Armen en rijken in het Nieuwe Testament.
Wat leert het Nieuwe Testament over armoede en rijkdom, over beider beteekenis; over de verhouding van armen en rijken?
Deze vragen schijnen misschien zeer ver te liggen bezyden hetgeen in deze tijden aller ged.achten bezig houdt, aller hart vervult. Doch dit is niet meer dan schijn.
De verbijsterende gebeurtenissen der laatste weken mogen, ja moeten bezien worden bij het licht van Gods Woord, dat zijn bevestiging ontvangt en zijn waarheid bewijst uit hetgeen wij zich voor onze oogen zien voltrekken.
Een ontredderde, ineenstortende wereld; troonen omvergeworpen, al wat hoog is en boven anderen uitsteekt, uit den weg geruimd; de macht en zeggenschap in handen van de massa, waardoor het leven der maatschappij „gedemocratiseerd" wordt; zoo zal de gouden eeuw van gelijkheid, vrijheid en broederschap aanlichten over een menschheid, die haar krachten rustig ontplooien kan onder de zegeningen van een „eeuwigen vrede", als waarvoor de wijsgeer Kant reeds de lijnen aangaf.
Voorshands echter zien wig nog niet veel anders dan de vlammen, die de oude wereld tot een puinhoop maken; en dat uit de ruïnes een schoone, harmonische bouw zal oprijzen, het is nog maar een toekomstdroom.
De „nieuwe geboort", wordt zij aangekondigd in het schrikkelijk, angstwekkend rumoer dat jde lucht vervult; zijn wij in de geboorte-weeën, waaruit straks de nieuwe, gulden tijd zal in het aanzijn komen, onder een schoonen, rozerooden dageraad ?
Het is niet zoo heel zeker, dat de profeten-zelf van den nieuwen tqd het ochtend-gloren reeds zien dóór het bloed en het vuur en den rookdamp heen, die thans de wereld benauwt.
En zij, die rekenen met God Almachtig, en leven bij Zijn Woord, zij worden bij dit alles te duidelijker eraan herinnerd, dat alle leven op deze aarde, die onder den vloek ligt om der zonde wil, de kiem des doods met zich omdraagt.
Door de hand des Heeren, door de werking der algemeene genade wordt het in stand gehouden, zoolang het He«n in Zijne lankmoedigheid behaagt. Maar alles, waarin niet de krachten der wedergeboorte werken, alles wat niet deelt in en leeft uit de vernieuwing, die in Christus Jezus gegeven is, alles wat geen deel heeft aan Hem, die op den troon zit en alle dingen nieuw maakt (Openb. 21 VS. 5), het is ten doode opgeschreven, en ten ondergang gedoemd.
Sterker dan ooit te voren spreekt in deze bewogen tijden. Al wat wiij aanschouwen van de „verandering der bewegelijke dingen", Hebr. 12 .vs. 27.
En ieder, die zijn eigen leven en het leven der wereld om hem heen ziet bij het licht van Gods Woord, hij zegt: het kon wel niet anders gaan, dan het thans gaat.
Het liep, tot voor ruim 4 jaren, alles zoo vlot en prachtig; de weelde en overvloed namen steeds toe, ieders bestaan scheen veilig en verzekerd; het werd niet beseft, hoe de wereld leefde als op een vulkaan, die ieder oogenblik dreigde los te breken, om haar geweld en verderf in vlammende stroomen uit te gieten.
En toch: kon het wel anders? Een cultuur-leven, waarin met den Heere en Zijn Woord niet meer gerekend werd, een maatschappij, gebouwd op en be heerscht door louter stoffelyke factoren, kunnen zij wel anders dan tenslotte zichzelve vernietigen?
Zij hebben, door 's Heeren lankmoedigheid, gedragen, hun leven kunnen leven, al hun krachten en talenten ont-' plooien; wetenschap, techniek en kunst, zij werkten samen om het leven te verrijken in zijn steeds ingewikkelder samenstel. Maar steeds meer werd hierdoor het leven gematerialiseerd; steeds verder zonk het, bij alle schittering en bekoring, weg uit de aanraking met God en Zijn Woord.
Zoo moest de rijpe vrucht van een dergelijke ontwikkeUng wel zijn, wat wij thans aanschouwen: een ontbinding, een wankelen van alle vastigheden, een vernieling en vernietiging met de hulpmiddelen van wetenschap en techniek, in dienst gesteld van het geweld, om dood en verderf te zaaien; het uiteenvallen van een wereld, die waande zichzelf te kunnen opbouwen en instandhouden, zonder te rekenen met de geboden, den geopenbaarden wil des Heeren.
