De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

11 minuten leestijd

III.

Het leven in Israël in de laatste eeuw vóör het begin onzer jaartelling heeft zijne geweldige beroeringen gekend. Doch ook deze waren dikwijls een gevolg van het innerlijk leven van het volk: als hun verontwaardiging opvlamde tegen de heidensche neigingen en daden van een Herodes, enz.

Voor de beroeringen in Israels bestaan mag echter de stroom van hun dagelijksch leven niet vergeten worden, die tijden lang geregeld en kalm in rustige bedding zijn' loop vervolgde. Dat hij somtijds zoo heftig kon opbruisen, wanneer een hindernis in zijn weg werd gelegd, was óók uiting en openbaring van de krachten, die in de rustiger tijden van het leven van lederen dag zijne wateren voortstuwden.

Welke waren de krachten die in het Jodendom huisden, soms sluimerden, soms met geweld zich merken lieten, in den regel rustig en gestadig haar werking deden ?

Een enkele zij hier aangewezen.

Jeruzalein, de tempelstad, was het centrum van het nationale en het reliminste ééns in zijn leven op één der groote feesten met de stammen was opgegaan naar den tempel om den God Israels in Zijn heiligdom te aanbidden. En duizenden bij duizenden, die minstens ééns in het jaar den tocht ondernamen, en op een Paaschfeest of Loofhuttenfeest aan de verlossende daden van den God des Verbonds gedachten.

Dat waren hoogte-punten in hun bestaan ; dan werd de herinnering aan de trouw Gods verwakkerd, en het verlangen naar de dagen van den beloofden Messias verscherpt, waarin het volk, verlost van het vreemde juk, in vrede en vrqheid onder den koning op Davids troon zijn God zou kunnen dienen.

Wéé de schennende hand, die zich aan Israels heiligheden vergreep I

Hoe juichte de menigte, toen, bij het bericht der doodelijke krankheid van Herodes den Groote, eenige mannen den gouden adelaar, het Romeinsche veldteeken, van boven de tempelpoort wegrukten en met bijlslagen vernielden I

Met hoeveel wantrouwen werden alle vriendelijkheden van dezen vorst van niet-Joodsche afkomst bejegend, zelfs zijn voorstel voor de verbouwing en vernieuwing van den tempel.

Vanwaar werden toch de krachten van dit taaie, fiere leven gevoed?

Hun geestelgke leiding ontvingen de Israëlieten in het huisgezin, de synagoge, de school en den tempel.

En voor die alle was er éénzelfde middelpunt van belangstelling: de wet Gods. Het kind werd opgevoed in de kennis van de wet des Heeren, en hoorde van der jeugd aan de historie van het oude erfvolk: voor hem werd opengelegd de geschiedenis, die een doorloopend getuigenis was van 's Heeren trouw en leiding, die op haast iedere bladzijde sprak van de macht van der profeten woord, of van de kracht der helden, die in den Naam huns Gods het volk richtten en verlosten, of van de glorie der vorsten, die als gezalfden des Heeren gezeten waren op den troon van David.

Hun geschiedschrijver Flavius Josephüs verklaart: „onze voornaamste zorg is de opvoeding der kinderen, en houden voor de gewichtigste taak van ons gansche leven, de wetten te houden en de ons volgens die wetten overgeleverde godsvrucht te bewaren."

Deze taak rustte, behalve op de ouders, op de synagoge en haar leeraars. Wel werden alleen de toekomstige Schriftgeleerden dieper ingeleid in de studie der wet, .zoodat de Farizeërs en Schriftgeleerden met minachting neerzagen op „de schare, die de wet niet kent" (Joh. 7 vers 49).

Maar iedere Israëliet werd toch door de leeraars der synagoge onderwezen in de wet tot zqn twaalfde jaar, op welken leeftijd hij tot een „Bar-Mizwa", d. i. een zoon der wet werd.

Geen dorp, dat niet een synagoge had als een centrum van het religieuze leven, waar Sabbat op Sabbat het. volk vergaderde, om de H. Schrift te hooren. En nu was de geleerdheid der Schriftgeleerden niet zelden een dorre casuïstiek, een gebod op gebod, regel op 'regel, raak niet en smaak niet en roer niet aan; zij legden den menschen een juk op, zwaar om te dragen. Zy omtuinden dea levensweg door tal van bepalingen, zoodat een Israëliet den voet haast niet verzetten kon zonder zich te stooten aan een of ander voorschrift.

Doch met dat al bleef toch door de synagoge en de prediking op den Sabbat het volk gebonden aan het Woord züns Gods.

Het kan wel niet anders, of een opvoeding, waarbq de wet des Heeren behoorde, waarvan zij een onlosmakelijk bestanddeel vormde, moet haar stempel op het leven van het volk hebben gedrukt.

