De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

10 minuten leestijd

IV.

. Van den Christus wordt niet zonder reden gezegd door den apostel Paulus, dat Hij arm geworden is, daar Hy rijk was, opdat de Zijnen door Zijne armoede zouden rijk worden, 2 Cor. 8 vs. 9.

Zijne moeder Maria en Jozef, haar man, moeten tot de armen en eenvoudigen gerekend worden. Toen zij, na de geboorte van haar kindeke, het door de wet voorgeschreven reinigingsoffer bracht, maakte zij gebruik van de bepaling, die voor de armen was vastgesteld: „indien de hand der moeder niet genoeg voor een lam vindt, zoo zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, " Lev. 12 VS. 8. Maria's reinigings-offer bestond uit dit offer der armen. Luk, 2 VS. 24.

De vlucht naar Egyte wordt voor Jozef en Maria met het kind Jezus mogelijk gemaakt door de geschenken, die de wijzen uit het Oosten aan de voeten van den „geboren Koning der Joden" hadden neergelegd, Matth. 2 vs. 11.

En wanneer de Heere Christus optreedt in het openbaar, om Zijne profetische roeping te vervullen, en het land doortrekt goeddoende, dan getuigt Hij van Zijne armoede in het bekende woord: „de vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten, maar de Menschenzoon heeft geen plek, om het hoofd neder te leggen", Matth. 8 va. 20.

Wel kan Hij, aan het eind van Zijne omwandelingen gekomen, Zijne discipelen doen getuigen, dat het hun aan niets ontbroken heeft, toen Hij hem uitzond door de steden van Israël. Maar dat was niet, doordat Hij ze uit Zijn' overvloed had toegerust met geld voor de reis en met teerkost voor den weg. Neen, zij waren op weg gegaan met den last, geen beurs en geen reiszak, geen reserve-paar schoenen mede te nemen, met de belofte, dat, daar de arbeider zijn voedsel waard is, dat zij door de zorg des Heeron zouden in het leven worden behouden, vgl. Luk. 22 VS. 35, Matth. 19'; vs, 9, 10,

Onder de twaalf discipelen is er één, die de beurs heeft; doch deze werd voorzien niet uit den overvloed van eigen bezit, maar van de liefde en toewijding van vrienden, die Hem dienden met hunne goederen, vgl. Luk. 8 vs. 3.

In de woning van sommige weigestelden, zooals het huisgezin van Lazarus en Martha en Maria, is Hy geen vreemde. Doch ook de eenvoudige hut van den daglooner is Hem bekend, evenals het arme leven van de kleinen naar dé wereld.

„ Het geheele huis", dat verlicht wordt door „de lamp, die op de omgekeerde schepel gezet wordt, " vgl. Matth. 5 vs. 15, is niet de woning van den rijke, met haar vele vertrekken en weidsche zalen, maar de hut van den arbeider, bestaande uit ééne ruimte, waar alle bewoners tezamen zijn.

De vrouw, die het deeg kneedt om haar brood toe te bereiden, heeft dit werk zelve te verrichten; zij kan dit werk niet overdragen aan eene slavin, Matth. 13 VS, 33.

De herder, wien het ééue schaap verdwaalt, moet, als hij het gaat opzoeken over de bergen, de negen en negentig aan hun lot overlaten; geen knecht die hem bqstaat in het hoeden van zijne, trouwens maar kleine, kudde, Matth. 18 VS. 12, 13.

Het bezit der vrouw, die den éénen kostbaren penning verliest, en niet rust, vóór zij dien heeft teruggevonden, bestaat uit slechts 10 drachmen. Lak 15 vs. 8, 9.

Deze door Jezus in Zijne prediking gebruikte beelden bewijzen natuurlijk niet, dat Hijzelf in armoede zou hebben geleefd. Doch zij toonen toch.wel aau, dat Hij met het leven der armen van nabij bekend was.

Een leven in rijkdom en overvloed is Zijn aardsch bestaan zeer zeker niet geweest. De beurs, die Judas hield, inag ook wel gediend hebben om er een greep in te doen, die voor de armen iets zou opleveren; dat is echter veeleer een handreiking van den behoeftige geweest, die deernis kent, dan de gave van een' rijke, die van zijn' overvloed uitdeelt.

