De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

Een nationale Biddag.

De Minister van Binnenlandsche Zaken Jhr. Mr. Ch. Ruys de Beerenbrouck heeft aan de verschillende Kerkgenootschappen het volgende rondschrijven toegezonden:

„Mijn rondschrijven van 18 October j.l. heeft tot mgn voldoening bij U in zeer ruimen kring instemming gevonden. Kennelijk is de drang tot verootmoediging en het inroepen van Gods hulp in den nood van dezen tijd bij velen levendig. Dit besef schenkt mij vrijmoedigheid den Kerkgenootschappen namens de regeering in overweging te geven, een biddag of bidstond te houden. Eenzelfde dag ware hiertoe te bestemmen, op welken dag van regeeringswege zooveel mogelijk zal bevorderd worden, dat ieder desverlangd in de gelegenheid zij daaraan deel te nemen. Naar de meening der Regeering zou Donderdag 28 November, bg voorkeur de voormiddag, daarvoor een geschikt tijdstip zijn. Indien uw kerkgenootschap zich hiermede kan vereenigen, wordt het voordeel verkregen, dat over het geheele land de bidstond ongeveer op denzelfden tijd wordt gehouden".

In verband hiermee verscheen in de Staatscourant de volgende mededeeling:

„De Regeering gevoelt, met het oog op de tijdsomstandigheden, behoefte om, in overleg met de kerkgenootschappen, een algemeenen biddag of bidstond te houden. De nood der tijden, die zich ook in ons land zoozeer doet gevoelen, dringt in het bijzonder tot verootmoediging en tot het inroepen van Gods hulp.

Zij gaf, nadat haar was gebleken dat haar voornemen bij de kerkgenootschappen groote instemming had gevonden en zij op den steun van deze kan rekenen, aan de verschillende kerkgenootschappen in overweging om, zoo mogelijk, op Donderdag 28 November e.k. in den voormiddag zoodanigen biddag of bidstond te doen houden".

Ontspanning.

De Heere heeft groote dingen onder ons gedaan, dies zijn we verblijd.

Wat zijn het andere dagen dan een week geleden. Toen leefde de angst voor een burgeroorlog in ons harte en nu is de revolutietoorts gedoofd. Nu gaan we ook eerst pas beseffen, dat er wapenstilstand gesloten is, dat de vredestoestand is ingetreden, ook al is de. vrede nog niet geteekend.

De goede hand onzes Gods heeft hierin ons Volk en Vaderland beweldadigd en het past ons Hem ootmoedig en blij daarvoor te danken. achter ons ligt!

Want in de benauwdheid is er veel gebeden, veel geworsteld voor het aangezicht Gods, zoowel in het paleis van onze dierbre Vorstin, als in de woning van den meest eenvoudigen burger. En alle burgerlijke partijen werden op een hoop gedreven, om, onder den indruk van de meest ernstige tijdsomstandigheden, elkander te zoeken en saam zich te scharen rondom Oranje's troon.

Wat is er vergaderd! Wat is er gemanifesteerd!

En toen de kroon van den ongekroonden revolutiekoning Troelstra in het zand viel, onder bekentenis: ik heb mij in het Nederlandsche volk vergist — toen werd de vlag uitgestoken, de Oranjecocarde kwam voor den dag, het werd druk op straat en die Maandag 18 November, — den Oranje-Maandag van h jaar 1918, —den Haag bereiken konden, snelden naar de Residentie om tegenwoordig te zijn bg de grootsche huldebetooging op het Malieveld, waar H. M. de Koningin zelve verscheen, vergezeld van den Prins en het Prinsesje.

Nooit hebben we den Haag zóo vol gezien van menschen, die totopdedaken zaten, om onze geliefde Koningin te zien. En als zij op het Malieveld is aangekomen, waar een ontelbre menschenmassa saamgedrongen . was, werden de paarden van het rijtuig afgespannen en jonge, kloeke soldaten streden om de eer het koninklqke rijtuig, met het doorluchte gezelschap, tusschen de menschen door te mogen trekken.

We zijn van deze dingen getuigen geweest.

We hebben de Koningin zien zitten, zien staan, hooren spreken — en gelijk in haar oog een traan blonk, zoo was het bg velen van haar onderdanen I

De Heere heeft groote dingen onder ons gedaan, dies zijn we verblijd.

Het gevaar voor revolutie, burgeroorlog, staking is afgewend.

