bemoedigende beloften vormen de steunsels waarop wij leunen. Maar van hoeveel waarde alles wat God in ons deed ook heeft, wat Hij buitm ons in Christus Jezus heeft tot stand gebracht, is en blijft het vaste fundament van de Kerk des Heeren. Het hart des menschen is arg^ listig, meer dan eenig ding, en daarom is het gevaar zoo groot dat hij, die met den Heere begonnen is, met bei vleesch eindigt. Paulus' achtte het noodzakelqk de Gemeente van Galatië toe te roepen: „Staat dan in de vrijheid met welke Christus u vrijgemaakt heeft en wordt niet weder met het juk der dienstbaarheid bevangen." Op zoo velerlei wgze blijkt de waarheid van deze spreuk: een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem.
Maar aan eene hongerige ziel is alle bitter zoet. Zelfs het bittere smaakt een hongerige nog goed, hoe zoet, hoe smakelgk moet hem dan het honigzeem wel wezen ?
Een hongerige ziel! En wij denken aan iemand wiens oogen geopend zqn voor de werkelijkheid der geestelijke dingen. Het is hem waarheid geworden, smartvolle waarheid, dat hij tegen God gezondigd heeft en steeds nog zijn zonde vermeerdert. Die waarheid drukt hem neer als met een looden gewicht. Het leerstuk van des menschen ellende werd één met zijn ziel, zoodat geen machten ter wereld die twee zouden kunnen scheiden. „Waaruit leert gij uwe ellende? " Het wordt den geloovige gevraagd, die ook antwoord gaf op de eerste vraag van den catechismus. Gods kind blijft zijn ellende leeren uit de wet. Overzie dan, mijn lezer, den ganschen weg, dien God met u nam, en gij zult mij. toestemmen dat uw zonde-kennis steeds dieper werd en met steeds vaster lijnen in uw bewustzijn geteekend werd, juist in dien tijd toen gij in heerlijke geloofsstukken werd ingeleid. Maar zoo ontstond er dan ook een honger naar de gerechtigheid en gy mocht de vertolking van uw zielsverlangen wel eens vinden in het psalmwoord: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziel tot U, o God! Een hongerige ziel! Wij bedoelen dus hiermede niet slechts hen, die in een staat van gedurige bekommering leven, wijl zij Christus nog niet kennen als hun Zaligmaker.
Niet slechts hen, maar ook de anderen, ie de vrijheid der kinderen Gods ervaren mochten. Doordat zij allen, hoewel n verschillende mate, met God te dóen kregen, kregen zij ook met hun zonde te doen. Het is toch de Heere der heirscharen, voor Wien de engelen in het driemaal-heilig hun aangezicht bedekken, voor Wien dan ook ik sta met mijn innerlijk bedorven levensbestaan. God eischt rekenschap van mij. En ik heb nooit iets anders gedaan dan Zijn wet geschonden, Hoe zal ik dan voor Hem bestaan kunnen? Een vraag die des te pijnlijker wordt naarmate ik veel van Zijn zegenende liefde ervaren heb. En was er dan in Christus Jezus geen Borg voor mijne ziel, ik zou onder den last der zonde-kennis bezwijken , , .. Het verlangen dat eens, voor het eerst, ontwaakt, en telkens weer, gedurende het gansche leveü vaü Gods kind uitgaat naar de Borggerechtigheid van Christus, is de honger der ziel, wa.atover de Heere Jezus zelf Zijn „zalig" heeft uitgesproken; Het is de honger' waaraan ook Paulus uiting geeft in de woorden: ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis vaia Christus Jezus, mgnen Heere; om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus móge gewinnen, , en in Hem gevonden worde, niet hebbende mgne rechtvaardigheid, die uit de Wet is, maar die door het geloof van Christus is, nl. de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof.
