Uit het kerkelijk leven.
De Kerk en het Woord Gods.
XIII.
De leidende beginselen bij de afsnijding zijn de eare Gods, de heiligheid der gemeente en de behoudenis van den zondaar.
De Kerk laat hare afgesneden leden niet aan hun lot over. Althans dat mag zij niet do«n. De goede herder, die de 99 schapen wel een oogenblik alleen liet om het ééne, afgedwaalde schaap te zoeken, is daarin tot voorbeeld (Luc. 15:3-7). En Jacobus spreekt evenzoo, als hg zegt: broeders indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald en iemand hem bekeert, die wete, dat degene, die eenen zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel' van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken" (5 : 19, 20).
Daarom is het ook zoo groote vreugd indien in Christus' Kerk het Formulier van de wederopneming van de afgesnedenen gebruikt mag worden — 'tweik helaas I evenwel weinig of nooit gebeurt, daar men in den regel ziet, dat de geest der wereld overwint, dat het van kwaad tot kwaad voortgaat en dat men alzoo geheel vervreemdt van de geestelijke dingen na, om der zonde wil, te zijn afgesneden van de gemeente.
Maar toch, het gebeurt soms, dat zg, die rechtvaardig, uit oorzaak van hunne zonden, afgesneden zgn van de gemeente, met berouw wederkeeren en vragen, weder in de Kerk te mogen worden opgenomen. En waar er blgdschap in den hemel bg de engelen is over één zondaar die zich bekeert, daar is er ook blijdschap in de gemeente als een afgedoolde in de schaapskooi van Christus wederkeert.
Van ouds is men zeer voorzichtig geweest in dat wederopnemen van de afgesnedenen. De Montanisten en de Novatianen wilden iemand, die zich aan eene ergerlijke zonde als afgoderij, echtbreuk, moord, afval enz. schuldig maakte, met den ban voorgoed uit de kerk sluiten en hem nimmer de gelegenheid tot wederopneming openstellen. Dat was meedoogenloos hard, al kwam het voort uit de goede bedoeling, de Kerk voor verwereldlijking te bewaren.
Allengs werd de poort, waardoor men terugkeeren kon, wat verder opengezet. Het Concilie van Carthago, 251, besloot, zonder beperking alle boetvaardige zondaren weder op te nemen in de Kerk, Toch bleef het ook toen een lange weg, want de wederopneming moest langs vier trappen geschieden, waarvan elke trap een jaar, soms nog langer, duurde. De eerste was het geween, als de boetelingen, in rouwkleed aan de kerkdeur staande, de geestelijkheid en de gemeente smeekten voor hen te bidden en wederopgenomen te worden. De tweede was het luisteren, waarbij den boeteling vergund werd, achter in de kerk bij de deur staande, de prediking aan te hooren, maar nog niet deel te nemen aan het gebed. De derde was het knielen, waarbij zij in de kerk knielend het gebed, dat voor hen gedaan werd, mochten aanhooren. De laatste trap was het deelnemen aan heel de godsdienstoefening, uitgezonderd het Avondmaal, dat zij staande mochten bijwonen, zonder echter mede aan te zitten. Na dezen langen wég der boete had dan eindelijk de wederopneming in de gemeente plaats. Door middel van handoplegging, het geven van den broedèrkus en het toelaten tot het Avondmaal, werd de verzoening voltrokken.
De Hervormers, met name Calvijn en zijn volgelingen, leerden, dat God den berouwvollen zondaar in genade aanneemt en de Kerk daarom de gevallenen na ootmoedig berouw en belgdenis van schuld ook weer met open armen moet ontvangen; gelgk ook in het Formulier van de afsngding ia uitgesproken dat het doel van de excommunicatie mede was: „opdat de af gesnedene door schaamte verslagen zijnde^ ernstiglgk bedenken mocht, zich te bekeeren."
Op de Synode te 's Gravenhage, 1586, werd er dan ook een artikel over de wederopneming in de Kerkorde opgenomen, aldus luidende: „Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de gemeente door boetvaardigheid, zoo zal hetzelve voor de handeling (viering) des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, te voren der gemeente aangezegd worden, teneinde hg ter naastkomenden Avondmaal (zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie), openbaarlijk .met professie' zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het Formulier daarvan zijnde." (Art. 71 Kerkorde 1586).
