De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

5 minuten leestijd

OMBRA.

VAN STERVEN EN LEVEN.

Een waar verhaal door JAN VELTMAN.
5)

Hg wist al lang wel, dat hij, sedert hij bijna geen vee meer fokte, van zijn herberg niet kon bestaan; de zakeu gingen al maar door achteruit, en daarom vooral dronk hg nu nog meer dan vroeger. Zgn dochters moesten ook mee gaan verdienen: Femma trok met een mand vol garen en band den boer op; en daar er aan éen vrouw genoeg was in huis, moest of moeder, óf Ombra ook maar iets zien te verdienen. Daar vader meende, dat zijn tweede, nog al knappe dochter meer bezoekers zou trekken dan zgn vrouw, moest moeder dan maar met manufacturen den boer op.

Vader bleef de geestige patriarch in huis, die niets deed dan rooken en geestig zijn, eten en drinken, slapen en kommandeeren. En toch zag hg, dat hij immer meer aan lager wal geraakte en zoodra 't hem daar bang begon toe te grijnzen, zwoer hij — bij wien of wat? — zwoer hij, dat hij een half jaar lang geen droppel drank meer zou gebruiken. Dat had hij nog al eens een paar malen gedaan, en hij had telkens den eed kunnen houden. Den eersten dag na den verstreken tijd was hij dan wel begonnen, de geleden schade weer in te halen, doch hij had dan toch zich zelf en allen bewezen, dat als hij wilde, hij best den drank kon laten staan.

Nu zwoer hij weer voor een halfjaar het gebruik ook maar van een enkelen druppel af, en hij was er zeker van, zijn eed te zullen houden. Voor al de huisgenooten beteekende dit vermindering van uitgaven en hoop op uitstel van den naderenden val.

HOOFDSTUK IV.

Langzamerhand begon ook Ombra iets te merken van wat eerst haar ouders en dan ook Femma reeds tamelijk zeker wisten, dat de verbanning uit de Gouden Posthoorn hun te wachten stond. Of dat reeds 't volgende, of eerst het tweede of derde jaar zou zgn, zou beslist worden door drukke of slappe kermissen, door langer of korter schaats-en pretwinters, ' en door voor-of tegenspoed in de verschillende handelszaken.

Uit de herberg — beteekende voor de ouders: diep in de blijvende, steeds toenemende armoede. Voor Femma beteekende het veel meer; ze leed er nu reeds onder, want ze wist, dat het ook bg de buitenwereld niet onbekend was, hoe slecht het er met hun zaken voorstond.

En — ze had hoop gehad, veel hoop, op een herbergierszoon  maar die had er zeker ook reeds van gehoord: hij deed of hij haar nooit had gezien.

't Arme schepsel sjouwde en zwoegde met een volharding, alsof zg alleen den val zou verhinderen.

Uit de herberg — beteekende voor Ombra verlossing uit de laagheid en ruwheid. Uit de herberg — in de vrijheid. Niet in de vrijheid van haar vader, maar in die heerlijke vrijheid van haar oom Johannes. O, niet meer in dat ruwe leven te moeten verkeeren, niet meer te moeten ademen in dien walm van schelden schend woorden, vloeken en spotternij!

— vrij te zijn als een dienstmeisje bij menschen als oom Johannes en zijn gezin, o, 't zou haar al te groot zijn.

Te groot — want tot voor kort had ze nog allijd gemeend, dat ze heel haar leven in deze weerzinnigheid moest doorbrengen : omdat vader en de aaak dat eischten, vriendelijk te moeten zijn jegens alle bezoekers, dronken of nuchter, en voor die allen altijd op haar hoede, altijd in spanning, om dat tuig van haar Iijf af te houden.

't Bange zuchten van vader en moeder en Femma — zoodra z' er den zin van voelde — was haar een toon der hope geworden, en nu reeds was 't haar als een lied, dat haar de komende verlossing meldde.

De ondergang zou haar ten opgang zijn; uit den avond zou haar de blijde morgen verrijzen I

't Was reeds herfst.

Oom Johannes had door middel van een brief gevraagd, of het varken nog niet vet was.

In de herberg wisten ze allen wel, dat het varken al vet was geweest, aan een slager verkocht en door de klanten opgegeten. Geen cent er voor was in de herberg gekomen, want met het varken was nog bij lange niet de heele slagersrekening voldaan.

Maar oom Johannes moest nu toch wel eenig bericht hebben, anders zon hg 't zeer waarschgnlgk zelf komen halen, en dat was wel 't ergste, wal men vreesde. En schrijven? Wat was ei te schrijven? — Er zou iemand naar toe moeten, en zonder te beseffen, wai een onbehagelgk bezoek dit zou kunnen worden, vroeg Ombra, of zg de bood schap niet zou kunnen doen.

„Geen een beter dan jij " zei haar vader, en terstond werd de dag van dil reisje vastgesteld; maar een nacht over te blijven werd haar niet toegestaan. Tot driemaal toe werd herhaald —lang; en breed — wat ze moest zeggen, en toen haar vader 's morgens vroeg, eer ze op stapte, 't nog eens wilde overdoen, zei ze: „Ik weet nu alles wel, vader, en zal mijn boodschap goed verrichten."

{Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's