Der Socialisten koning heeft zich geblameerd. Het nationaal gevoel onder ons volk is versterkt. Het huis van Oranje is gehuldigd zooals nooit tevoren.

Het leger is ontwaakt. Ons past bigde dankbaarheid. Maar tegelijk waakzaamheid.

Want wat nu niet is geschied, omdat men bemerkte, dat men zich in den volksgeest, in den geest óók van het leger en van de politie, had vergist, is slechts uitgesteld tot het oogenblik geschikt is, om er weer opnieuw mee voor den dag te komen. En nu gelooven we wel, dat de beweging der socialisten en de bedoelingen van de Neutrale Vakvereenigingen in deze dagen openbaar geworden, hunne actie geen voordeel zullen doen. De oogen van ons volk zijn nu wel opengegaan voor het roekeloos gedoe van de roode en neutrale heeren. Maar nu moeten we ook verder gaan.

De sociale nooden van ons volk moeten beter gekend en dieper gevoeld worden onder ons. De talloos vele ohristelijke arbeideis die verkeerd georganiseerd zijnj moeten uit de neutrale en roode vakvereenigingen uit. Ze moeten niet marcheeren onder commando van menschen als Oudegeest en Troelstra. Ze moeten aansluiting zoeken bij de christelijke vereenigingen als Patrimonium en de Chr. Nat. Werkmansbond.

Ook die duizenden die nog niet georganiseerd zijn, moeten zich nu aansluiten bij een vereeniging. Men heeft nu gezien wat organisatie vermag te doen. Door de algemeene mobilisatie van onze christelijke vereenigingen is het'in den middellijken weg ook gekomen tot het afwimpelen van de revolutiebeweging. En onze mannen hebben ook voor den voortgang te bedenken: „eendracht maakt macht."

De christelijke politieke partijen hebben ook elkander méér te zoeken. Niet dat verbgten en vereten van elkander; maar schouder aan schouder staan nu. Er is dikwijls veel meer gemeenschap dan men wel denkt. En de kleine verschillen vallen weg tegenover de groote gevaren, die van alle kanten dreigen.

Ook de Kerk — en zg voorall — kan veel leeren uit de gebeurtenissen van deze week. Ons volk moet gebracht onder het geklank van het Evangelie, juist waar de beginselen van de revolutie hoe langs hoemeer worden gepropageerd in het midden van de natie. In de groote steden moet de massa bewerkt worden met het Woord. En onze Herv. Kerk heeft op te houden een log lichaam te zijn op onvaste voeten zich waggelend voortbewegend. Wat sluimeren in onze Herv. Kerk nog vele goede krachten. Wat is er met eenig overleg en goede samenwerking door allen die op den bodem van Gods Woord staan en de beginselen onzer belijdenis lief hebben, nog veel te doen.

Laat men hen, die niets liever dan tweedracht zaaien, ook onder de broederen, eenvoudig alleen laten staan. Ze zijn het aankijken niet waard! Om dan elkander te zoeken, bg het dreigen van die ernstige, groote gevaren, waarvan we deze week iets hebben gezien, gehoord en gevoeld.

Wat ellendige verdeeldheid onder degenen die kerkelijk bij elkaar hooren, die niet gescheiden van elkaar moesten leven, maar in één Kerk samenwonen.

Wat ellendige verdeeldheid onder partijen in de Kerk, die saam moesten optrekken, schouder aan schouder, tegen het ongeloof. Wat jammerlgke verdeeldheid in politieke vereenigingen, in werkmansvergaderingen, in sociale-en vakvereenigingen.

Kunnen — denk eens aan de machtige, overweldigende actie der Roomsch-Katholiekenl — kunnen we van onze verkeerde wegen niet loskomen, om de handen in elkaar te leggen, de harten saam te verheffen tot God, endansê, am aan 't werk te gaan, waar er nu in het midden van ons volk zoo veel, zoo héél veel te doen is?

De Heere zg ons in deze genadig en geve ook in deze nog eens het goede van Zijn hand.

Synodalia.

Volgens verslag der Synodale Commissie is de uitslag van de eindstemming der Provinciale Kerkbesturen aldus:

I. De toevoeging aan art. 3* Algem. a Regl. (betreffende de uitoefening van het stemrecht volgens de bepalingen van het Syn. Regl. op de benoeming) blijkt aa«genomen te zijn met 61 st. (2 st. tegen).

