De Diaconale Armenzorg.
De veruitwendiging; van den diaconalen arbeid.
I.
Droevig was het gesteld met het godsdienstig en kerkelijk leven in de dagen xrov, van 's Heeren omwandeling op aarde.
De evang, geschiedenissen geverr ons meer dan éene teekening, die doet zien, hoe alles verliep in uitwendige vormen en uiterlijke plechtigheden. Het is of alle geest en leven verstorven is en somwijlen meent men te verkeeren in het dal met dorre doodsbeenderen, dat voor Ezechiël's oogen zich opdoet. Geen wonder, dat de Heiland het Woord des Heeren door Jesaja toepast: „dit volk genaakt tot Mg met hunnen mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij."
Toch moeten wij voorzichtig wezen en niet in te scherpe bewoordingen den ingezonken toestand der Kerk uit die dagen beschrijven. Want we zouden gevaar loopen gelijk te worden aan dien mensch, die den splinter in zijns broeders oog wel zag maar de balk in eigen oog niet opmerkte. Of getuigen onze dagen van zulk een hooggestemd geestelijk leven? Wordt ons godsdienstig en kerkelijk leven door een bizondere bezieling des Geestes gedragen? Geen grooter bewijs van blindheid hebben de Joden kunnen geven dan door het bouwen van de graven der profeten, die door hun vaderen gesteenigd waren. Aan dezelfde blindheid maken wg ons schuldig als wij het diep verval der Joodsche Kerk veroordeelen en niet inzien, dat éénzelfde veroordeeling ons treft.
Schoon een groote schare zich van de Kerk heeft afgewend, nog worden op tal van plaatsen de godsdienstoefeningen getrouw bezocht; in tal van gewinnen wordt dagelqks de bijbel naarstig gelezen; de kinderen worden gedoopt, naar Zondagsschool, Chr. Schooi en Catechisatie gezonden; het grootste deel der jongeren vindt het nog een schande, als men geen belijdenis doet. Maar bg hoevelen is dit anders niet dan sleur en gewoonte? Bij welk een groot aantal gaat heel het godsdienstig en kerkelgk leven, dat zij nog meeleven, buiten het hart om? De uiterlijke vorm is bewaard gebleven — en wij zijn dankbaar als die nog aanweaig is — maar het gemis aan geest en leven kan toch nimmer door uitwendige vormen vergoed worden en brengt ons onder het oordeel dat over farizeën en schriftgeleerden gegaan is.
We willen thans op één deel van ons kerkelijk leven wijzen, dat misschien meer dan eenig ander deel aan veruitwendiging is prijs gegeven: de diaconale armenzorg.
Toen in de eerste helft der voorgaande eeuw een opwekking plaats had en nieuw leven allerwege ontwaakte, heeft zich dat leven ook geopenbaard in werken van liefde en barmhartigheid. Het kon niet anders. Want, het geloof is door de liefde werkende. Tot den arbeid der Inwendige Zending is toen de stoot gegeven en sindsdien heeft dit werk zich reusachtig uitgebreid. Maar — en dat kan niet genoeg worden betreurd — aan den arbeid der liefde, die door de diaconie wordt verricht, schijnt dit riieuwe leven voorbij te zijn gegaan en alles nagenoeg bleef daar in rust en meer en meer sliep men in. Waarschgnlijk, dat een en ander samenhangt met het onkerkelijk karakter, dat aan het Réveil eigen geweest is en met degeestelooze bestuursinrichting onzer Kerk, die een recht opbloeien van het kerkelijk leven tegenhield. In elk geval is de diaconale armenzorg ook na het Reveil met groote achteloosheid behandeld en terwijl op ander terrein van kerkelgk leven vaak een heete strijd gestreden werd, scheen menigeen te vergeten, dat ook het ambt van diaken een onmisbaar ambt is in de Kerk des Heeren en dat een waardige behartiging van dezen kerkelgken liefdesarbeid alleszins noodzakelijk is voor een gezonden bloei van het kerkelijk leven.
In het begin dezer eeuw echter valt een kentering te bespeuren. De oprichting van de „Vereeniging van diakenen in de Nederl, Herv, Kerk", die zich de verbetering en de verheffing van de armenzorg in de Nederl. Herv. Kerk ten doel stelt, strekt ten bewijze, dat de oogen zgn opengegaan voor velerlei verachtering. Sindsdien wordt door velen naar wegen en middelen gezocht om dezen arbeid meer te doen beantwoorden aan het doel, waartoe het diakenambt is ingesteld en om hem meer te vervullen en te doordringen van den Geest, die hier overeenkomstig de goddelijke roeping van de Kerk des Heeren heerschende dient te zijn. In dezen weg is eenige ontwaking gekomen; hier en daar werden al pogingen ter verbetering gedaan; maar het eigenlijke werk moet nog geschieden. De stoot, die gegeven is, moet meer en meer doordringen èn nadat de Gemeenten allerwege ontwaakt zullen zijn, moet welbewust worden gezocht naar de wegen, die thans dienen te worden ingeslagen.
Dat nog slechts een aanvankelijke stoot is gegeven zal ieder duidelijk zgn, die eenigszins op de hoogte is van den tegenwoordigen toestand. Want op de meeste plaatsen vieren sleur en gewoonte hoogtg en vaak is er zoo weinig belangstelling voor dit werk, dat het miss«hien alleen aan die sleur en gewoonte te danken is, dat de diaconale arbeid niet is opgehouden. Dit betreft allereerst de Gemeente, die in dezen arbeid op het allernauwst betrokken is; daarna ook de diakenen en de wijze, waarop door hen dit werk verricht wordt.