Sinds dien tijd is dit art. onveranderd in de Kerkorde gebleven (art. 78 Dordtsche Kerkorde).
De zondaar zelf moet dus begeerte openbaren weer te mogen werden opgenomen in de Kerk. En bij die begeerte moet hg dan blijk geven van ware boetvaardigheid en oprechte bekeering, in woord en daad; waarvoor, zoo noodig, door den Kerkeraad een proeftijd gesteld kan worden, indien er twgfel bestaat, of men Vel door eerlijke bedoeling gedreven wordt.
Voor de wederopneming dergeëxcommuniceerden hebben we sinds de Synode te 's Gravenhage, 158Q, het Formulier van wederopneming des afgesnedenen in de gemeènte van Christus. Vóór 1586 was er geen vaste vorm inzake deze handeling. Elke Kerk deed het op hare eigene manier. Langzamerhand deed zich echter in het kerkelijk leven de behoefte aan een vast formulier gevoelen en zoo heeft de Synode te 's Gravenhage de opstelling er van ter hand genomen.
Aan dit Formulier, waaraan, de Kerken uit den aard der zaak overal gebonden zgn, gaat een stuk vooraf, dat bestemd is niet op denzelfden dag als de weder opneming geschiedt, maar een of meer weken te voren, aan de gemeente voorgelezen te worden, tot bekendmaking dat de afgesnedene door de remedie der afsngding „mitsgaders door het middel van goede vermaningen en uwe christelgke gebeden zooverre gekomen is, dat hg zich over zijne zonde schaamt, begeerende van ons, tot de gemeenschap der Kerk weder opgenomen te worden, " Het doel van deze mededeeling is, dat de leden der gemeente kunnen gebruik maken van hun recht om hunne bezwaren kenbaar te maken of, zoo er geen verhindering bestaat, dat de Kerkeraad met stilzwijgende goedkeuring van de gemeente kan voortgaan om denboeteüng vóór het naaste Avondmaal weder op te nemen in de gemeenschap der Kerk.
De wederopneming wordt door art. 78 Dordtsche Kerkorde en ook door het Formulier in verband gebracht met het Avondmaal, omdat in den Ban de uitsluiting van den disch des Verbonds plaats had en in de wederopneming in het midden der gemeente de Verbondsdisch weer ontsloten wordt. Vandaar dat de wederopneming geschieden moet met de Avondmaalsviering, opdat men aanstonds met de gemeente kan aanzitten aan de tafel des Heeren, deelende in de heilsgoederen en betrachtende de broederlijke liefde in eenigheid des geloofs.
„Met professie zgner bekeering", d.i. met openlijke bekentenis zijner zonden en betuiging van zijn leedwezen, onder beloften van een nieuwen levenswandel, zal de wederopneming in het openbaar plaats hebben, zooals art. 78 D.K.O, zegt, „volgens het Formulier daarvan zijnde". Wat overeenstemt met hetgeen Voetius dienaangaande zegt, als hg op de vraag: „Op welke wgze een afgesnedene met den grooten ban, indien hg boetvaardigheid betoont, publiek voor de gemeente weder hersteld moet worden? " tot antwoord geeft: „Als hij, na voorafgaande belijdenis van zgne verharding in de zonde en na betooning van boetvaardigheid, van den Kerkeraad herstelling vraagt. Is déze hem in den ordelijken weg toegezegd en beloofd, zoo moet hij zich op dag en uur, te voren bepaald, voor het aangezicht der gemeente stellen, en aldaar antwoorden op de vragen, hem door den dienaar voor te stellen. Deze eenvoudige wgze van herstelling leert onze liturgie in het Formulier van wederopneming der afgesnedenen" (Pol. Eccl. IV, 936),
Het Formulier valt uiteen in twee deelen: het leerstellige deel en het ritueele deel; of eigenlgk, zooals we reeds opmerkten, in drie deelen, nl. ook nog een inleiding op de handeling, welke inleiding voorgelezen moet worden twee of drie Zondagen vóór het eigenlijk Formulier kan worden gebruikt.