II. De wijziging van art. 3* Algem. Regl. (betreffende de toekenning van het stemrecht aan de VROUWELIJKE LIDMA­ TEN) verkreeg 36 st., terwijl 27 tegen zijn. Aangezien 2/3 van het stemmenaantal noodig is, is de wgziging VERWORPEN. De vrouwen krggen het stemrecht in 4e Kerk dus niet.

III. De wijziging van art. 3* Algem. Regl. (betreffende de toekenning van het stemrecht aan de bedeelden) is aangen men met 57 tegen 6 st.

IV. De toevoeging aan art. 3* Algem. Regl. (betreffende stemrecht van personen die tengevolge van grenswgziging tot eene andere gemeente overgaan) is aangenomen met algemeene (63) stemmen.

V. Het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen is aangenomen niet 40 tegen 23 stemmen

VI. De wijziging in het Regl. op het hulppredikerschap (bedoelende het aanstellen van predikanten van kleine ge meenten als hulpprediker in grootere) is aangenomen met 45 tegen 18 stemmen

VII. Het reglement op de archieven is aangenomen met 52 tegen 11 stemmen

Attestatiên. Uit Hand. 18 : 27 en Rom. 16:1 zien we, dat het wel gewoonte was iemand aanbevelingsbrieven mee te geven. In een geschrift uit de eerste helft der 2de eeuw, de Didache, vindt men dan ook het volgende: eder, die komt in den naam des Heeren, moet gij aannemen. Dan moet gij hem beproeven en gij zult hem kennen. Is de komende een doorreizende, zoo ondersteunt hem zooveel gij kunt. Hij moet echter bg u slechts twee, of zoo noodig drie dagen vertoeven. Wil hij zich onder u vestigen als handwerker, dan moet hg door arbeid zijn brood verdienen. Verstaat hij geen handwerk, zoo overlegt naar uw beste weten, hoe een christen onder u niet ledig leve. Wanneer hij zich echter daarnaar niet wil schikken, zoo is hig iemand, die met den Christennaam gaat bedelen. Voor dezulken neemt u in achtl"

Dit doelt op correspondentie tusschen de verschillende gemeenten onderling, waarbij aanbevelingsbrieven noodig waren wilde men ergens een vreemdeling opnemen. Ontbraken die brieven, dan twijfelde men aan leer en leven en ontving zoo iemand niet. Zoo verhaalt Epiphanias, dat de gemeente van Rome weigerde Marcionop te nemen, wgl hg geen schrgven van zijne gemeente medebracht.

In de Kerken van de reformatie bleken deze getuigenisbrieven ook noodig. Bij de vele vluchtelingen waren ook allerlei dwaalgeesten, zwervers en landloopers, die bij de broeders en zusters kwamen aankloppen en dikwijls met een vroom gezicht wat wisten los te krggen of zich in de gemeente in te dringen. Tegen deze misbruiken trad de Synode van Emden, 1571, waarschuwend op en achtte het raadzaam den Kerken aan te bevelen „dat deghenen, die vandaer vertrecken, voortaen niet en sullen als huysghenooten des Gheloofs gheholpen werden in andere Ghemeenten, ten zij datse attestatie of ghetuygenisse hebben, hoe sg sich te voor in leere ende leven by de Ghemeynte, va daer sy ghecomen zijn, ghedraegen hebben." (Zie art, 43 tot 46 van de Acta der Emdensche Synode).

Uit alles blijkt, dat men wenschtedat er onderlinge correspondentie tusschen de verschillende Kerken zou zijn en dat men alles zou bevorderen wat dienen kon tot wasdom der Kerken (art. 43), waartoe het uitreiken van attestaties mede dienen moest.

Zoo werd op de Synode van Dordrecht, 1574, bepaald: „Die een wettelicke ghetuyghenisse brenght sal tot den Nachtmale toeghelaten worden, ten sy dat het langhen tijdt te voren gheschreven is, want alsdan moet men na sulcken vernemen, even als of sey gheen ghetuyghenisse en hadden" (art, 71 Acta der Synode).

Een attestatie is dus maar niet een kerkelijk verhuisbiljet, maar een getuigenis door de eene Kerk afgegeven om den vertrekkende aangaande leer en leven voor te stellen aan eene andere Kerk, alwaar de vertrekkende zich bij den Kerkeraad heeft te vervoegen met verzoek in de Gemeente te mogen worden opgenomen en tot het Avondmaal te worden toegelaten.

