Armen en rijken in het Nieuwe Testament.
II.
Niemand kan recht verstaan, wat de Christus in Zgne prediking heeft geleerd over armoede' en rijkdom die niet óók weet, in welke omgeving Hg optrad, of tot wat voor menschen Hij sprak. in welke verhoudingen en toestanden men leefde in den tgd en den kring, waar de stem werd vernomen van Hem, die het vleeschgeworden Woord is.
Hiervan eenig begrip te hebben, is Heeren in haar strekking te kunnen verstaan. Dit is niet het eenige; om Hem te verstaan, is er méér noodig: Er is noodig de Verlichting van den H. Geest, die over Zgn woorden het rechte licht doet stralen, die over Zgn woorden het rechte licht doet stralen: de werking van den Geest, dle ons zet op de rechte plaats, waar wg ootmoedig en verslagen, gretig en gehoorzaam als zulken, die in onszelven het leven niet vinden, de woorden indrinken van Hem op Wiens lippen genade is uitgestort. Maar het is toch ook van belang, Zgne Woorden te zien in de Iijst, waarin zg gezien, behooren. Dan kan te beter worden ingezien welke beteekenis zij hebben voor de gemeente Gods van alle tijden.
Armoede en rijkdom zgn woorden, die allereerst de gedachte trekken aan sociale positie; zg geven, zonder meer, den maatschappelijken staat aan waarin iemand verkeert. Doch in verschillende tgden en omstandigheden kunnen deze woorden toch een zeer verschillenden klank, uiteenlopende kiank-schakeering hebben.
In een tgd, dat het leven geheel gematerialiseerd is, dat stoffelgke belangen de hoofdzaak, zoo niet het eenige worden geacht krijgt de tegenstelling .arm en rijk" een bij uitstek bitteren klank.
De materilist gebruikt zgn rgkdom om ervan te genieten, om zich, naar de mate van zgn' aanleg en ontwikkeling, te goed te doen aan wat het leven hem aan genot oplevert. En daarbg haat het hem als met den dorst van den dronkaard: hg vraagt steeds meer, hoe meer hg drinkt. Zoo ook de weelde en het levensgenot; steeds nieuwe genietingen worden gezocht. Steeds nieuwe eisen aan het leven gesteld. Een grens wordt nimmer bereikt.
En de arme, die niet anders kent dan het aardsche leven, ziet de schrille tegenstelling tussen zijn bestaan en dat van dien rijke; het zijne beneden het peil van het menschwaardige, gespeend aan alle poësie, buiten machte, zich ontspanning te verschaffen, de vreugden des levens te genieten, waarmede de ander den beker keer op keer vullen kan.: Bitterheid en afgunst sluipen in zgn hart; .o en al zgn zinnen en begeeren is erop gericht, nog eindelijk eenmaal in de gelegenhéid te komen, zgn leven verrijkt en verhelderd te sien door de vreugden, die hem thans zijn ontzegd.
De tegenstelling tussen rijk en arm wordt op de wijze die van bezitter en niet-bezitter; doch beider levens-doel is het bezit, verkrijgen en vermeerderen van. stoffelijke welvaart. Een uitzien naar en verwachten van een' beter vaderland ia er bg den éen zomin' als 'bg den ander. En wanneer deze arme den rijke een Mammon-dienaar noemt, dan is dat niets van de verontwaardiging en de bestraffing waarmede Jezus den onrechtvaardigen mammon geeselde; maar dan is de kans zeer groot, dat hierin de nijd en afgunst zich een uitweg banen.
Nu is het er ver vandaan, dat de sociale verhoudingen in het Israël van Christua' dagen in soortgelijk licht zouden staan.
De maatschappelgke verhoudingen waren niet alleen bg lange na niet zoo samengesteld en ingewikkeld als in de maatschappg van onze Westersche cultuur in de 20e eeuw: de tegenstellingen waren niet zoo schril, de afstanden niet zóó onoverbrugbaar; de verschillende kringen der samenleving niet zoo van elkander afgésloten.
Maar, waarop hier vooral de nadruk oet vallen, het Joodsche leven was het ten eenenmale onttrokken aan religieuzen invloed, en niet ontbloot van .het licht der openbaring Gods.
Ongetwgfeld was in net volk der Godsopenbaring van Christus dagen veel formalisme, was, over het geheel genomen. den dienst des Heeren geheel veruitwendigd, verstard tot een wettischen, vormelijken dienst van ceremoniën en plichten. Maar zelfs zoö werkte daarin toch nog door de zegen dat aan dit volk de Heere Zgne rechten had bekend gemaakten stond onder den onder den regelenden invloed der wetten van Mozes.