De diaconale armenzorg is niet alleen een kwestie van geld; ze is zelfs niet allereerst een kwestie van geld; ze is in de eerste plaats een kwestie van liefde.
In de diaconale armenzorg dient zich uit te spreken, dat de Gemeente iets heeft leeren verstaan van het groote gebod: heb uw naaste lief gelijk uzelf"; daar zal het in daden uitkomen, of et eenige troost is in Christus, of er eenige gemeenschap is des Geestes, of er eenige innerlgke bewegingen en ontfermingen zgn. In het „dient elkander door de liefde" ligt voor de Gemeente de groote levenswet. „Gijlieden zgt het lichaam van Christus", zegt de apostel (1 Cor 12:24 en 25) „en leden in het bizonder' en de Heere wil niet, „dat er tweedracht in het lichaam zij maar dat de leden voor elkander gelijke zorg zullen dragen",
Gebrek aan liefde is dan ook de eerste oorzaak van' het verval en de veracbtering, die in den diaconalen arbeid gekomen zgn. Als het vuur onder dei stoomketel niet meer opvlamt, heeft de machine geen kracht meer om te loopen: als de liefde verkoeld is, kunnen de van , God gestelde' organen tot leniging van den nood hun werk niet naar behoorei verrichten. De liefde is de stuwkracht, die dit werk voortstuwt, die het omhoog weet te verheffen ook; a, ls de liefde traag is geworden moet dit werk noodzakelgl verachteren en inzinken.
De diaconale armenzorg is niet aller eerst een kwestie van geld, maar toch; het speelt hier een groote rol, het geld kan in dezen arbeid niet worden gemist, De broederlijke liefde, die zich in daden uit, openbaart zich allereerst daarin, dat men van het zijne mededeelt. De geschiedenis der eerste Christen-Gemeente doet ons dat duidelijk zien. „De menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel". De band der liefde verbond hen èn.... „niemand zeide, dat iets van hetgeen hg had, zgn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen." Gebrek aan liefde' zal zich daarentegen openbaren in onmededeelzaamheid. Gelijk in onze dagen te zien is. Want in het mede deelen van het zgne is een sleur en verachtering gekomen, waardoor vaak alle geest en leven in het geven en in de gave ontbreekt en de onbarmhartigheid zich hier soms meer dan de barmhartigheid vertoont. Men geeft voor een groot deel enkel uit gewoonte, niet uit liefde Daarom geeft men zoo weinig. Niemand zal, als men 's Zondags ter kerk gaat zonder geld gaan; dat de diaken mei zijn collectezak rond gaat, is een-vaste ' gewoonte geworden, maar dat de verzamelde gelden dienen tot leniging van den nood der armen en dat deze nood ' vaak groot is en er veel noodig is slechts weinigen staat dit voor oogen; slechts weinigen geven van het hunne met een bewogen en liefderijk hart , slechts weinigen laten zich in het bepalen . hunner gave door de liefde leiden. Wie wel eens tegenwoordig geweest is bij het uitstorten der collectezakken, weet, dal het gebruik van het woord „kerkcent' niet naar vroeger tijden heenwijst, maar diep wortelt in ons tegenwoordige leven Een cent of een halve cent is de gave, die door geofferd de meeste kerkgangers werdl en niet alleen door de armen maar ook door de weigestelden. En er zijn er, die zelden of nooit hebben stilgestaan bij de vraag, of dat wel genoeg is, of ze daarmede uit kunnen voor den Kenner der harten; ze zijn het nu eenmaal heel hun leven zoo gewoon geweest : Toen ze kind waren, kregen ze reeds een cent van vader of moeder mee; aan dat gebruik hebben zij zich gehouden; er ook hün kinderen krijgen weer een cent en weten niet beter of het behoort zoo, Stel je eens voor, dat ze begonnen met hun kinderen een dubbeltje mee te geven; arm zouden ze daar niet van worden, maar wat zouden de kinderen er wel van zeggen? hoe verwonderd zouden ze opzien en met welke verbaasde blikken zouden ze vragen: „moeten we nu een dubbeltje geven? dat hebben we vroeger toch nooit gedaan? " Neen, het afwijken van den gewonen weg brengt niets dan verwarring en opschudding; bovendien de diakenen zijn immers gewoon, als ze niet rond kunnen komen, één ol tweemaal per jaar met een lijst of open . schaal rond te gaan. En dat geeft altijd zoo'n prettig gevoel als men op de lijst voor f5 teekent, of een blinkende rijksdaalder op de open schaal werpt. Men is dan toch lang niet van de minsten!
In dezen eentonigen gang van sleur en gewoonte is menige Gemeente jaar en dag haar weg gegaan; de liefde is eer en meer geweken en hadden de aderen op tal van plaatsen niet gezorgd dat er een kapitaal aanwezig is, de armen der Gemeente zouden gebrek Iijden en het aan den lijve gevoelen, dat de Geest van Christus weinig meer in ons midden woont, althans zich weinig meer openbaart. De Gemeente allereerst staat schuldig aan de vèrachtering en veruitwendiging, die over de diaconale armenzorg gekomen is; indien ze zich van deze haar schuld niet bewust wordt, zal ze gevaar loopen door de wereld van haar plaats verdrongen te worden om ten slotte in de wereld te worden opgelost. Want als geloof en liefde in haar midden versterven en de band der éénigheid, door , welke in de Gemeente des Heeren rijken en armen één zijn in Christus Jezus, verbroken en opgelost wordt, heeft zq ', opgehouden een licht te zqn in he : midden van een krom en verdraaid geslacht ; geen godsdienstvormen zullen het uitwisschen van deze principieele scheidingslijn tusschen haar en de wereld kunnen vergoeden; haar einde is dan nabij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's