Ook in deze dingen staat het niet goed in het midden van onze Herv. Kerk. Want onder ons wordt de attestatie beschouwd als een verhuisbiljet, 't welk de eene kerkeraad afgeeft en de andere kerkeraad eenvoudig, zonder meer, ontvangt. Doch zoo is het nooit in het midd van onze Geref. Kerk geweest. Daar to werd iedere plaatselijke Kerk erkend in haar volle, zelfstandige, beteekenis.

En de correspondentie was er om elkander in te lichten, vooral in zake leer en leven der lidmaten, waarbij iedere Kerk, gebonden aan Gods Woord, met een zekere autoriteit optrad.

Geen attestatie of getuigenis werd dan ook door een Kerk aan den vertrekkende afgegeven dan nadat eerst aan de gemeente, enkele weken te voren, was bekend gemaakt dat attestatie aangevraagd was door broeder of zuster N. N. De gemeente kon dan, als zij wilde, bezwaren inbrengen, want die mededeeling aan de gemeente was maar niet een bloote vorm, maar bedoelde inderdaad, dat de gemeente mede zou oordeelen of aan den vertrekkende een attestatie van goeden wandel kon en mocht uitgereikt worden, opdat de Kerk, waar deze zich bijvoegen zou, met de komst van bedoelden broeder niet bedrogen zou uitkomen.

Daarom moet ook na het aflezen  in de gemeente, dat een attestatie aangevraagd is, eenigen tijd gewacht worden voor het getuigschrift afgegeven wordt, opdat er tgd genoeg zij voor het indienen van de bezwaren.

Wil men dus bg zijn vertrek de attestatie gaarne zelf meenemen, zoo zal men met de aanvrage niet moeten wachten tot het laatste oogenblik, daar een kerkeraad dan zou moeten antwoorden, dat . meegeven van het kerkelijk getuigschrift niét wel mogelijk is.

Vraagt men nu: wat is meer aan te bevelen, de attestatie met den vertrekkende mee te geven of het getuigenis toe te zenden aan den kerkeraad ter . plaatse, dan moeten we antwoorden: het eerst:

Hierin zijn bg ons de gevoelens dik­ wijls verward en niet juist, omdat we in onze Herv. Kerk helaas niet goed meer weten te onderscheiden de positie der plaatselijke Kerken. Wij beschouwen de gemeenten dikwijls helaas 1 slechts als deelen van het groote geheel. En die lid van de Gemeente (Kerk) te Amsterdam ia, moet het ook maar ziijn te Rotterdam of te Leeuwarden. En zoo is 't bg ons veelal practijk geworden, dat een „ambtenaar" het stuk in orde maakt, dat, na geteekend te zijn, aan het kerkelgk bureau van een of andere gemeente wordt toegezonden, alwaar dan door den betrokken „ambtenaar" de inschrijving plaats heeft.

Zoo meent men dat men ook het best nog alle lidmaten bij elkaar houdt, daar anders immers nog gevaar dreigt, dat iemand z'n attestatie niet inlevert, 't zij uit slordigheid, 't zij uit onverschilligheid, 't zij omdat men zich wil voegen bg een endere kerkgemeenschap. Daarom zegt men dan, dat het 't verstandigst is, als de eene kerkeraad de attestatie maar toezendt aan den anderen kerkeraad, want „hebben is hebben en krijgen is de kunst." Hoe grooter de Kerk is, hoe liever men 't heeft, al bestaat de grootheid eener Kerk soms ook voor 't grootste gedeelte uit... paperassen I De menschen is minder, als men de attestatie maar heeft!

Heel deze beschouwing is verkeerd. En deze practijken zijn dan ook niet goed.

We moeten in 't oog houden wat een attestatie is en hoe een Kerk alleen maar groeien en bloeien kan. Hoe de wasdom van het lichaam van Christus waarlijk bevorderd wordt.

Immers is een attestatie een getuigenis van de kerk waar men woont, dat men belijdenis des geloofs heeft afgelegd, dat men den toegang tot het H. Avondmaal heeft gevraagd en verkregen en dat men in leer en leven zich heeft aangesteld, zooals het een christen past.

Om zoo'n getuigenis gaat het.