De Godsdienst er niet buiten!
De vrijzinnigen beginnen hoe langs hoe meer de orthodoxen na te doen. Of hebben ze de openluchtsamenkomsten niet van hen overgenomen, de jongelingsvereeniging, de Zondagsschool enz. enz.?
Ze willen nu op politiek gebied ook met dat naapen beginnen. Want immers ds. C. de Jongh, Herv. pred. te Nieuwveen, pleitte onlangs inde „Westfriesche Kerkbode" voor de oprichting van een Vrijzinnig-Christelijke Staatspartij,
„De meeste menschen, die moeten stemmen", zegt hg, „hebben geen verstand van de staatkunde en de wetgeving — maar zij willen en kunnen hun vertrouwen geven aan mannen en vrouwen van karakter en beginsel. En dan is het weer de groote vraag: , wat doen zij met den godsdienst?
Voorwaar, ik zie in de partgstemming van nu een verkeerd beginsel. De toekomst belooft mij een groote Vrij zinnig-Christelijke Staatspartij — die vraagt naar overtuiging en karakter.
Zoowel wat de school als wat de staatkunde aangaat — zal het moeten worden: het geloof de grondslag van hetgansche leven. Wij willen den godsdienst niet in dienst stellen van de staatkunde — maar wg willen hem niet langer opsluiten in de binnenkamer en de kerk — stellen in het volle leven.
Onze gewoonte, om met ons geloof terug te trekken in het verborgen — en in het dagelgksche ons aan te stellen als onverschillige en lauwe liberalen — maakt, dat ons volk niet weet, wat het aan ons heefi Wij vinden het behoorlqk een onverschillige houding aan te nemen bg de vraag, of onze schoolmeester of ons kamerlid gelooft. — Dat behoort bij onze goede vormen!
Maar het is onze zwakheid. Wat geeft 't 's Zondags te preeken, dat de godsdienst ons bestaan moet zijn en de grondslag is van ons zedelijk leven en 's Maandags onze kinderen te zenden naar de school, waar de ontlerwijzers in de practijk godloochenaars mogen zijn? "
Als men dat zoo leest dan bemerken we, dat de Vrijzinnigen dus op politiek terrein willen komen met den Godsdienst — iets wat zij altgd hebben veroordeeld — en dat ze ook met plannen rondgaan, om het onderwgs en de opvoeding der kinderen te mengen met religie.
De godsdienst mag er niet langer buiten blijven.
Wat ons zegt, dat wij, die voorstanders zijn van christelijke politiek, christelijke staatkunde, christelijk onderwijs enz. nog niet eens zoo verkeerd hebben geoordeeld ten opzichte van deze dingen en wat ©ns bevestigt in onze overtuiging, dat onze vaderen nog niet zoo dom waren, toen ze aandrongen op het hooghouden van Gods ordinantiën, op elk terrein des levens, naar uitwijzen van Gods Woord.
En niet alleen in deze principiëele dingen worden we langzamerhand in 't gelijk gesteld, maar ook in de praotische dingen gaat men ons naapen. We wezen al op de openluchtsamenkomsten — namaak van onze Zendingsfeesten—; op de jongelings-vereeniging, propagandaclubs. Zondagsschool enz. enz. En nu komt men uit den kring van de Openb. School ook reeds met het idee: ouderavonden.
Hierin hebben we gelukkig reeds lang gevoeld, dat de ouders 't grootste belang hebben bij de school; dat de ouders de school moeten helpen dragen en op alle manier steunen, waarom we ook steeds hebben gezegd: laat er een band ziijn tusschen de school en de ouders, 't welk we trachten te bevorderen door ouderavonden,
Zooiets kent men natuurlqk niet op de Openbare School. Daar gaat alles buiten de ouders om. Schoolstichting, schoolinrichting, benoeming van hoofd en personeel — alles gaat door de Staatsmachine. doch het Gemeentebestuur en de ouders hebben part noch deel aan dit alles.
