Staat en Maatschappij.
Twee punten van verschil.
Blijkens een mededeeling van den Voorzitter der Tweede Kamer zal, zoo spoedig de werkzaamheden van het parlement worden hervat, d.i. op Dinsdag a.s., het voorstel gedaan worden, om reeds die zelfde week een aanvang te maken met het onderzoek van het salarisontwerp voor de onderwijzers in de Afdeelingen der Kamer.
Wij juichen dit loffelqk voornemen om met de afdoening der zaak spoed te betrachten van harte toe, ook op gevaar af, dat de Kamerleden nog niet ten volle hebben kennis gemaakt met de inzichten der leidende personen in de onderwijswereld, en van de verschillende onderwijzersvereenigingen en-bonden, die voor eene juiste beoordeeling van de voorgestelde regeling van zoo hooge beteekenis zqn.
Intusschen, met een beetje goeden wil, Iqkt het ons au ook nog wel mogelqk, dat de organisaties, zooal de tijd, om samen te komen, ontbreekt, althans in hunne bladen en met hen de Christelijke pers zich over den inhoud van het wetsontwerp uitspreken.
Wat ons betreft zouden we de bizondere aandacht willen vestigen op een tweetal punten, die om wijziging van het wels voorstel vragen, zonder dat we met die wijziging ook maar het minste oponthoud in de afdoening zouden wenschen. In de eerste plaats de klassiflcatie. Die klassiflcatie is neergelegd in het 2e lid van het nieuwe artikel 26. Nadat het Ie lid van het artikel bepaald heeft, dat aan lederen onderwqyer een vaste jaarwedde wordt toegelegd, schrijft het 2e lid voor:
„Deze jaarwedde is afhankelijk van de klasse, waarin de gemeente of het 'onderdeel der gemeente, waar de school is gelegen, is gerangschikt volgens de lijst, behoorende bij den algemeenen maatregel van bestuur tot vaststelling van de regelen ten aanzien van de bezoldiging van burgerlijke Rijks-„ ambtenaren".
In deze bepaling wordt alzoo verwezen naar den algemeenen maatregel van bestuur tot vaststelling van de regelen ten aanziefii van de bezoldiging van burgerlijke Rijksambtenaren, in welke bijgevoegde lijst de gemeenten in 5 klassen worden verdeeld.
De bedoeling van die klassiflcatie is, zooals men weet, om bij de vaststelling van het salaris in aanmerking te nemen, dat de levensstandaard in de eene gemeente duurder is dan in de andere. De vraag is nu, of voor de onderwijzers eenzelfde beginsel voor de berekening der jaarwedden moet genomen worden als voor de burgerlqke Rijksambtenaren is getroffen.
Er zqn in den lande niet weinigen, die voor de bepaling der tractementen, van welken ambtenaar ook, het klassen-, stelsel afkeuren. Zoo'n stelsel geeft toch vaak tot veel willekeur en groote onbillijkheden aanleiding. Dit geldt dan in het bijzonder in de grensgevallen der gemeenten, die er bij menigte zijn.
Maar bovendien is het niet juist, dat de ambtenaren en zeker niet de onderwijzers in de kleinere gemeenten zoo goedkoop huishouden.
Om slechts een voorbeeld te noemen. De onderwijzer in de groote stad kan voor de opvoeding van zijne kinderen van de onderwijsinrichtingen gebruik maken, die zich in zoo'n gemeente bevinden. De kosten die hij zich te getroosten heeft zijn dan piet meer als de schoolgelden.
De onderwijzer in de plattelandsgemeente, die van dezelfde voordeelen der onderwijsinrichtingen voor zijne kinderen wil proüteeren, staat er echter geheel anders voor, hij heeft behalve voor de schoolgelden in het gunstige geval, als de stad niet ver weg ligt, ook nog te zorgen voor de reiskosten en voor een gelegenheid, waar zqne kinderen tusschen de schooluren tijdelijk kunnen vertoeven.
Dit voorbeeld, dat voor de hand is weggenomen, zou met vele andere kunnen vermeerderd worden.
Laat men ten overvloede eens denken aan de hooge belastingen, die vooral op het platteland tegenwoordig moeten betaald worden, en ook eens de vraag overwegen of de onderwijzer op het dorp vaak niet meer stand heeft op te houden als zijn collega in de groote stad.
Zeker men kan toegeven, dat er gemeenten in het land zijn waar de levensstandaard bijzonder hoog is, maar dan behoort men in zulke gemeenten den onderwijzer een standplaatstóelage toe te kennen.
Een verdeeling van gemeenten in klassen - is uit den tijd. Zij brengt bovendien het groote nadeel van een reizend en trekkend onderwqzerskorps.
In de tweede plaats valt er bezwaar te maken tegen de bepaling van het 5e id van artikel 26 quatre luidende:
„Op de jaarwedde van het hoofd eener school wordt, zoolang hij in het genot van vrije woning is, een bedrag van tien ten - honderd in mindering gebracht."
Een hoofd van een school, die in eene emeente van de 5e klasse, dus van een gemeente van de kleinste soort, een jaarwedde zal genieten (na 19 jaren dienst) van f 2690, zal, zoo hij in het genot is van vrije woning, en dat zijn deze hoofden allen, niet dat bedrag krijgen, maar 269 minder.
Deze aftrek lijkt ons voor menige onderwijzerswoning te hoog, ook om reden, dat vele dier woningen de huurwaarde van f 269 niet hebben. Waarschijnlijk zal het gevolg van dien maategel nog zijn, dat de onderwijzers met vrije woning ook met het onderhoud der woning belast worden.
Op dit punt is de regeling ook niet duidelijk, want wat zal er gebeuren, als b.v. de bedoelde onderwijzer de woning niet zal wenschen te bewonen en in een andere woning zgn intrek neemt.
Zal de woning dan door de gemeente of het schoolbestuur ten eigen profijte kunnen verhuurd worden of aan de woning een andere bestemming kunnen gegeven worden? Daarvan zegt het wetsvoorstel niets.
Bij deze twee punten zullen we het voorshands laten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's