De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

OMBRA.

5 minuten leestijd

VAN STERVEN EN LEVEN.

Een waar verhaal door JAN VELTMAN.

HOOFDSTUK I

Dat was Ombra, groot van statuur en stevig gebouwd, een meisje van zestien, zeventien jaren.

Met de linkerhand het verste oor van een groote leege mand vasthoudende, droeg ze die tegen haar heup, terwijl ze langs het, door jeugdig als beschaduwd paadje naast het bouwland liep. Inbaar rechterhand hield ze eenige peultjes, zóó rijp, dat de erwten zich reeds duidelijk in haar omhulsel scherp geheeld afteekenden. Ze had die daareven in 't voorbijgaan geplukt, en nu peuzelde ze de volle, nog brosse peulen één voor één

De heer J. H. Kok te Kampen, bij wien dit boek is uitgegeven en verkrijgbaar is, was zoo vriendelijk ons vergunning te geven dit verhaal van den bekenden schrijver J. Veltman als Feuilleton in dit blad te plaatsen. op, half gedachteloos en zonder bewustheid of ze dien rauwen kost al of niet aangenaam vond. Ze plukte en peuzelde alleen, omdat haar vrije hand en mond bezig wilden zijn.

Haar blozend gelaat geleek een zomerschen doolhof, en de ingang tot dien doolhof waren haar oogen, en het doel, het eind-en rustpunt er van, waren weer haar oogen. De rust daar beangstigde, omdat de weg van daar naar de vrije bekende wereld een doolweg was.

Ze stapte flink aan in een paar klompen, die haar veel te groot waren, en die vreemd afstaken bij haar nette, half boersche, half burgerlijke kleed.

Het doffe klompgestap trok de aandacht van een knaap, die op 't naburig land bezig was en ztch nu naar den slootkant begaf, om door het elzenlover te kunnen heenzien.

„Dag Ombra! wat heb je 'n haast? " 'Het meisje had reeds een menschelijke gedaante waargenomen; nu herkendeze die reeds alleen aan de stem.

„Wijnand!" zei ze en stapte door, nog steeds groene peultjes peuzelend.

Hy keek haar na. Nauwelijks een dertig schreden hem voorbij, waadde ze, haar rokken opnemend, door 't welig aardappelloof naar den volgenden akker, waar ze de mand neerzette in de vore, vlak bij een perk groote boonen. Ze zou zich terstond bukken, om 't mes uit de mand te nemen, maar dan had in eens de machtig heerlijke bloesemgeur der boonen haar te pakken. „O, 't was zoo aller, dller verrukkelijkst, die geur, en met dat ze neus en mond wijd opende, om meer en nog meer en al maar meer te genieten van die wondere weelde, schenen ook haar oogen nu maar pas open te gaan, en zag ze plots die zoet lauwe blauwende lucht over haar, en 't van levenslust tintelende groen der boomwallen om haar.

Haar handen hingen nu slap neer, haar oogen blikten in 't rond en haar ziel zag dan al de weelde, die de natuur uitschuimde om haar heen, uit den geheimzinnigen kolk van eeuwigen overvloed. Haar ziel greep wild begeerigom zich, doch vond nergens houvast; ze wilde 't alles in zich opnemen, en 't Weef zoo ver van haar en buiten haar. Om haar golfde tot in de oneindigheid de volste zoetste weelde, en 't klotste en schuimde tegen haar op en— in haar voelde ze 't zoo leeg, zoo leeg.

„Ombra! ik dacht dat je zoo'n haast had? "

Hij was over de sloot gesprongen en stond voor den aardappelakker, waarbij door wilde gaan, naar haar toe.

„Wijnand! je mag niet! blijf daar! Je vertrapt het loof!"

„En je waadde er zelf door? " „Ik moest hier zijn, ihaar jij hebt hier niets noodigi"

De zestien-zeventienjarige kn& ^p bleef even beteuterd staan op 't paadje, en trok zich voetje voor voetje, telkens 't gelaat naar Ombra gewend, terug in 't donker der elzen; zien kon hij haar nu toch.

Ze had het groote mes in haar rechterhand om te beginnen wat haar opgedragen was; haar linker vatte den kop van een boonstengel en — even in verwarring, liet ze het zilverachtig groen weer los, . Ze richtte den blik naar den slootkant.

„Wijnand! — hoe hoog moetje boonen koppen? " Zij stak haar linkerhand omhoog en hield het mes dan tegen den pols.

„Zoo? " Hij wilde naar haar toekomen, om 't haar te zeggen. „Je mag er niet doorwaden! Je kunt het mij zóó wel zeggen!"

Ze achtte zich veilig, omdat er een zee van welig aardappelloof lag tusschen hem en haar. Maar hg liep om de zee heen en naderde haar eindelijk door de vore. Plots voelde ze haar blgdschap, dat hij zoo dicht bij haar was. Op eerbiedigen afstand bleef hij van haar staan, opende zijn zaknijf, pakte een boonstengel en zei:

„Kijk, Ombra! er is geen vaste maat van: je moet kijken! tot zoover er nog bloesem is, laat je zitten, en den kop daarboven snijdt je af. Kijk, zoo! — Kijk! — Maar zie je wel? — daaronder dien bloesem zit zwarte luis! — dat snijdt je ook af!"

„O, nou weet ik 't wel. Nou kan ik 't wel alleen!"

„Ik wil je helpen, Ombra! — En 'k zal de volle mand voor je dragen!"

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's