Althans toen de tempelschatting moest worden betaald, moest eerst het geld daarvoor verschaft worden; het scheen dus niet aanwezig te zijn, Matth. 17 vs. 24—27,

En in een dispuut met de Pharizeërs, die Hem vraagden of men den keizer van Rome schatting mocht betalen, heeft Jezus geen denarie bij zich; Zijn tegenstanders toonen Hem op Zijn verzoek zulk een belasting-penning, Matth, 22 vs. 15-22.

Wq mogen dus wel zeggen, dat Paulus niet overdrijft, als hij spreekt van Jezus Christus, die om de Zijnen arm ia geworden. En het is te verwachten, dat Hij aan de nooden en ellenden der armen niet vreemd is gebleven.

Dat komt dan ook in de prediking des Heeren overvloedig uit. En dit alles is niet toevallig, niet eene onbeteekenende bijkomstigheid, maar door Hem, dierijk was, als het Eeuwig Woord, dat bij God en God was, aldus gewild. Hij heeft, gelijk Paulus het elders uitdrukt, nl. Filipp. 2 VS, 7, zichzelven ontledigd van de heerlgkheid, die Hij bij den Vader had, „de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende".

Zoo was er in Hem, naar het profetisch woord, „ geen gedaante noch heerlij kheid; als wg Hem aanzagen, zoo wasergeene gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben, " wat niet ziet, geliyk men het in sommige tijden wel heeft willen verstaan op iets onoogelijks of stuitends in Zijn gelaat, maar op de nederige positie, die Hij in het sociale leven innam. Hij behoorde niet tot de grooten en aanzienlijken, tot de rijke en geëerde Farizeërs, maar tot de kleinen en geringen, tot de nederigen en die niet geteld werden.

Wanneer Hij optreedt om te leeren in één der synagogen in Kapernaüm, kent dan ook de verbazing geen grenzen; de menigte was gewoon aan het met gezag leeren der Farizeërs, der Rabbi's, tegen wie zij hoog opzagen; dat waren de grooten, de aanzienlijken; maar deze Zij weten precies, uit welken kring Hij voortkomt, zij kennen Zijn moeder Maria, en Zijne broeders Jacobus en Joses en Judas en Simon; Zijne zusters wonen in hun midden, zij weten dus alles van Zijn nederige afkomst en bescheiden omstandigheden: zelf wordt Hij door hen „de timmerman" genoemd, Mark. 6 vs. 1—3.

En wanneer een Farizeër Hem aan zijn tafel noodigt, laat de gastheer Simon dezen gast klaarblijkelijk voelen, dat Hij het te waardeeren heeft als een hooge gunst en te beschouwen als een groote eer in zulk voornaam gezelschap te worden toegelaten. Had Simon de Farizeër anders wel de onwellevendheid gehad, de meest elementaire eischen van beleefdheid en gastvrijheid te verwaarloozen, gelijk hij zich tegenover den Heere Jezus veroorloofde? Vgl. Luk. 7 vs. 36, 44.

Ook de kring vau discipelen, die Jezus om zich heen vergaderde, wijst in eenzelfde richting. Niet van alle twaalf apostelen zijn ons de omstandigheden bekend. Maar over het geheel mag toch gezegd, dat zij gekozen waren uit de geringeren en eenvoudigen.

Een, Jacobus en Johannes oefenden met hun vader het visschersbedrijf uit op het meer Gennesareth. Wel hadden zij ook gehuurde hulp van daglooners aan boord van hun scheepke Mk, 1 vs. 20; maar daaruit volgt niet, dat het huisgezin van Zebedeüs tot de rijken en aanzienlijken behoorde; want ook zonder dat kan men den arbeid van anderen dan van eigen volk wel noodig hebben. En in ieder geval oefenden toch Zebedeüs en zijne zoons mêt de anderen hun handwerk uit.

Van Simon Petrus en Andreas lezen wij eveneens, dat zij visscbers waren, terwijl er bij hunne roeping geen melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van in dagloon arbeidenden; van hen wordt eenvoudig gezegd, dat zij de netten, v/aaraan zij bezig waren, verlieten, en Jezus volgden, Mk. 1 vs. 16—18.