In die wetten nu valt de toon van barmhartigheid en van sociale gerechtigheid als een grondtoon te beluisteren. Op haar zijn de wetten gegrondvest; Dit behoeft niet te verwonderen, daar het volk de . barmhartigheid des Allerhoogsten, Zijn verbond had ontvangen en de gansche wet hangt had aan het gebod der liefde; niet alleen het eerste en groote gebod: , heb den Heere uw God lief met uw gansche hart en met uw gansche ziel en met al uw vermogen''; maar ook het andere, daaraan gelijk: , hêb uwen naaste lief als uzelven."
Geheel het leven werd geregeld en beheerscht door de gedachte aan de gunst en de goedkeuring Gods, zg het dan ook dat men meende, die te kunnen verwerven door wetische menschen. Men kan zeggen, dat onder het Oude Verbond het gansche leven religieus bepaald was mede omdat het stond onder het aspect van het verbond, dat God aan Zgn volk had geschonken, en omdat het geregeld 'werd door de wetten, in Zijn naam hun gegeven.
En in die wciten worden zoowei bepalingen gevonden, die rekening houden met de verantwoordelijkheid van de mensch jegens zijn naaste als voor die, mits, stipt nagekomen te groote ongelgkheid in sociaal opzicht konden voorkomen.
Om een enkel voorbeeld te noemen: In Deut. 22 vs. 8 wordt gezegd: , Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zoo zult gij een leuning op uw dak maken, opdat gij geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand vallende daarvan af vieL" Het platte dak van het Oostersch huis moestr dus met een balustrade of borsttwering voorzien zijn, ter beveiliging van ieder, die er aan arbeidde. Ter beveiliging ook van iederen bezoeker, wiens leven zonder zulk een leuning licht gevaar liep. Hoe gemakkeIijk kon hg naar beneden storten, Wanneer in de arbeidswetgeving van onze dagen bepalingen worden gevonden, krachtens welke alle werktuigen en onderdeelen van machines die gevaar kunnen opleveren, zoo moeten voorzien zijn dat zij den arbeider geen schade of letsel kunnen toebrengen, wat is dit dan anders dan een gedeeltelijke toepassing van het overoude beginsel dat reeds in de wetgeving van Deuteronomium haar uitdrukking heeft gevonden? Een beginsel, dat men het beginsel der humaniteit kan noemen, en dat zijn grond vindt in het groote gebod der liefde tot den naaste.
Het zal niemand verwonderen, dat in het O. Testament ook de vraag van armoede en rijkdom getrokken wordtin religieus licht, en gezien onder de bestraling van het licht van de kennis Gods. In de verhouding van den arme tot den rijke, gelijk de Mozaïsche wetgeving die omschrijft, komt dit telkenmale uit.
Zoo wordt in Ex. 22 vs. 26, 27 gezegd: „Indien gij eenigszins uws naasten kleed te pand neemt, zoo zult gij het hem wedergeven eer de zon ondergaat; want dat alleen is zijne bedekking, het is zijn kleed over zijne huid; waarin zou hij liggen? " En dit beginsel van zuivere menschelijkheid wordt aangedrongen door het volgende: „het zal dan geschieden, wanneer hij tot my roept, dat Ik het zal hooren, want Ik ben genadig".
Wanneer iemand door achteruitgang ertoe kwam zijn land te verkoopen, of ook zelf als slaaf moest gaan dienen, mocht dit slechts voor zes jaar zijn; het zevende jaar moesteenjaar der vrijlating wezen. En dan mocht de vrijgelatene niet, arm ên berooid als hij was, buiten de deur worden gezet. Neen: „gij zult hem niet ledig laten gaan, gij zult hem rijkelijk opleggen van uwe kudde en van uw dorschvloer, en van uwe wqnpers; waarin u de Heere uw God gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven."
Aan zulk betrachten der humaniteit verbindt God niet alleen de belofte van Zqn' zegen; maar ook wordt hiertoe aangemaand door deze overweging: „gg zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zqt, en dat u de Heere uw God verlost heeft; daarom gebied Ik u heden van deze zaak". Deut. 15 VS. 12-15.
Den arme mag het niet onmogelqk gemaakt worden, in ziijn allereerste levensbehoeften te voorzien: ook al zou hg schuld moeten maken en pand geven, „men zal beide molensteenan, ja den bovensten molensteen, niet te pand nemen"; want wie dat doet, „neemt de ziel (d.i. het leven) te pand"; hq verhindert den arme het graan te malen en zijn dagelijksch brood te bereiden.
Den arme, van wien pand genomen was, moest dit v56rdat de dag was verstreken, worden teruggegeven „dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene." En ook hier is aan het beoefenen van recht de zegen des Heeren toegezegd: „en het zal u gerechtigheid zijn voor hët aangezicht des Heeren uws Gods, " Deut. 24 VS. 12 V.
Barmhartigheid, een zich verplaatsen en indenken in lot en leven van den mensch met, wij, zouden noemen de socialen Israëliet geëischt op grond en als één der uitingen van het groote gebod: „heb den naaste lief als uzelf".