Zulk een hongerige ziel kan geen verzadiging vinden in het materieele dezer wereld, Eén goed slechts, één schat slechts kan hem bevredigen. Hij kan het soma uitweenen en uitjubelen, tegelgkertijd. Dit ééne is hèt; dat ik weet niet mijn, maar mgns getrouwen Zaligtiiakers Jezus Christus eigen te zijn.
Een hongerige ziel. Het is iemand die met al zijne gerechtigheden en deugden niet bestaan kan voor den Heere. Hij is arm in deugd, bg het meest nauwgezette, oppassende leven, arm in eigen oog. Hij is arm in het gebed, ook al vermenigvuldigt hg zijn gebeden, soms bg dagen en bij nachten. Hij is arm in elk geestelijk goed, ook al is hij lang geen vreemdeling in het genade-leven. Ja, hg werpt al de bevindingen zijner ziel weg, als hij maar Christus mag overhouden, om in Hem gevonden te worden.
Aan zulk een hongerige ziel is alle bitter zoet. Mogen wij misschien hier denken aan de bitterheden die aan dit aardsche leven verbonden zijn? In ieder geval maakf 's Heeren verkoren volk in de woestijn van dit leven kennis met vele Mara-bronnen. En dan moet eerst het hout van Gods genade er in geworpe», zullen zg zoet wezen. Maar dan blijkt toch ook dat er voor hen die den Heere vreezen iets is weggelegd, dat door de wereld niet begrepen wordt. Als wiij ons zelf maar veroordeelen mogen, bij de zwaarste slagen, die op ons neerdalen, zal Gods ontferming nog worden opgemerkt. En er kan een kussen wezen van de roede. Een hongerige ziel is het bitter zoet.. En als wij dan den Heere ontmoeten mogen als een Vader, Die Zijn kinderen kastijdt, hoe zoet is dan de eerst zoo bittere Mara-bron En verplaats u dan, mijn lezer, in den kerker van Philippi, Daar zitten Paulus en Silas, met bebloeden rug vanwege de geeselslagen. Ach, wat zijn zij er uitwendig ellendig aan toe! Toch zingen zij! Toch loven zij God! Toch prijzen zij Zijn Naam! Waarlijk, gedenk er aan, wat de Heere ons in moeilijke, in donkere tijden geven kan; aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
Mogen wij hier misschien ook denken aan den eenvoudigen inhoud van het Evangelie der genade ? De apostel spreekt toch ook van-de ergernis van het Kruis. Het middelpunt van Gods goedettieréiiheid is de Man van Smarten, Die geen gedaante noch heerlijkheid had, dat wg Hem zouden begeerd hebben. Wel, dan zal ook alles wat van dien Zaligmaker gezegd wordt, het kenmerk van Dien Verachte dragen. Zeker, door woordenkeus en voorstelling der gedachte zal ook het Evangelie aangenaam gemaakt worden aan de gewetens der menschen. Maar dit geschiede nimmer ten koste van het Evangelie. Dan, kon door de schoonheid van woorden het Kruis wel eens verijdeld worden. In den grond blgft het een woord van den door de wereld gehaten Rabbi!
Maar een hongerige ziel is alle bitter zoet! Het Evangelie van het Kruis is voor een verootmoedigden zondaar het lieflijkste geworden, waarin zijn ziel zich verlustigen mag. En er zijn tijden in zgn leven waarin hg eerlgk mag zeggen: wat zoü ik in deze mijne levensdagen hebben als ik Uw Woord, o Heere, missen moest, „Hoe zoet zijn Uwe redenen voor mijn gehemelte geweest, meer dan honig voor mijnen mond"
Zijn dierb're leer verspreidt Een straal van billgkheid. Daar z' all' onwaarheid haat, Z' is 't menschdom meerder waard. Dan 't fijnste goud op aard; Niets kan haar glans verdooven; Zg streeft in heilzaam zoet, Tot streeling van 't gemoed, Den honig ver te boven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's