De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

7 minuten leestijd

Wij beginnen den nieuwen jaargang — 't is de tiende reeds! — in een tijd, waarin ieder onwillekeurig vraagt: wat nu?

De aarde is omgewoeld door de scherpte van het oorlogswerktuig en de diepe voren zijn gedrenkt met menschenbloed. De volkeren zijn uitgeput. De landen alle te saam in beroering. Tronen zqn omvergestooten; kronen rollen in 't zand; vorsten zijn gedood of weggejaagd en heel de maatschappij is onderst boven gekeerd. Waarbq nu beproefd zal worden alles op een nieuwen leest te schoeien en geheel anders in te richten dan te voren.

't Is een groote heksenketel, en allea kookt en bruist, zonder dat iemand ook maar in de verste verte zeggen kan wat er uit deze dingen zal geboren worden.

Over democratie wordt overal gesproken en ieder neemt dat woord over. Naar democratische beginselen zal de nieuwe wereld, welke we na den vreeselijken oorlogstijd tegen gaan, worden ingericht, dat staat vast. Maar wat zal dat uitwer-' ken? Niemand die het zeggen kan.

De Kerk staat tusschen deze dingen en kan en mag dit allea niet onverschillig aan zich laten voorbij gaan.

Haar positie is niet gemakkelijk.

In Rusland strekte de democratie al aanstonds de hand uit om haar om hals te brengen.

In Duitschland lagen oogenblikkelqk plannen gereed om te komen tot radicale scheiding van Kerk en Staat, gelijk het kerkelijk toezicht zou worden ingekort en het godsdienstonderwijs op de scholen afgeschaft.

Wat moet de Kerk nu te midden van deze dingen doen?

Hoe zal de Kerk der toekomst — waarvan men nu spreekt — er uitzien?

't Is de laatste ure — roepen sommigen, Straks komt de laatste dag; dan zal 't einde aller dingen zqn.

En zeker zijn het ernstige dagen, waarin we goed doen te denken aan de ure dat de Zoon des menschen komen zal op de wolken om te oordeelen over levenden en dooden.

Oorlog, pestilentie, aardbeving, honger

— 't zgn de teekenen der tijden, mitsgaders de groote afval d^r menschheid van God, die ons^eggen, dat de laatste wereld-periode is ^komen.

Maar het heeft er toch veel van, dat de door bloed gedrenkte aarde door God weer zal worden gebruikt om nog weer óp te leven en voedsel voort te brengen voor menseh en beest.

De boom, heftig geschud en van vele takken beroofd, zal nog weer bij vernieuwing mest ontvangen.

En wat zal dan de toekomst brengen ? De Kerk heeft zich voor de nieuwe tijden in te richten. Er is ontwaking, vernieuwing noodig. Nieuwe tijden, nieuwe eischen. En wee, zoo ziij dat niet verstaat.

Daarbij zal zij zich meer bewust moeten worden wat haar sieraad, haar kracht, haar sterkte is.

Is het niet, dat Christus haar Koning is ? Is het niet, dat zij leeft uit de waarheid Gods ? Is het niet, dat zij de woorden des Evangelies heeft te brengen op elk terrein des levens en aan alle creaturen ?

Alles wat Christus' Koningschap belemmert, moet dan ook wèg. Alles wat Gods Woord bindt, moet afgelegd. Alles wat de verkondiging des . evangelies tegenstaat, omvergestooten. Vrij, vrij moet Christus Kerk zijn en meer en meer worden. En, uit Gods Woord levend, moet zij met Gods Woord uitgaan overal, verkondigende de deugden des Heeren en de lieflijkheid van Zijnen dienst, in de kennisse der godzaligheid, welken is geopenbaard in Jezus Christus.

Zoo zal — ook wat onze Herv. Kerk betreft — de band aan Gods Woord en de band aan de belijdenis moeten worden vernieuwd. En zoowel op eigen, kerkelijk, terrein al ten opzichte van den Staat, moet zij vrij worden om zich vrij te mogen en te kunnen bewegen in gebondenheid aan Gods Woord, in gehoorzaamheid aan haren Koning, Jezus Christus.

Hierin is — door alle tijden heen — eigenlijk altijd tweeërlei zienswijze geweest, omdat er tweeërlei levensbeschouwing gevonden werd en wordt.

Denkt maar aan de dagen van Dordrechts Synode.

Stonden toen niet aan de éene zijde de Calvinisten, de „preciesen" geheeten, en aan de endere zijde de Remonstranten, de geesteskinderen van Erasmus, Coornhert, Arminius e.a., ook wel de „rekkelijken" genoemd?