Later wordt een man als Mattheüts, pachter van een tolkantoor, tot den kring der discipelen gevoegd, iemand van wat hooger ontwikkeling dan de Galileesche visachers; maar in hoofdzaak waren het toch mannen uit den geringeu stand, die Jezus in Zijne onmiddellijke omgeving had.

Niet, dat Hij de aanzienlijken vermeed, of met minachting zou zijn voorbijgegaan. In geenen deele!

Zijne prediking ging uit tot het geheele oude bonds-volk.

En ook onder de aanzienlijken werden er getrokken door Zijn woord, gewonnen voor het koninkrijk Gods

Een Nicodemus was zelfs lïd van het Sanhedrin; maar zijn eerste bezoek aan' Jezus is onder de bedekking der duisternis; en eerst op het laatst, als Jezus aan het kruis is geslagen, komt hij onomwonden er voor uit, dat hij tot de aanhangers van dezen Nazarener behoort.' Evenzoo een ander lid van den Joodschen raad: Jozef van Arimathea. Ook hij komt ertoe, zijne vriendschap voor den gekruisigden Jezus te toonen, en heeft zelfs een plaats voor Hem in een grafspelonk, waarvan hij de eigenaar is.

Doch vóór dat oogeublik der begrafenis had hij van zijne gevoelens niet laten big ken; hij had zich stil gehouden uit vrees voor de medeleden van het Sanhedrin.

Al heeft het woord van Christus dus onder menschen van lederen stand zijn kracht gedaan ; al zijn er ook uit de aanzienlijken gebracht tot het geloof in Zijnen naam; al heeft Hij de woning der rijken geenszins gemeden, en bijv. den overste der tollenaren Zacheüs begenadigd met Zqne tegenwoordigheid, geen van deze allen heeft tot Zijne bestendige volgelingen behoord.

De kring, die aldoor om Hem was, bestond uit menschen van geringen stand.. Niet de Farizeërs, niet de ambtenaren, niet de priesters of de geleerden van Jeruzalem, maar de bewoners van Galilea waren Zijne gedurige volgers.

Kort. na het Pinksterfeest te Jeruzalem wekt het dan ook de verwondering der leden van den Joodschen raad, dat een Johannes en een Petrus zich met zooveel vrijmoedigheid en bekwaamheid weten te verantwoorden, want zij weten van hen, dat het „ongeleerde en eenvoudige menschen waren, " Hand. 4 vs, 18.

Zóó waren de mannen, die Hij koos orn Hem te vergezellen, om door Hem te worden onderwezen, en die bestemd waren, om straks, na Zijne verheerlijking. Zijne getuigen te zijn.

En letten wij op de scharen, die met Hem zijn rond de oevers der Galileesche zee, die, na dagen aaneen Zijne prediking te hebben gehoord, door Hem 'worden gespijzigd, dan krijgen wij waarlijk niet den indruk, dat wij hier te doen hebben met de voornamen en rijken, maar veeleer met de kleinen en armen. Hier vooral is het „de schare, die de wet niet kent, " en waarop de Farizeërs zoo de hoogte neerzien.

Met recht mag men dus zeggen, dat Jezus zieh vooral bewoog onder de in sociaal opzicht lager slaauden; dat Hij zich een plaats uitkoos niet onder de rijken, maar onder de armen.

Dat heeft Hij zoo gewild; dat was zoo Zgne keuze; en dat had dus ongetwijfeld z'n zin en bedoeling.

Het feit is onweersprekelijk. Jezus koos Zijne positie onder de geringen, onder de sociaal minder bevoorrechten.

Zelf heeft Hij nimmer hiervan rekenschap of uitleg gegeven. Want de verzekering, dat „de Zoon des menschen niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, " geeft nog geen verklaring van Zijn verkeer met de kleinen en geringon.

Men zou zelfs kunnen zeggen: dat dienen zou evengoed treffend zijn geweest, ja nog sprekender zijn uitgekomen, indien de Christus, die toch van het geslacht van koning David was, ook naar de wereld een hooger geboorte had gehad, en, zelf van aanzienlijke afkomst, zich onder de geringen had begeven en tot de kleinen had neergebogen.

Wellicht, nu een uitdrukkelijke verklaring van Jezus zelven hierover ontbreekt, dat Zijne prediking uitsluitsel geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 december 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's