Dit moest tenslotte de school grootelij ks schaden. En ziet, dat gaat men nu eindelijk in den kring van de Openbare School voelen en men wil ook beginnen met ouder-avonden.
Ten bewijs halen we een stuk aan, ook uit de „Westfriesche Kerkbode", geschreven door ds. Boeke te Schagen, mede naar aanleiding van 't geen ds. de Jongh had beweierd.
Ds. B, schrijft:
„Godsdienst en School."
Aan coll. O. de Jongh te Nieuwveen.
Uw beide artikelen over bovenstaand onderwerp in no. 453 van dit blad stonden sterk antithetisch tegenover elkaar, en ik wachtte nog een synthese in het volgend no, , maar merk, dat dit niet komt. Mag ik nu trachten zulk eene u aan te wijzen?
In no. 1 hadt gij mij bijna bekeerd (? ) tot de bijzondere — met name de christelijke school. Door uw argumenten tegen de godsdienst-boosheid, die menigmaal met neutraliteit verward, de openbare school is gaan overheerschen. Ja zelfs de afkeerigheid of zelfs vijandigheid tegenover alle religie, bij vele onderwgzers-opvoeders.
De Redactie nu had dat art. (wel opmerkelgk) reeds eenige weken in bezit, en liet het nu tegelijk volgen door no. II, waarin gij de keerzijde der zaak belicht, t.w. de nadeelen van de christelijke (secte)-scholen, en het voordeel van de openbare, die toch „nog steeds moet opvoeden tot alle christelijke en maatschappelijke deugden."
Welnu, ik heb ook steeds^tusschen die beide beschouwingen in gestaan en mij getroost, gelqk gq, met de opvoeding onzer kinderen in huis en kerk, met de hoop dat zij dan reeds door en op de school hun roeping in de wereld mogen leeren verstaan: , in de wereld en niet van de wereld." Maar — ik zie eventueel toch telkens het bezwaar, dat de onmondige kinderen tot een taak worden geprest, waartoe zij niet bekwaam zijn.
De synthese, waarnaar ik meer en meer begin te verlangen is deze, dat ook door de Openbare Scholen, met name door de onderwijzers, ouder-avonden worden georganiseerd — om het levend beginsel tot zijn recht te doeiï komen van het recht en de plicht der ouders in de opvoeding hunner kinde ren, — en 't ook zooveel mogelijk in de school te doen doorwerken. Daardoor zal dan aanraking komen tusschen de ouders en de onderwijzers, nu zoo ver vaak van elkaar verwijderd. Daardoor zullen de laatsten van de religieuse ouders hun wenschen en beschouwingen leeren kennen en omgekeerd de ouders de opvoedkundige bedoelingen der onderwijzers, aan wie zij hunne kinderen voor zoo groot deel hun vorming overdragen of eigenlijk mèèten overlaten.
Bg zulke openbare ouder-avonden zou dan m.i. ook de predikant op ziiJn plaats zgn (hetzij hij zelf kinderen had, als vader — of, zoo niet, als opvoeder zelf ter plaatse) en hierdoor zouden ongetwqfeld de goede verhoudingen in en tegenover de Openbare School worden bevorderd.
Het zou mij genoegen doen, als gg met deze synthetische bedoeling en maatregel instemming zoudt kunnen betuigen.
Met dank aan de redactie voor plaatsing en met coU. gr. voor u zelf,
Uw dw.
S. D. E. B,
Men voelt, als men dit leest, dat men met die Openbare, neutrale School vastloopt en leelijk in 't moeras zit. En wel omdat men den godsdienst en omdat men de ouders er buiten gehouden heeft. Heel het systeem deugt daar niet.
Doch in plaats van nu flink een keus te doen voor het beginsel: de school aan de ouders; de Bijz. School regel; of iets idergelgks — in plaats daarvan wil men het ongelukkige systeem, dat de Staat schoolmeestert, behouden en intusschen dan gaan naapen, wat we in den kring van ons christelijk onderwijs reeds lang hebben.