De mensch ging voort, naar de gave, hem in de schepping geschonken, in overeenstemming met de plaats, hem inhet geheel der geschapen wereld gegeven, heerschappij te oefenen over al het geschapene. Niets bgkans, dat hem onmogelijk was; de geheimen der schepping door hem doorvorscht, en daardoor in zijn dienst gesteld; alle elementen door hem beheerscht en gebruikt. Een verruiming van den horizon tot in het onmetelijke; een verrijking van het leven, die onbegrensd scheen.
Maar in dat alles heeft de menschheid haar plaats niet willen kennen tegenover Hem, die haar Schepper en Gebieder is. De beginselen der revolutie van 1789, waarbg openlgk en bewust en zeer opzettelijk gebroken werd met de Souvereiniteit Gods, hebben doorgewerkt.
En daardoor droeg ook dit rijke en schoone leven de kiemen van ontbinding in zich. Op zijn toppunt gekomen, zou het ineenzinken, zijn volste bloei en volrqpe vrucht moest leiden tot een uiteenvallen, en tot een verval, waarvoor een ieder terughuivert.
Want God laat zich niet bespotten. Hij is een God, die recht en gerechtigheid doet op de aarde.
Hij heeft in Zijne lankmoedigheid de wereld gedragen, die met Hem afgerekend had, en Zijne lankmoedigheid heeft zij misbruikt.
Hij heeft nog Zijn Woord in hun midden laten uitroepen, maar zij zijn eraan voorbijgegaan.
En nu toont Hij de waarachtigheid van Zijn Woord door de verschrikkingen, die over de wereld komen, in de stormen, die vernielend voortvaren, die omverwerpen en vernielen, wat onwrikbaar vast scheen te staan.
Wie het hoogst uitstak, kwam het eerst te vallen; maar daarbq blijft het niet; een totale omkeering van alle verhoudingen, een 't onderste boven werpen allerwegen zal wellicht gezien worden, wanneer de orkaan over de aar^e is heengesuisd, en ten langen leste de rust zal zijn wedergekeerd.
Misschien dat bij den éen of ander zich hier wel deze vraag voordoet: „moeten nu de beginselen der Pransche revolutie van de gansche ontwikkeling der dingen de schuld krggen?
Ligt de verklaring van het gansche proces niet veeleer elders, en zou, de gansche revolutie weggedacht, niet alles precies eender zijn geloopen: wanneer gij denkt aan de ontzaglijke be teekenis, die de machine, de machinale productie heeft gehad voor de arbeidsverhoudingen, aan den invloed, dien de eentonigheid van het fabrieks-leven en het mechanische van den fabrieks-arbeid moet hebben op de zielsgesteldheid, op den geest en de stemming van den arbeider?
Mogen dan deze en zoovele andere factoren buiten rekening worden gelaten ? Wanneer gij bedenkt, hoe allerlei levensgenot en ontspanning, allerlei vermaak en verstrooiing steeds meer binnen het bereik is komen te liggen van de groote massa, hoe geweldig de zuigkracht is van voorbeeld en gelegenheid, zou dan dit alles niet meetellen onder de factoren, die hebben samengewerkt tot de ontkerstening van gansch ons cultuurleven ? Ja, mag dit een en ander niet als genoegzame verklaring gelden van den toestand, waarin wij zijn gebracht, en kunnen wij de revolutie-beginselen niet gerust buiten rekening laten? "
Ons antwoord aan zulk een vrager zou het volgende zijn: het is onmogelijk te zeggen, welken loop een ontwikkelingsproces zou genomen hebben indien eenq, een der factoren, die nu in het spel zijn geweest, buiten werking waren gebleven.
Of dus afgedacht van de revolutie-beginselen, het leven niet in dezelfde lijn zou hebben geloopen, en op gelijke ontbinding zou zijn uitgeloopen als wij thans zich zien voltrekken, is eigenlijk een ijdele vraag, die niet voor beantwoording vatbaar is.
Want wij hebben toch altijd met het feitelijk gegevene te rekenen, en te zoeken naar de oorzaken, die bepalend hebben gewerkt op een zekeren toestand. En de Fransche revolutie is er nu eenmaal geweest; zij kan dus niet weggedacht worden. En dat zij een ontzaglijken invloed zonder eenigen twijfel heeft geoefend, zal niemand willen ontkennen, die beseft, welk een centrale beteekenis de vraag heeft van de verhouding die men tusschen God en menseh, tusschen den Schepper en Zijn schepsel aanneemt.
Misschien kunnen wij nog verder teruggaan in de historie van 1789, en wijzen op een der twee factoren, die bepalend hebben gewerkt op den modernen tijd: de opkomst der natuurwetenschap in het begin der 16e eeuw. Deze, een dochter van het humanisme, heeft als het ware parallel geloopen aan den anderen factor, de reformatie, maar den invloed der reformatie niet rechtstreeks ondergaan.