En tusschen die twee richtingen, de Confessioneele of Calvinistische aan den eenen kant en de Vrijzinnige of Arminiaansche aan den anderen kant, lag op theologisch of dogmatisch maar ook op juridisch terrein een diepgaande klove.

) De Confessioneelen of Calvinisten toch kwamen op voor de souvereiniteit Gods, voor Gods Woord en handhaving der Gereformeerde belijdenis, 'door de Kerk wettig vastgesteld — en de „rekkelijken" hechtten aan de handhaving der Confessie geen gewicht, zagen den band aan Confessie en Catechismus het liefst opgeheven, waren tegenstanders van het leerstuk der praedestinatie enz.

Is zóo de scheidingslijn tusschen de twee groote richtingen op theologisch gebied nog niet?

Daarbij kwam — en komt ook nu nog — een juridische kweatie.

Ue dogmatische of theologische was aangaande de leer, de confessie.

De juridische ging — en gaat nög - — over de vrijheid der Kerk, over het vraagstuk aangaande de verhouding van Kerk en Staat. •

De Calvinisten, de Confessioneelen, ijverden op voetspoor van Prins Willem van Oranje voor de souvereiniteit der Kerk op haar eigen gebied. De tegenpartij zocht steun bij de Overheid en had tegen haar inmenging in dingen, die van zuiver kerkelijken aard waren, geen bezwaar.

Ook hier staan in onze dagen de Gereformeerden aan den éenen kant, om voor de vrijheid der Kerken op te komen en tegen inmenging der Overheid in dingen van zuiver kerkelyken aard te waken; de vrijheid der Kerk binnen haar eigen terrein te omschrijven, overeenkomstig Gods Woord en de aangenomen Confessie en Catechismus — terwijl de andere partg in den grond der zaak 't liefst wil, dat alles steunt op den arm van den Staat en alles leeft uit de Staatsruif;  — dat er radicale, gewelddadige scheiding komt tusschen Staat en Kerk, gelijkstaande met scheiding van Staat en godsdienst. Een scheiding dus, zooals de ongodisten vroeger ook wilden en nu weer trachten in toepassing te brengen, waar ze maar eenigszins kunnen.

-Bij deze tweeërlei richting op theologisch en juridisch terrein, hebben we van onze eigene zienswijze hoe langs hoe meer ons bewust te worden.

En in hoofdzaak staan hier, wat de theologische kwestie aangaat. Gereformeerden en Confessioneelen schouder aan schouder, ook juridisch in hoofdzaak 't zelfde voelend, - n.l. dat het den Staat niet toekonït zich te mengen in dingen, die van zuiver kerkdijken aard zqn; hoewel de meening aangaande de Overheidszorg bij de Confessioneelen een andere is dan bij de Gereformeerden. De laatsten toch achten over 't algemeen de beste zorg van de Overheid, als deze de Kerk geheel aan zich zelf overlaat en getrouw waakt tegen het haar aandoen van onrecht, van welken kant dat ook komen mocht. De Confessioneelen daarentegen hebben 't meer over daadwerkelijke verzorging, zij 't dan dat dingen van zuiver kerkelij ken aard daar buiten vallen.

De Gereformeerden willen dan ook over 't algemeen meer scheiding nog tusschen Staat en Kerk — in christelijken, niet in revolutionairen zin — terwijl de Confessioneelen krachtens hun oordeel over de roeping van de Overheid, de banden tusschen Staat en Kerk nog wel zouden willen versterken op onderscheidene punten; waarmee natuurlijk verschillende vraagstukken ten nauwste verband houden.

Bij de vraag: wat nu? zullen degenen, die zonen en dochteren zijn van een en hetzelfde geestelijke gezin, elkander moeten leeren zoeken en elkander moeten leeren verstaan; om in de dingen waarin ze éen zijn aanstonds als éen man zich te openbaren.

En in de dingen waarbij verschil is, zal men elkander moeten trachten te helpen, om meer en meer te komen tot éenerlei inzicht en met het oog op de toekomst moeten saamwerken om de positie der Kerk zoo sterk mogelijk te maken.

Heerlijke vrucht van benauwde tijden zou het wezen, indien de tegenpartij niet éen pijl, die gemakkelijk gebroken wordt, maar een bundel pylen, die hecht en sterk saamgebonden is, tegenover zich vond. Dan schaadt het niet of men een minderheid of meerderheid tegenover zich heeft; want dan openbaart zich kracht. En kracht van beginsel is meer waard dan veelheid van menschen. Hebben we 't niet van ouds gehoord, dat eendracht macht maakt en dat door eensgezindheid een kleine zaak sterk staat en groeit met den dag?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's