Het verheugt ons, dat onze christelijke actie door al deze dingen gerechtvaardigd wordt en we wenschen allen toe, dat ze nog eens helder het beginsel van een waarlijk christelijke staatkunde en van een waarlgk christelijke opvoeding mogen leeren zien, om met ons te kiezen voor christelijke politiek en voor christelijk onderwijs, naar uitwijzen van Gods Woord.
Want onze godsdienst kan en mag er niet buiten blijven. En onze godsdienst zij in alles naar Gods Woord. Gods Woord. Dat zal ons land, dat zal ons kind ten goede komen. Iets wat noodig is.
De predikanten zuchten met hun vrouwen en kinderen in deze benarde tijden niet zelden onder den last van groote geldzorgen. Wat is het leven duur en wat zgn de tractementen vaak bitter klein; zoowel in de dorpen als in de steden. Zeker! er zijn gunstige uitzonderingen; vooral daar, waar rijke pastoralia of pastoriegoederen zijn. Daar is het inkomen van den dominee wel eens 3 è, 4 duizend gulden, met vrij gebruik van pastorie en dikwijls grooten, vruchtbaren tuin. Maar heel dikwijls hoort men dat de domine f 1000 of f 1400 of f 1600 of f 1900 tractement heeft, op de dorpen, wat dan in de steden f2500 of f3000 wordt, waarbg natuurlijk dan in in de stad voor eigen rekening een huis moet worden gehuurd, onder verdere bezwarende omstandigheden van hooge belastingen enz.
Natuurlijk voelt ieder, dat een predikantsgezin van zoo'n inkomen niet kan leven, 't Is fatsoenlijk armoe lijden. Waarbij niemand nog aanmerking zou maken, indien men er van overtuigd was, dat in de gemeenten werkelijk gedaan werd wat mogelijk is, om het inkomen van den herder en leeraar zoo goed mogelijk te doen zijn; gelijk ook de bezoldiging van godsdienstonderwgzer, koster, kerkeknechts enz. enz. Maar juist daar zit de fout. Men doet heel dikwijls in de gemeente niet wat mogelijk en noodzakelijk is, om de dienstknechten des" Heeren te geven wat ze noodig hebben, om met hun gezin, behoorlgk te kunnen rondkomen.
Nu is daar wel het fonds „Aanpakken". Maar ten eerste is daar nog slechts 1/3 van de totaal som' binnen; terwijl toch de totaalsom groot 1 miljoen waarlijk zoo hoog niet is genomen. Bovendien kan men, wanneer eindelijk dat miljoen binnen is (wanneer? ) beginnen met de kleinste tractementen aan te vullen tot f1500. Hoeveel zullen de oud-Indische predikanten van Brabant en Limburg (met hun pensioen daarvan opstrijken? En waar is dan de controle, dat de gemeente zelf wat voor den eeredienst over heeft? En dan de honderden van predikanten, die met hun gezin van f 1600 onmogelijk kunnen rondkomen; gelijk ook de stadspredikaaiten dikwgls niet weten hoe ze het roer van het gezinsleven recht moeten houden?
Neen, dat wordt met dat fonds „Aanpakken" niets. Met een kwartje of met een gulden te geven maakt men zich er over 't algemeen af. Dan denkt men, dat men aan zgn verplichting heeft voldaan; en de dominees kunnen tevreê zgn! Wat pgnlijk voor de predikanten I
Ze mogen en moeten voor eigen tractement bedelen. Want als zg het niet doen, doen anderen het heelemaal niet. 't Heet dan wel: we doen het niet voor ons zelf, we doen het voor anderen; voor de minder-bevoorrechten onder de collega's — maar 't zgn dan toch collega's, waarvoor collega's bedelen.
En nu vragen we in gemoede: zouden onderwijzers zóo willen bedelen voor zich zelf? doen dokters of advocaten zulks? Gaan ze een kwartje, een gulden, tien gulden vragen, om een fonds te stichten, waaruit arme collega's een toelage kunnen ontvangen, om hun tractement aan te vullen in dezen duren tijd tot.... f1500?