Daar leefden onder het volk der Joden groote zedelijke beginselen, die gegrond waren in het religieuze leven, en hun richtsnoer hadden in Gods geboden.

En op de ontwikkeling van het sociale leven heeft dit zonder twijfel groeten invloed gehad.

Het sociale leven in een Oostersch land is maar zeer uit de verte te vergeleken met dat van een Westersch volk. De Westersche cultuur, het klimaat, de woningen, de arbeidsverhoudingen, i.e.w. al de factoren, die mede het huidige maatschappelijk leven bepalen, dit alles is hemelsbreed verschillend van wat in het begin onzer jaartelling in Palestina te vinden was.

Toen geen spoor of 'vermoeden van de ontzaglijke samengesteldheid en bontheid, die onze maatschappg kenmerkt.

De Oostersche maatschappij was vrij wat minder ingewikkeld, het leven vloot rustiger voort, bewoog zich binnen veel beperkter kring, kende niet de vragen en eischen, die zich voor de kinderen van onzen tijd opdoen.

Toch moet niet vergeten worden, dat het volk van Israël van oude tijden af niet heeft gestaan buiten den grooten stroom van het wereldleven. Het was niet slechts herhaaldelijk het tooneel, waarop de strijd zich afspeelde tusschen de twee groote wereldmachten, waartusschen het land van Abraham, Izaak en Jacob was gelegen: Egypte ter eene, kant of Palestina's bodem werd de worsteling tusschen deze twee wereldrijken meer dan eenmaal volstreden; onderscheiden keeren was Israël zelf de inzet van den strijd; soms zocht het aansluiting bij hen, die het voor de sterksten hield; men herinnere zich slechts, hoe de profeet Jeremia vorst en volk in 's Heeren Naam bestraft, omdat het zijn steun zocht bij Egypte, instede van op den God des Verbonds te vertrouwen.

Hoe menigmaal in zijn geschiedenis is Jeruzalem belegerd of bedreigd door legers uit het Oosten, en het slagveld geweest van de Oude Wereld, zooals België in den loop der eeuwen telkens weer het slagveld worden zou van Europa

Doch dit was niet het eenige. Het land der aartsvaders was niet alleen als het stootkussen, dat de slagen had te verduren van de groote rijken, waartusschen het was gelegen. Het was niet slechts de heirbaan, waarlangs de machtige drommen van krijgers optrokken om elkander te bevechten. Het was in vreedzame tyden ook de karavaanweg, waarlangs de kooplieden van Egypte en Babyion hunne waren aanvoerden.

Zoo was ook omstreeks het begin onzer jaartelling het Joodsche volk niet buiten den stroom van het wereldleven gebleven. En ook op de maatschappelijke verhoudingen had dit zijn invloed doen gevoelen.

Groote steden telde het Joodsche land betrekkelijk weinig. Landbouw wasvoor een groot deel van het volk het voornaamste bedrijf; akkerbouw en wijnbouw werd in Palestina beoefend. Menige gelgkenis des Heeren is aan een van deze beide ontleend; wat Hij zeide over den schat, in den akker verborgen, Matth. 13 VS. 44, is een beeldspraak, die ieder Zijner toehoorders kon verstaan": Eveneens de zoo bekende gelgkenis van het zaad in den akker, Matth. 13 vers 3—9; hier grijpt Hij een beeld uit het Palestijnsche landleven, dat voor geen enkelen bewoner van Galilea vreemd was. - En waar Hij spreekt van het graan, dat vanzelf opwast; van de aarde, die vanzelf vrucht voortbrengt. Mark. 4 vs. 26—29, bezigt Hg als beeld een gebeuren, dat ieder telken jare kon waarnemen.

Sprak Jezus van jongen wgn, die niet in oude leeren zakken moest worden gedaan, d.i. in nog versche dieren-huiden, waarin de wijn werd bewaard, Matth. 9 vers 17, dan konden zqne hoorders dit verstaan, bekend als zg waren met de gistende werking van den jongen wgn, die de stugge, hard geworden huid zou doen scheuren.

Bij den akker-arbeid werd gebruik gemaakt van de hulp van arbeiders, hetzij slaven, hetzij daglooners. De sla ven, die deel uitmaakten van het huisgezin, hadden over het geheel bij de Hebreen geen hard lot; over het geheel verschilde het niet van dat der overige huisgenooten.

Anders dan door slaven werd ook arbeid verricht door daglooners, die zich voor één dag verhuurden. Lev. 19 vers 13, Deut. 24 vs. 14 v., Matth. 20 vs. 8. Hun dagloon was gewoonlijk één denarie, Matth. 20 ys. 2, 9, waarvan de waarde in onze munt uitgedrukt, 'ongeveer f 0, 40 èi f 0, 45 is. Het is moeilijk, de be teekenis hiervan te schatten, maar dit dagloon was ongetwijfeld voldoende om in de levensbehoeften van den daglooner te voorzien.