Daarom wordt hem ook bevolen, dat „des daglooners arbeidsloon niet (bij den werkgever) zal vernachten tot den morgen." Lev. 19 vs. 13.
Altemaal aanwijzingen, in welk licht onder Israël alle leven moest komen te staan, alle verhoudingen worden gezien, ook de sociale verhoudingen, ook die van armen en rijken.
Opzettelijk schrijven wij: mocsien worden gezien. Want dat naar dezen eisch __het leven ook waarliijk zich richtte, het is er ver vandaan. Ook in Israël, (kan het wel anders? ), is het menigmaal gezien, hoe de zondige natuur inging tegen den geopenbaarden wil des Heeren, hoe eigenliefde en zelfzucht spotte met het gebod der liefde tot den naaste.
Tot welk een onderdrukking en onrecht heeft niet de weelde aan Salomo's hof geleid I Hoevelen uit Israels mannen en vrouwen eisch te hij op voor den dienst in zijn paleis; welke lasten werden het volk niet opgelegd, dat zg het ten leste niet meer dragen konden!
Ea dat bleef niet beperkt tot één enkele, tot een vorst, die van de wegen des Heeren afweek. Er zijn tijden in Israels bestaan geweest, dat de voorspoed en zegeningen Gods hen hunnen God deden vergeten : „als Jeschurun vet werd sloeg hij achteruit". En ook het gebod van barmhartigheid, van recht en gerechtigheid werd met voeten getreden.
Ge hebt slechts de profetieën vaneen Amos en Hosea, ook van Jesaja en Jeremia op te slaan, om te zien, hoede Heere Zijne dienstknechten uitzendt om juist deze zonden des volks te geeselen, en hen te roepen tot een terugkeeren op de wegen van Zgn Woord.
In den naam des Heeren zegt de profeet Amos het gericht aan Israël aan: „om drie overtredingen van Israël en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij den rechtvaardige voor geld verkoopen, die er naar hijgen, dat het stof der aarde op het hoofd der armen zq, en den weg der zachtmoedigen verkeeren". Am. 2 VS. 6, 7. In hfdst. 4 vs. 1 wordt het oordeel aangekondigd aan hen, die de armen verdrukken, die de nooddruftigen verpletteren.
In later eeuw is het door den mond van Jesaja, dat God het volk toeroepen laat: „helpt den verdrukte, doet den wees recht, en behandelt de twistzaak der weduwe" 1 VB. 17. g
En in Jeremia wordt het wee uitgeroepen over dien, „die zgn huis bouwt met ongerechtigheid, en zgne opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niét gebruikt en geeft hem zijn arbeidsloon niet" en de vraag wordt gesteld: „de rechtzaak des ellendigen te richten, ... is dat niet, Mij te kennen? spreekt de Heere" Jef. 22 vs. 13, 16.
En bij den laatste der Oud-testamentische profeten is de aanklacht tegen hen, „die het loon van den daglooner met geweld inhouden, die de weduwe en den wees en den vreemdeling het recht verkeeren, en Mij niet vreezen, zegt de Heere der heirscharen" Mal. 3 vs. 5.
Hier is slechts een greep gedaan uit een volheid van getuigenissen. Doch dit weinige is genoeg om aan te toonen de juistheid van wat wij zeiden, dat èn in de wetgeving èn in de profetie het ganache leven getrokken wordt in religieus licht; dat voor den Israëliet heel zijn bestaan werd beheerscht door de vraag der Goddelijke gunst. Het zij toegegeven, dat na de ballingschap, dat met name in den tijd omstreeks het begin onzer jaartelling, onder den invloed van het Parizeïsme, de religieuze warmte en diepte verdwenen, dat het een zoeken was, om de eigerigerechtigheid op te richten; de verhouding tegenover den Allerhoogste werd vooral gezien uit het oogpunt van gebod en loon, van uitwendig, vormelijk dienen en verdienen.
Maar dit alles kan niets afdoen aan het feit, dat de begrippen „arm" en „rijk" niet in denzelfden zin als in onze dagen, een uitsluitend „oeconomiscben" toestand uitdrukten. Zoolang het leven niet geheel gematerialiseerd is, en het bezit of de ontbering, rgkdom en armoede, nog gezien worden bij het licht van Gods Woord, zijn er ongetwiijfeld in Israël geweest, die de wijsheid erkenden van Agurs bede: „armoede of rgkdom geef mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels" Spr. 80 vs. 8, en die met Hanna beleden: „de Heere maakt arm en maakt rgk; Hg vernedert, ook verhoogt Hg". 1 Sam. 2 vs. 7.
En zoolang er de invloed en werking is van het Woord des Heeren, zoolang komt de vraag ook van armoede en rgkdom in een eigen licht te staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's