Doch voor het oogenblik kunnen wij de belangrijke vraag laten rusten, hoe de feitelijke verhouding, tusschen cultuur en* christelijke religie in onzen tijd bestaand, zou moeten verklaard worden.
Ook zonder deze vraag aan de orde te stellen, mogen wij toch zeker wel zeggen, dat de huidige toestanden bij het licht van Gods Woord ie zien zijn als een rijpe vrucht van de in ontstellende mate toenemende vervreemding van Hem.
Zij kunnen er toe strekken, de gemeente Gods te leeren vragen en uitzien naar het „onbewegelijk Ko^ninkrijk", gewaarborgd in Hem, Wiens rijk niet van deze wereld is, en aan het einde der dagen in heerlijkheid zal geopenbaard worden.
Velen hebben, onder den indruk van den nood der tijden en geperst door de benauwenis, die over de wereld is aangebroken, gezegd, dat wij in het laatst der dagen zijn, en de toekomst van Christus aanstaande is.
Een dergelgk opleven van de verwachting van 's Heeren toekomst is zeer verklaarbaar. Wanneer alle vastigheden aan het wankelen gaan, wanneer de gerichten Gods*over de aarde varen en wegvagen hetgeen vastgeworteld scheen, dan vooral leeren de geloovigen, meer dan ooit, bedenken en beseffen, dat hun burgerschap in de hemelen is.
Door alle eeuwen van het bestaan van Christus' Kerk is het dan ook te zien geweest, dat juist in bewogen tijden, in dagen van druk en beroering, de kinderen Gods hunne hoofden hebben omhoog geheven in de verwachting, dat hunn« verlossing zou nabij zijn.
In meer dan éene periode der werelden kerkgeschiedenis heeft men den Anti-christ meenen te zien optreden, wanneer het volk des Heeren werd verdrukt en de vijandschap tegen Christus in verscherpte mate openbaar werd.
Ook tiijdens den gruwel van den oorlog van deze jaren heeft het niet ontbroken aan berekeningen, die ze meenden te kunnen aantoonen, dat nu toch zeker alle kenteekenen van de laatste dagen aanwezig, en de voorteekenen van een nieuwe orde van dingen onmiskenbaar waren.
Dat nieuwe dingen komende zijn, is onbetwistbaar. Dat zq zullen aanbreken met schrikwekkende snelheid, is zeer waarschijnlijk. Dat zij bij de gemeente des Heeren de gedachte moeten levendig houden aan de komst in heerlijkheid van haar gekruisigden Koning, dat zij bij haar het besef moeten versterken van het veranderlijke dezer bewegelijke dingen, wie zal het bestrijden?
Maar vergeten mag niet, dat de dag des Heeren onverwachts zal komen. Gelijk een bliksemstraal schiet van het éene einde des hemels tot het andere, zóó zal de toekomst zijn van den Menschenzoon.
Alle berekening moet falen over dien dag, dien niemand weet, dan de Vader alleen.
De Bruid, die wacht op de komst van den Bruidegom, en die bidt: „Kom, Heere Jezus", zij moet leven in het besef, dat bij den Heere duizend jaren zijn als éen dag. Zij heeft te waken, te wachten, èn te werken.
Zij heeft te leven, alsof de nieuwe orde van dingen, die te komen staat, een tijdperk zal zqn, waarin de Bruidegom nog toeft, en voor haar in deze eindige bedeeling een nieuwe taak zal zijn weggelegd.
Hoe zal, als de wanorde is geweken, de beroeringen zijn tot rust gekomen, en er weer orde is teruggekeerd, de nieuwe orde van dingen eruit zien? Wie, die zich aan voorspellingen zal willen wagen? Wie, die waagt aan te duiden of een vermoeden uit te spreken, hoe straks de sociale verhoudingen zullen zijn?
Doch dit mag wel gezegd, dat de vraag naar de beteekenis van armoede en rijkdom, naar waarde en zin van de aardsche goederen, zich zeker óok zal voordoen. Misschien zal de vraag van den rijkdom en het bezit, misschien ook vooral de vraag van de armoede voor de gemeente des Heeren een bijzondere beteekenis verkrijgen.
Maar hoe dan ook, zij zal dit alles betrekken en te stellen hebben onder het licht van Zijn Woord. Dat blijft voor haar maatötaf en richtsnoer, dat blijve voor haar beslissend.
Daarom dacht het ons niet van belang ontbloot, opnieuw te onderzoeken, in welk licht het N, Testament armoede en rijkdom ziet. Voorop gaat hierbij wat de Christus zelf ten dezen heeft geleerd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's