De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

En ik nam dat boeksken uit de hand des Engels en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. Openb.. 10:10.

Zoet en bitter.

Openbaring X is een hoofdstuk dat aanmerkelgk verschilt van het vorige. Want was ons geteekend hoe de engel des verderfs, Apollyon, op vreeselij ke wijze werkt onder de menschen, gelijk ook in een ruiterbende van 200 miljoen paarden getoond is hoe dood en verderf gebracht wordt over de menschen — in hoofdstuk X wordt een ander tooneel aanschouwd.

Gelukkig I

Want wat ons beschreven staat in de voorgaande hoofdstukken is zoo vreese-Iqk. We ervaren dat ook in onze dagen. Onderzoek de Schriften maar en vergelijk er dan maar mee wat er heden gebeurt. Wat komt alles uit en wat is het ontzettend — terwijl de dagen die komen vreeselijker nog zullen zijn.

Maar dan komt Hoofdstuk X. En dat geeft ons gelukkig iets anders te zien.

Dan zien we, dat de Heere regeert. Dat Jezus Christus heerschappij heeft over al 't geschapene. Dat Gods raad wordt uitgevoerd.. Dat Gods Koninkrijk bestaat tot in eeuwigheid. Dat de poorten der hel Christus' Kerk niet zullen overweldigen. En dat de eeuwige beginselen naar Gods Woord alom zullen triomfeeren, velen tot vreugd en velen tot smart; velen tot leven en velen tot dood; velen tot voordeel en velen tot schade.

In de verschijning van Christus ligt groote beteekenis. Zijn verschijning is alles beheerschend.

En daarom zal het goed zijn als we met Hem in aanraking komen. Als we in Zijne gangen heil mogen zien. Als we tot Hem onze toevlucht mogen nemen. Als we Hem mogen worden ingeënt. Als we in Hem ons leven en onze vreugd mogen vinden. Als we Zijn Woord verstaan en gelooven, zoodat het ons tot wijsheid en troost zij.

Daar wijzen de woorden, die we hierboven afschreven, op.

Johannes, de apostel van Patmos, komt met Jezus in aanraking, zooals Jezus de van God gezondene is, tot zaligheid en behoud van een arm zondaarsvolk.

Daar staat Hij, dragende het Woord Gods, doende den wil des Vaders, Sion tot vreugd en de goddeloozen tot verderf.

En als Johannes dan het Woord van Christus beluistert en den wille Gods verstaat — dan krijgt hq bevel om daarmee nader in contact te komen, om dat in' zich op te nemen en de ervaring is, dat het zoei en dat het bitter is. Zoet en bitter.

Dat wordt ervaren, als de ziel niet buiten de dingen blijft. Als we niet doof en dood zijn voor de stemme Gods en voor de diugen van Zijn Koninkrijk. Maar hoe dikwijls gebeurt dat niet, dat we gansch ongevoelig zijn? Van nature zijn we dor en dood; afkeerig en vijandig; wederstrevend en eigenwijs.

Dan nemen we het niet in ons op. Dan leven we koud en ongevoelig voort. Dan werken we er vijandig tegen in. Dan ervaren we er niets van, omdat we het van ons afschudden, zooals de hond doet met het water als deze uit de rivier opklimt.

Dat is een vreeselgke toestand.

Want we zullen ervaren, dat het loon van deze dingen bittere teleurstelling, vele smarten en tenslotte de eeuwige dood is.

Maar als onze ziele nu in aanraking mag komen met 's Heeren Woord en dat Woord mag inwerken in ons hart en er komt een Geest van ontdekking en de Heere leidt in Zijne genade tot Christus — dan komt er leven. Echt, waarachtig leven. Dan komen we waar we wezen moeten, voor ons zieleleven tot verademing en voor ons heele bestaan tot wijsheid en vreugde.

Dan komen we in een andere levenssfeer. Dan worden we een ander mensch.

Dan zien we ons zelf anders, dan zien we God anders, dan zien we het leven anders, dan zien we de wereld anders, dan zien we ons werk anders, dan zien we onze omgeving anders; dan krijgen we een andere taak en we krygen een andere toekomst. 

En de ervaring is zoet. God is goed. God is liefde. Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. O! wat is die omkeering zoet.