En zoo'n getuigenis moet de vertrekkende dan meenemen, om met dat getuigenis ter plaatse waar hij wonen gaat, zich tot den kerkeraad te wenden, daar ter plaatse verzoekend in het midden der gemeente te mogen worden opgenomen en daar ter plaatse tot den disch des Heeren te mogen worden toegelaten.

De dingen staan niet zóo, dat de eene kerkeraad deze dingen met den anderen kerkeraad in orde kan maken, zonder dat de persoon in kwestie, of het huisgezin dat het raakt, er iets van weet.

't IStaat ook niet zóo, dat men bij z'n vertrek zich bij den kerkeraad heeft te vervoegen, zeggende: „U moet mij een attestatie geven"; evenmin als het past, wanneer men ter plaatse waar men komt, zeggen gaat: „U moet mij inschrijven."

Een attestatie is geen verhuisbiljet, dat over gezonden kan worden van de eene gemeente naar de andere gemeente, zonder dat hg, die verhuist, zich nader verklaart of iets van zich laat hooren. Neen! een attestatie is een verklaring van de eene gemeente, inhoudende dat hij die vertrekt, door haar tot de sacramenten is toegelaten —welke verklaring moet worden overgelegd in het midden van de andere gemeente, door hem die aldaar begeert in het midden van de gemeente te worden opgenomen, om daar ook te kunnen deelen in de voorrechten welke de geloovigen mogen genieten in Christus, naar Gods Woord.

Zonder dat iemand de begeerte openbaart en oprecht verklaart, dat hij in de gemeente wenscht te worden opgenomen, kan er geen meeleven met de gemeente ter plaatse wezen, waarom dus ook door den betrokken persoon de attestatie zelf moet worden ingediend.

Natuurlijk is het niet verkeerd, dat de kerkeraad te A. aan den kerkeraad te B, bericht zendt, dat er een lid der gemeente uit A, vertrokken is en zich metterwoon te B, heeft gevestigd.

De kerkeraad te B. kan daar dan z'n voordeel mee doen en heeft bedoeld persoon op te zoeken enz. Maar de inschrgving mag, naar Gereformeerd Kerkrecht, niet geschieden vóór de persoon zelf zijn attestatie heeft ingeleverd.

Daarom vinden we de bepaling, dat door den kerkeraad ten spoedigste bericht van verhuizing gezonden zal worden, uitnemend.

Want als men niet weet, dat zich iemand in de gemeente gevestigd heeft, kan men er ook niet naar omzien. Maar we moeten toch vooral blijven waken, dat de Gereformeerde gedachte in betrekking tot het afgeven en inleveren van attestaties niet nog meer verloren gaat dan reeds het geval is. Het bureaucratische moet in onze Herv. Kerk niet dlles gaan worden. Ook moeten we weer meer gaan voelen, dat, volgens Geref. Kerkrecht, elke plaatselgke Kerk een eigen zelfstandig lichaam is, dat geestelijk wel éen is met de geheele Kerk, maar institutair niet een afdeeling is van het groote geheel. Die gedachte zit er helaas! veel te veel in het midden van onze Herv. Kerk, omdat men dat ook zoo lang ons heeft geleerd. Maar tegen die gedachte en tegen de practgken daaruit voortvloeiend moeten we hoe langs hoe meer protesteeren en 't moet in het midden van onze Herv. Kerken weer langzamerhand zóo worden, dat de echte gereformeerde gedachten weer gaan zegevieren.

Dat is het behoud van onze Kerken! De attestatie moet dus aangevraagd worden 'en moet ter plaatse dan worden ingeleverd.

En elke kerkeraad heeft dan te oordeelen naar uitwijzen van Gods Woord en in aansluiting van de Kerkorde, gelijk van ouds in alle Geref. Kerken gewoonte is geweest.

Zoo is de kerkeraad vrij om op de attestatie aanteekeningen te maken. Want de Kerk, waarbij men zich wenscht te voegen, heeft recht om de waarheid te weten. De attestatie moet wat beteekenen. 't Is maar geen dood formulier. Vandaar ook dat, wanneer de attestatie eerst na langen tijd wordt ingediend, het getuigenis niet maar zonder meer wordt aan genomen. Er kan immers zooveel gebeurd zijn in dien tusschentijd. En men moet toch weten, of iemand een goed getuigenis heeft aangaande leer en leven! (art. 71 Acte Synode van Dordt 1574.)

Onder ons staat heel de attestatiegeschiedenis niet zuiver.

