Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN, 4)
De vrouw lachte en zei: „Foei! wat doe jij mal"
Roosje had de grootste pret van de wereld. Oom Johannes deed, of hij 't niet hoorde, en toen 't lachen wat was bedaard, sloot hq de oogen, vouwde de handen en dankte stil, Ombra deed uitwendig 't zelfde; inwendig schreide 't. En toen haar vader, nadat ze was opgestaan, zei dat ze 't ook wel spoedig zou kunnen leeren, ging ze naar buiten, achter de schuur, om er alleen te zijn met wat er schreide en wrevelde in haar. Haar vader ging ook naar buiten, en zijn broer zocht hem daar, en vond hem, en zei:
„Aardt, God zal jou, spotter, vinden. En 't bloed van je kinderen zal op jou hoofd komen. Als je je niet bekeert, zal je 't vreeselijk hebben te verduren!"
De herbergier blêèf doodkalm, en heel gemoedelijk zei hij: „Hoor eens, broer, dat je hier als dominee optreedt, draag ik in je, omdat je daarvoor in de wieg bent gelegd; maar als jij je nu ook al verbeéldt, dat je een profeet bent, dan wordt het tijd, dat je eens naar een dokter gaat. En wat wil je nu röoken: een pijp of 'n sigaar ? "
Het was onmogelijk, om ook maar een ènkeL ernstig wodtd te" spreken, en toen de bezoeker dan wat rond liep, kwam Ombra, doende alsof ze iets op den grond zocht, naar hem toe èn zei zacht: „Oom! spreek er maar niet meer van, dat ik eens bij u moet komen logeeren: ik zal 't wel alleen klaar krijgen, maar vandaag is 't er de tijd niet voor". „Goed, Ombra I — je zult altijd welkom zijn; je komt maar als je kunt!"
Alles ging 'stug en stijf dien dag. De Bornhemsche broer kon zonder geld naar huis gaan; doch de herbergier beloofde, hem een varken te zullen zenden; zoodra het vet genoeg was. ,
Ombra wist van de zaken tusschen haar vader en haar oom niets af, ook dien avond nog niet, dan alleen, dat er spoedig een vet varken naar oom zou moeten gereden worden en — wellicht zou zij dan mee mogen.
HOOFDSTUK III
Van hun jeugd af had er altijd een zeer groot verschil bestaan tusschen de beide broers, hoewel ze bijzonder veel van elkander hielden. De een was niet minder geestig dan de ander, doch Johannes, stil en ernstig van aanleg, las veel, en vooral den Bijbel, en streefde naar 't hoogste leven, terwijl Aardt alle ernst vreemd was en hij alleen lust had in grappenmakerij. Van lezen hield hq niet en hij voelde zich reeds jong nergens beter thuis dan in de herberg, waar hg 't niet bij scherts en kluchten liet, maar gaarne aan ziijn zucht tot spotten met het heilige toegaf.
De ouders waren vormelijk godsdienstig, doch „aan den lichten kant." Soms prezen ze wel den meerderen ernst in Johannes, doch hadden doorgaans 't meest op met den vroolijken wereldling; Johannes was hun veel te nauwgezet.
Zij zelf gingen Zondags ééns naar de kerk, en vóór en na de hoofdmaaltijden namen ze even den uiterlijken vorm van bidden en danken aan; voor 't overige leefden ze als wereldsche menschen en vader zag er volstrekt geen been in, om — zooals alle „fatsoenlgke" mannen deden — zelfs-Zondags een paar uurtjes in een „nette" herberg zoek te brengen. De beide jongens moesten ook ééns naar de kerk, doch mochten 't overig deel van den Zondag, — mits fatsoenlgk — naar eigen verkiezing verdoen. De catechisatie was ook verplichtend, doch ze mochten overigens 's avonds uitvoeren — in 't fatsoenlijke — wat ze wilden.
Johannes zocht steeds öf zijn boeken, of ernstig gezelschap. Aardt koos den breeden weg en wou 't leven dóór zonder eenige beperking. De herbergdrukte, de kroegpret was geheel iets naar zgn hand; daarheen jaagde 't hem, en zelf herbergier te worden was zgn ideaal. En toen hij dit had bereikt, en aan zijn ouders en broer zich niet meer behoefde te storen, w«rd hg een berucht spotter.
Zijn vrouw bracht heel wat meer geld mee ten huwelijk dan hg zelf, en daar-t door konden ze ergens in een fiorisante zaak komen, en 't er een jaar of twaalf volhouden, doch toen' waren ze naar Termole teruggekeerd, om daar in „de; Gouden Posthoorn" 't herberg-bedrijf op veel lager trap voort te zetten.
De vrouw was gezond, sterk en ijverig, maar had weinig overleg en miste de gave, om met menschen om te gaan. Aan allen godsdienst was ze vreemd, evenzeer als aan wat boven eten, drinken, werken en 't allerplatste leven uitkwam. Ze had een zeer onaangenaam uiterlijk, 't leek, of ze altijd lachte, en toch lachte ze' bijna nooit, omdat er voor haar zoo weinig te lachen was. Haar gelaat had altijd dezelfde wezenlooze uitdrukking. Alle menschen, die bij haar een borrel kochten, hadden voor haar dezelfde waarde; al de anderen waren waardeloos.
Voor haar geestigen man, die.dikwijls dronken was, beteekende ze niet meer dan een dienstbode; zij diende en gehoorzaamde hem als een slavin.
{Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 december 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 december 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's