Wat kan de ziele zich verblijden in den Heere. De snoeren zijn in lieflijke plaatsen gevallen. En men waagt het met Gods Woord; men vertrouwt en bouwt op Zijne beloften. De dienst des Heeren is een liefdedienst. Ja, in de liefde te leven en te mogen bekennen en te mogen ervaren: de HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken ; Hij doet mg nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziel, Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zgns Naams wil — dat is zoet.

't Is zoet om te mogen ervaren, dat de rechtvaardigmaking in Christus over alle zonden gaat. Om te mogen getuigen: „al is het dat mij mijn geweten aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen derzelve gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd bén, nochtans God, zonder eenige verdienste mijnerzijds, uit loutere genade, mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad, noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor rnij volbracht heeft; in zooverre ik zulk een weldaad met een geloovig hart aanneem." (Cat. Zond. 23).

Dat is zoet.

Zoet om te mogen ervaren rustig te kunnen zijn temidden van de gevaren; sterk te zgn bij alle zwakheid; vergenoegd te zijn bij alle gebrek; niet zonder hope bij alle teleurstelling.

„Met mijn God spring ik over een muur", roept David uit. ïn de dichter van Ps. 118 zegt: „zij hadden mij omringd, ja zij hadden mij omringd: het is in den naam des HEEREN dat ik ze verbouwen heb. Zij hadden mij omringd als bijen, zij zijn uitgebluscht als een doornenvuur: het is in den naam des HEEREN dat ik ze verbouwen heb. De HEERE is mijne sterkte en psalm, want Hij is mij tot heil geweest."

Zoete ervaringen, welke de ziele van Gods kind mag doormaken. De Heere is goed en barmhartig en genadig.

Hij hoort het geroep van Zijn kind. Hij kent hun nooden en behoeften en Hij zegt: „Opent uwen mond, eischt van Mij vrijmoedig op Mijn trouw verbond, èl wat u ontbreekt, schenk Ik, zoo gq 't smeekt mild en overvloedig."

Vóór ze roepen, antwoordt Hq. Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent.

„De HEERE is God, die ons licht gegeven heeft. Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars. Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn Godl ik zal U verhoogen. Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijne goedertierenheid is in eeuwigheid" (Ps. 118 : 27—29). 

En het is zoet om van deze dingen te mogen spreken. Om prediker te mogen zgn van een goede boodschap. Om te mogen verkondigen, dat de Heere regeert .en dat Jezus Christus, Sions Koning, gezalfd is tot een Vorst, die regeeren zal over de aarde en over de zee en die de laatste over 't stof zal opstaan.

Om te mogen verkondigen, dat Hq de schoonste is van de menschenkinderen en dat in Hem de zaligheid is geopenbaard voor alle taal en volk.

Om te mogen spreken van de eeuwige beginselen van 's Heeren Woord en de lieflijkheid van Christus' Koninkrqk aan te prijzen. Dat is zoet. Want geen zaak staat veiliger dan Gods zaak.

Geen beginselen zijn heerlijker dan de eeuwige beginselen ons in Gods Woord geopenbaard. Geen beter naam dan Jezus Naam voor jong en oud. Geen betere keus, dan de keuze des harten, die zich uit met déze woorden: „wat 5ns aangaat, ik en mijn huis wij zullen den Heere dienen!"

Die in Gods kracht staat, staat sterk en veilig. Die voor Gods zaak strijdt, strijdt goed en zeker. Die 't voor Jezus opneemt, niet te vreezen. behoeft Die Zijn naam belijdt, zal Gods Koninkrijk zien komen.

Maar naast het zoete staat het hittere. Het bittere in de zielservaring. Het bittere óok bq de verkondiging van Gods Woord en den strijd voor de heilige beginselen, ons van God geopenbaard.

Bitter water moet de ziele zoo dikwijls drinken in deze woestijn. Doordat de ziele telkens ervaart, wie en wat de mensch is, ook de mensch aan wien genade verheerlijkt is. „Ik ellendig mensch", moet telkens worden uitgeroepen met Paulus. De wet des vleesches komt in 't geding en openbaart zonde te zijn. En bitter is het telkens zichzelf te moeten veroordeelen; telkens zichzelf te moeten verdoemen en niets, niets over te houden, dan om als een zondig mensch den Heere om genade te smeeken en te pleiten op de aangebrachte gerechtigheid van Jezus, Sions Borg en Middelaar. Bitter en — zoet. Want het leidt tot de kennisse der zaligheid, die geopenbaard is tot groote blijdschap voor allen, die den Heere vreezen.