Het materiaal voor zijne zeer eenvoudige woning was weinig kostbaar; de huizen der armeren waren meestal gebouwd van leemen tegels, die gebrand of in de zon gedroogd waren. Zulk een hut, waar een dief dan ook gemakkelgk kon doorgraven, Matth. 6 vs. 19, was gedekt door een plat dak, uit boomstammen of takken bestaande, waarover een laag aarde van, ongeveer een voet dik werd aangestampt.

Vensters had zij dikwgls niet; soms bestonden deze uit openingen in den muur; anders moesten licht en lucht door de deur toetreden.

De ruimte binnen waa soms voor de helft een weinig opgehoogd; deze helft diende tot verblijf van het gezin, terwijl het andere gedeelte bestemd was voor het vee, dat ook den daglooner niet geheel ontbrak, vgl. 2 Sam. 12 vs. 3.

Landbouw was evenwel niet het eenige ftiddel van bestaan Het zeer vischrijke meer van Gennesareth leverde aan velen een levensonderhoud door de vischvangst; en ook om de oevers van deze zee van Galilea had men eigenaars van schepen, als b.v. Zebedeüs, de vader van Johannes en Jacobus, evenzeer als gehuurde arbeiders, die in den dienst van anderen om loon werkten, vgl. Mark. 1 : 19, 20.

Doch ook in de dagen van Jezus' omwandeling op aarde stond het Joodsche land onder den invloed van zijne ligging. Het werd beheerscht door de Romeinen; zou alleen dit kleine land buiten de machtige greep zijn gebleven van den gebieder over het geweldige Romeinsche rijk?

En zoo onderging ook het volk der Joden den invloed van de Romeinsche wereld. Het maakte kennis met de Romeinsche administratie en het Romeinsch belastingstelsel. Het Romeinsche muntstelsel deed ook in Palestina zijn intrede, en zo werd de wisselaar een bron van inkomsten: ieder Israëliet moest eenmaal per jaar zgn tempelschatting opbrengen, een „sikkel des heiligdoms", in Tyrische munt te voldoen. Zoo trof Jezus in den tempel tegen het Paaschfeest de wisselaars aan, bij wie de feestgangers hun geld tegen provisie konden omwisselen in de munt van den vereischten stempel.

Deze wisselaars oefenden vaak nog een bedrgf uit, dat met het bedrijf van een bankier in onze dagen te vergelijken is. Zg leenden van hen, die hun vermogen niet zelf beheerden, geld tegen geringe rente, datzig óf zelf weer uitleenden tegen hoogere rente 6f staken in handelsondernemingen 5f een tolkantoor. Van zulk een bankier spreekt Jezus in de gelijkenis van de talenten, Matth. 25 vers 27. Waarschijnlgk is bg den dienstknecht, die zgnen heer 10, 000 talenten schuldig was, Matth. 18 vers 24, eveneens aan zulk een bankier te denken.

Dat vele Joden zich ook op den handel toelegden, is van een volk met den aanleg en de karaktertrekken van het Israelietische, te verwachten, en blijkt voor het begin onzer jaartelling ook uit het N. Test.; de producten, die het land zelf opleverde, als olie, wijn, welriekende balsem enz., gaven daartoe aanleiding. En ook zullen er wel ondernemende lieden zijn geweest, die zich aan handel in waren waagden, die in het land niet te vinden waren, zoodat ook „de koopman die schoone paarlen zoekt" Matth. 13 vers 45, 46, voor de Joden geen onbekende figuur was.

Dit weinige zij genoeg, om te doen zien, dat het sociale leven in Israël, hoewel veel minder gecompliceerd dan dat eener hedendaagsche Westersche maatschappg, toch ook een vrg bont en afwisselend aspect bood.

Men vond in een Joodsche stad zoowel de weelderige paleizen der rijken, die in purper en fijn lijnwaad gekleed gingen, als den armen vergeten bedelaar aan de poort van des rijken huis. Op het land was evengoed de daglooner, die van de hand in den tand leefde als de rijke, grondbezitter, wiens schuren soms te klein waren om de opbrengst zijner landerijen te bergen.

De tegenstellingen op social gebied waren misschien weinig minder schril en snijdend dan in onze dagen. Ook ten bpzichte van het leven in Israël in 's Heeren dagen kan naar waarheid worden gezegd: „armen en rijken ontmoetten elkaar."

Hoe ia nu door den Christus die rijkdom en die armoede gewaardeerd ? *^*

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's