Neen, toen men ons vroeg in de Hoofdcommissie zitting te nemen hebben we aanstonds' voor die eer bedankt. En toen hot verzoek ook tot den Kerkeraad van Delft kwam om een commissie voor „Aanpakken" te vormen, hebben gelukkig alle collega's aanstonds gezegd: daar bedanken we beleefd voor!
Wat voor anderen beleedigend en krenkend is, is dat ook voor predikanten!
Of er dan niets gedaan moet worden om, waar de nood zoo groot is, te helpen?
Natuurlijk wel! Maar niet op een verkeerde manier.
Men moet hier vragen, wat de van God verordende weg is. En die is niet verborgen voor ons. Die het altaar bedienen, zullen van het altaar eten.
De Gemeenten moeten daarvoor zorgen, ledere gemeente moet in deze haar roeping leeren verstaan. En overal moet de gemeente werkelijk loeren doen wat mogelijk is, om den eeredienst naar behooren, flink te onderhouden, opdat ook de predikant een behoorlgk tractement krijgt.
Gelukkig dat er hier en daar ontwaking komt uit den slaap, waarin wo in onze Herv. Kerk lang gedommeld hebbea, We hadden immers onze fondsen met de renten! Dan een . zakje in de Kerk voor de Kerk; soma ook een derde zakje nog voor de Kerk. En zoo ging alles z'n gang!
Waarom in eigen kring niet eens op nieuwe middelen en wegen bedacht geweest, om de inkomsten flink te vermeerderen? Dan had men de salarissen reeds lang kunnen verhoogen en tegelijk meerdere arbeidskrachten kunnen aanstellen en den werkkring op allerlei wijze kunnen uitbreiden, 't Een en het ander is zoo noodig en zou zoo nuttig en goed zgn!
Maar neen! men bleef in den dommel. Met de fondsen en met een of twee „zakjes" in de Kerk ging het wel.
Men moest heel die manier eens radicaal veranderen. Men moest alles eens flink onder de oogen zien en als men dan weet wat in en voor het kerkelijk leven noodig is, om de dienaren van het altaar goed te bezoldigen en den arbeid in de gemeente flink aantepakken, dan moeten heeren Kerkvoogden — liefst in goede samenwerking met den kerkeraad — met een flinke begrooting voor den dag komen en de Gemeente eens op de hoogte stellen van hetgeen er alzoo noodig is.
En dan?
Dan moet de Gemeente als één man zeggen: al dat bedelen moet eens ophouden; ieder onzer kent z'n plicht; zooveel is er noodig, welnu we zullen saè, m er voor zorgen, dat het er komt!
Waar overal saam betaald moet worden wat er noodig is, waarom zouden we dat in het midden van het kerkelijk leven niet doen ?
Waar we straks voor geheel nieuwe toestanden zullen komen te staan, laat ons daar toch vóór alles leeren wat onze plichten zijn in betrekking tot het kerkelgk leven. En dat is niet: om te leunen op anderen of om rustig een dutje te doen. Maar dat is: om zelf de handen uit de mouwen te steken; sa4m de lasten te dragen; en te zinnen op de beste manier waarop in het midden van de Kerk de arbeid naar het Woord kan worden gesteund en uitgebreid.
Predikanten-Pensioenen.
De tractementen van de predikanten zgn niet hoog, over 't algemeen. Maar wat moet het worden, als straks de dominé op leeftijd komt en emeritaat moest vragen? Krijgt hg dan pensioen? Kan hg dan behoorlgk rondkomen als emeritus ?
Ook hier staat het zoo treurig.
O! wat wordt er armoe geleden, als een predikant komt te sterven, door zgn weduwe en zijne kinderen! Men weet het blijkbaar niet, hoe erg dit is, anders ging er een schreeuw op in het midden van de Kerk,
Maar ook als de man blgft leven en dan na 40-jarigen diensttgd emeritaat zou willen vragen — wat wordt het dan moeilijk, om als emeritus rond te komen, van het schandelgk geringe pensioen I
Van het tractement kon niets bespaard.
Het pensioen is bij lange na niet toereikend voor een klein, eenvoudig gezin.