En bij alle bitterheid, door de ervaring van zonde en ellende, vermeerderd met de smarten van vijandschap en tegenheden, bekent Sion : „Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde. Bezwqkt mqn vleesch en mqn hart, zoo is God de rotssteen mqns harten en mijn deel in eeuwigheid." (Ps. 73 : 25, 26).

Zoet en bitter.

Want velen zqn de tegenspoeden des rechtvaardigen — maar uit alle die redt hem de Heere.

En dat openbaart zich ook bij degenen die als dienstknechten Gods het Woord des Heeren opnemen om het te verkondigen overal.

Zoet en bitter.

Zoet is 't, om te mogen verkondigen:

„alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat hij Zqn Eéniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe."

Maar bitter is het-om overal te moeten beluisteren: „wij willen niet, dat Deze Koning over ons zal zijn!"

Zoet is het, om de grootheid der godzaligheid en de lieflijkheid van 's Heeren dienst aan te prijzen.

Maar bitter is het, om de verdwaasdheid, de vq andschap, de tegenwerking van den mensch overal en altijd te bespeuren.

Zoet is het, om te mogen spreken van 's Heeren trouw en liefde, van Zijn langmo'édigheid en ontfermend mededoogen.

Maar bitter is het te ervaren, dat het harte des menschen weigert zich te bekeer en.

Zoet is het, om het licht van Gods Woord te doen uitstralen over elk terrein des levens en de heilige beginselen alom te verdedigen en te verbreiden.

Maar bitter is, om te zien dat men de duisternis van zonde en leiigen liever heeft dan het licht der Waarheid en der gerechtigheid.

Hoe staan wij in deze?

Hebben we onszelf reeds leeren ken^ nen, om bitter bedroefd den Heere om genade te smeeken?

Dan is er een zoet evangelie in Christus, tot groote blqdschap van arme zondaren geopenbaard.

Hoe ver zijn wij in deze gevorderd? Is alles nog zoo rustig en vol vrede bij 'ons ? Is onze ziele nog niet bitterlijk bedroefd ?

Dan zal na dien valschen vrede een bittere teleurstelling kornen. Dan zal na dit valsche licht, waarbij we wandelen, de duisternis vallen tot een eeuwigen nacht.

Maar indien onze ziele iets mag kennen van de bittere ellende, door de zonde teweeggebracht, o! dan is er een zoete klank des * evangelies, vol goddelijke genade en liefde. Dan wil de Heere spreken van wisselkleederen, van vreugde-olie, van een gewaad des lofs en Hij wil zaligheid en vrede schenken om niet.

En zal dan het bittere altiijd weer gevoeld worden, zoolang we hier op aarde zqn; dewijl de Heere Zijne kinderen leidt door veel moeilijke wegen, door veel bange dagen, door veel bittere beproevingen — de Heere wil ook telkens weer de Zonne des heils doen lichten en Hij wil de ziele doen smaken dat Zijn dienst een liefdedienst is en dat Zijne goedertierenheden beter zqn dan het tijdelijk leven.

En zoo gaat de weg van Sion langs veel Mara's — maar de Elims ontbreken niet!

Totdat straks de Jordaan bereikt ia, waar de Heere de muren van alle sterke vestingen doet vallen, waar Hq een droog pad maakt door de wateren, waar Hij een rijken buit uitdeelt, waar Hij in het hemelsch Kanaan binnenleidt, met eeuwige lofprijzing van het Lam, Ddn is het zoet. Dan is het zalig. Zonder bitterheid. Zonder zonde.

„Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uwe rechterhand eeuwiglijk" (Ps. '16).

Gij maakt eerlang mij 't levenspad be-[kend,

Waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij [verheugde;

Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend. Schenkt mq in 't kt)rt verzadiging van vreugde;

De lieflijkheen van 't zalig hemelleven Zal eeuwiglijk uw rechterhand mij geven.

Ps. 16:6.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's