Natuurlijk niet. Omdat men onder ons veel te veel van de gedachte uitgaat: dat men een attestatie móet geven en dat  men een attestatie moet ontvangen.

Men gaat onder ons van de beschouwing uit, dat de plaatselijke Kerk slechts een afdeeling van de groote volkskerk is, en dat men dus eenvoudig maar behoeft overgeschreven te worden uit het lidmatenboek te A, in het lidmatenboek te B,

Onze vaderen hebben zich in deze ook bezig gehouden met de vraag: „hoe men handelen sal met die personen, die attestatiên brengen, niet geschreven in behoorlijcke forme ende onderteyckent van zoodanige predicanten, die zijn van onsuyver leere, "

Den 25sten Nov, 1614 antwoordde de kerkeraad van Amsterdam op de vraag: „Dat men aangaende het eerste lidtvan die vrage, sal volgen de ordinantie van de vorige synoden, als dat de attestation behooren te ghetuygen van leere ende leven, ende onderschreven te syn van twee persoonen uyt den Kerckenraet off neffens onderteyckeninge van een persoon met het segel versegelt: Aangaende het ander lidt, dat men die persoonen, die sulcke attestatiên brengen, op haar attestatie wel niet en sal aennemen, doch evenwel niet voor het hooft stooten".

Vooral dit laatste is dus een moeilijke kwestie.

Zoolang de Kerk dergelijke leeraren aan het woord laat, zal men ten opzichte van de leerlingen uiterst voorzichtig moeten zijn. De attestatie zoo maar niet aannemen, dech evenwel hem niet voor het hoofd stootén....

Op de Syüode van Enkhuizen, 1618, werd in aansluiting hieraan bepaald, dat men geen attestatiên van Remonstrantsche predikanten zou aannemen „maer de luyden, daarmede comende, op een nieu ondersoecke". (Reitsma en Van Veen, Acta II, blz. 29.)

Men zocht dus naar middelen om te midden van de verwarring ook bij de attestaties zooveel mogelijk tucht te oefenen en de belijdenis der Kerk te handhaven. En waar er zooveel afwijking was, trachtten de verschillende Gereformeerde Kerkeraden zooveel in hun vermogen is te doen, om de schapen van de bokken te onderscheiden en de gemeente te bewaken tegen grijpende wolven.

Waarheid en leugen kunnen en mogen ook niet samengaan en een huis dat tegen zich zelf verdeeld is kan niet bestaan.

Zoo kon het dus gebéuren, dat iemand niet op grond van zijn attestatie als lid erkend werd en dat er een nieuw onderzoek werd ingesteld.

Dat was ook 't geval toen Ds. Leenhof in 1708 door de Synode van Overijsel werd afgezet, maar door de magistraat van Zwolle werd gehandhaafd.

Toen besloten onderscheidene provinciën o.a. dat de kerken geen attestatiên uit Zwolle meer zouden aannemen, maar dat bij lidmaten, die van Zwolle kwamen, opzettelijk zou onderzocht worden, ofzjj van de gevoelens van Ds. Leenhof vrij waren, om ze alleen in dat geval als lidmaten in te schrijven.

De attestatie-kwestie is in onze dagen een moeilijke kwestie, laten we dat niet vergeten en maar eerlijk bekennen. En hoe zal er verandering komen ten goede?

Niet door wild en onbesuisd ingrijpen.

Dat lijkt misschien wel heel wat, maar ieder kan aanstonds weten, dat zulks toch eigenlijk dom en dwaas is, tot niets anders leidende dan tot verwarring, conflicten en scheuring.

Neen! we moeten de Gereformeerde gedachte weer naar voren gaan brengen. We moeten die weer gaan voelen. We moeten dit — en zooveel meer nog — in het rechte licht gaan zien en dan alles saam naar voren brengen, om te staan naar herstel van de Gereformeerde beginselen en practijken, waarbij onze Herv. Kerken zeer zeker zullen welvaren.

Eerst moeten we weer Gereformeerd gaan voelen — dan zullen we ook weer Gereformeerd gaan handelen. En omdat het Gereformeerde beginsel het beginsel der Schrift en der belijdenis is,  hebben onze Herv. Kerken er recht op, dat zq in die Geref. banen weer geleid worden, waarbij de Heere Zijn zegen ons niet zal onthouden, gelgk Hij beloofd heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's