En daarom besluiten dan ook tal van oude predikanten om maar geen emeritaat te vragen, hoewel het èn voor de gemeente ên voor hen zelf, veel beter zou wezen, indien ze rusten gingen en hun plaats inruimden voor jongere krachten.
Ook hier moeten de gemeenten op waken, om los te komen van de oudo sleur en nieuwe wegen te gaan bewandelen.
En in verband daarmee nemen we hier over, wat men ons toezond in verband met de predikanten-pensioenen.
Het stuk luidt aldus: „De Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk heeft de kerkeraden aangeschreven in overleg te treden met de kerkvoogden hunner gemeente om te komen tot verbetering van de geheel onvoldoende pensioenregeling der predikanten.
Het is bekend, dat door eenige kerkvoogden in de provincie Gelderland deze zaak werd ter hand genomen. Veel bezwaren moesten onder oogen worden gezien, veel moeilijkheden overwonnen. Dank zij den steun van vele kerkvoogdijen en invloedrgke personen, is de zaak zoover gevorderd, dat in deze maand de Acte zal worden gepasseerd van oprichting der Vereeniging tot Verbetering der Pensioenen van Ned. Herv. predikanten.
Te Utrecht zal een vergadering worden gehouden van het Algemeen bestuur der Vereeniging, bestaande uit bekende personen, wonende in verschillende plaatsen van ons land.
Daarna zullen aan kerkvoogden en kerkeraden worden toegezonden de statuten der Vereeniging, een memorie van toelichting en een blanco polis. De Vereeniging stelt zich ten doel het afsluiten op billgke en onder ieders bereik liggende voorwaarden voor de navolgende verzekeringsvormen, welke geleidelijk zullen worden ingevoerd:
a. Pensioen verzekeringen op het hoofd van predikanten, hulppredikers, godsdienstonderwijzers en - onderwij zeressea en kerkelijke bedienden der Ned. Herv. Kerk.
6. Pensioenen wegens voortdurende ziekte of invaliditeit.
c. Pensioenen ten behoeve van nagelaten weduwen.
d. Pensioenen ten behoeve van nagelaten weezen.
Naast het Pensioenfonds bestaat een Hulpfonds. Dit heeft ten doel om het verschil tusschen de berekende en gemiddelde jaar premie te suppleeren voor die kerkvoogdijen enz., die terstond tot het Pensioenfonds toetreden en alzoo de mogelgkheid openen, dat ook voor gemeenten met bejaarde predikanten de toetreding tot het Pensioenfonds kan worden opengesteld. Om dit doel te bereiken is een aanzienlijke som noodig, welke moet worden bgeengebracht door giften, collecten, erflatingen enz. Het verblgdt ons dat nu reeds giften daarvoor zijn ingekomen en dat Goes het voorbeeld heeft gegeven, dat door vele gemeenten moge worden nagevolgd. Aan den penningmeester der Vejteeniging, den heer M. van de Pol te Renkum, werd toegezonden een bedrag van f 62, 47,5 zijnde de opbrengst eener collecte, gehouden in de Ned. Herv. Kerk te Goes. Een groot aantal kerkvoogdijen hebben reeds verklaard tot het Pensioenfonds te willen toetreden. Het bestuur dringt aan bg kerkvoogdijen en kerkeraden, die nog niet zijn toegetreden, om zoo spoedig mogelijk na ontvangst der statuten, memorie van toelichting en blanco polis, dit laatste stuk ingevuld te willen terugzenden en daardoor zich bij de Pensioeavereeniging aan te sluiten."
We kunnen hieraan nog toevoegen, dat Dinsdag 29 October jl. de Vereeniging is opgericht en dat alzoo nu een fonds tot verbetering van predikants-pensioenen met een reservefonds voor weduwen en weezen is tot stand gekomen, waarbg ook nu bejaarde predikanten bij hun gering pensioen een toeslag kunnen krijgen.
Nu is het woord aan onze kerkvoogdijen! En uit het midden van de gemeenten kan men steunen met collecten en giften.
De heer G. W. Mortier te Wageningen en de penningmeester M. van de Pol te Renkum zijn gaarne bereid alle inlichtingen te geven en elke bijdrage in ontvangst te nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's