De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

9 minuten leestijd

VI.

Jezus prijst in den aanhef der bergrede de armen gelukkig. Dat Mattheüs hen „armen van geest" noemt, mag ons er niet toe verlokken, hier alle sodale bedoeling weg te denken, en deze zaligspreking geheel te vergeestelgken.

Wel degelijk heeft Jezus de armen naar de wereld op het oog, de geringen en gedrukten.

Hun sociale positie was, gelijk wij zagen, schijnbaar ongunstig voor hun religieuae uitzichten, voor hun verhouding tot het koninkrijk Gods, waarop Israël hoopte, waarin de mannen der stipte wetsvervulling allereerst, als vanzelf, dachten in te gaan, en dat nu als nabij door Jezus werd gepredikt.

En nu komt juist tot die armen, die geen ingang meenden te verkregen, de troost-roep: zalig de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen!

De Fariseër, sterk en zelfbewust, hoog van hart, en in staat, naar hij meende, om alles te verrichten wat Gods wet van hem eischte, zou door zij na trouw en vroomheid het komen van het Koninkrijk Gods verhaasten.

Maar de arme, gedrukt door de minachting van de Parizeërs, overtuigd van zijne niets-waardigheid, levende uit d« hand Gods, tot Hem zgne toevlucht nemend, voor God zich buigend in zgne schuld, kon hij eenige verwachting hebben ?

Daarop is Jezus' zaligspreking het antwoord.

En Lukas voegt er dan ook bij: „wee u, gg rijken, want gij hebt uwe vertroosting (reeds) ontvangen (Lukas € vers 24) d.w.z. in uwe zelfvoldaanheid, in uw eigengerechtige inbeelding.

Doch geeft dit nu recht, gelijk Maurenbrecher doet, te spreken van „proletarische instincten" als drgvende kracht in Jezus' critiek op het Farizeïsme?

Is er reden, te zeggen, „dat juist de sociale tegenstelling het Jezus onmoge-Igk maken moest, verlossing en vroomheid aóó te verstaan, als men haar in de burgerlijke wereld zijner omgeving opvatte"?

Maurenbrecher, die dit beweert, begaat daarbij niet de dwaasheid, die anderen hebben gehad, om Jezus tot een sociaal-demoeraat te verklaren. Hij heeft historisch besef genoeg, om dit na te laten. Wanneer hij spreekt van een proletarisch instinct" bij Jezus, waarschuwt hijzelf ervoor, dat men dit woord niet in den modernen zin moet verstaan, alsof hierin de gedachte lag van een' klasse-beweging der bezitloozen, die sociale doeleinden najagen en daarom naar oeconomisclie of politieke macht streven.

Hij erkent, dat oeconomie en politiek niet in Jezus' gedaöhtenkring lag.

Hij heeft evenmin een schare van rebellen om zich heen vergaderd, die een gewapenden opstand bedoelden, als een oeconomische organisatie van communistisch karakter gesticht." Maurenbrecher geeft ruiterlijk toe, dat er geen enkel feitelijk gegeven is voor hetgeen Kautzky in dit opzicht heeft beweerd. „Jezus was geen proletariër in den huldigen zin van het woord. En nog minder mag men zeggen, dat Hij, indien Hij in onze dagen leefde, sociaal-democraat zou zijn." 

Doch Maurenbrecher tracht met dat al ook hier zijne historisch-materialistische verklaring toe te passen, als hij zegt: „Jezus kwam uit andere kringen dan de Farizeërs, en heeft dientengevolge het gansche leven, geheel de religie van een ander standpunt beschouwd. Voor Hem had slechts waarde, wat overeenstemde met de instincten van den arme."

Hier worden de dingen weer precies op hun kop gezet ten dienste van de historisch-materialistische opvatting, dat de geestelijke houding, de gedachten en strevingen van den mensch bepaald worden door, en afhangen van zijne sociale en oeconomische positie.

Evenwel blijft zóó volkomen onverklaard, waarom juist aan de armen het koninkrijk Gods wordt toegezegd. Indien armoede op zichzelve, indien sociale afhankelgkheid zonder meer tot het koninkrijk Gods den toegang ontsloot, dan zouden wjj toch een motiveering van een dergelijke uitspraak mogen verwachten.

De tegenwoordige sociaal - democraat jaagt zijn ideaal van omwenteling van de sociale verhoudingen na op grond van zijn „recht op een mensch waardig bestaan"; hij strijdt voor hetgeen hij meent, dat hem toekomt; hij maakt er aanspraak op.

Doch vinden wij nu ergens in 's Heeren prediking dezen gedachten gang, dat voor den arme het koninkrijk Gods zou zijn krachtens eenige aanspraak, uithoofde van eenig recht, dat hij als mensch, of als arm mensch hebben zou."

Staat niet aan het begin Zijner prediking, zoo goed als het ook van Johannes' prediking het middelpunt was: bekeert u, want het koninkrijk Gods is nabq gekomen ? Matth. 4 VS. 17, Mark. 1 vs. 15.

Het is juist andersom: Jezus' opvatting van de i; eligie werd niet bepaald door Zijne sociale positie; maar Hq heeft, in Zijne volmaakte, zuivere kennis Gods, de beteekenis der sociale positie voor de religie gezien.

Als het Woord, dat vleesch werd, leefde Hig in volkomen afhankelijkheid van den Vader, Hg kon niets van Zichzelven doen, tenzij Hij dat den Vader zag doen; in alles leefde Hij als mensch uit de hand en door de kracht Zijns Gods.

Zelfs toen Hem hongerde, na een lange vasten, weigert Hq eigenmachtig Zich voedsel te verschaffen ; immers wat den mensch in het leven houdt, is niet het brood op zichzelf, doch de zegen, dien God eraan verbindt, de kracht, die God erin werken doet om 's menschen levenskrachten te vernieuwen. Daarom wijst Jezus den verzoeker af met de woorden „de mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat."

En hoe dat besef van afhankelijkheid versterkt werd ook door een uitwendig nederigen staat, dat wist Hiij uit eigen ervaring; hoe het bedreigd en verdreven werd in het zondig menschenhart, dat krachtens zqn aard steeds streeft zich van God los te maken, dat kon Hij alom gadeslaan om Zich henen.

Daarom prijst Hij de „armen van geest" gelukkig, en laat Hij aan Johannes den Dooper door diens leerlingen zeggen, dat den armen het evangelie wordt verkondigd.

Zij waren het, die zich het eerst erop zouden verheugen, omdat sij meenden, het verst van het koninkrijk Gods af te staan. Bg hen zon de blijde boodschap het eerst weerklank vinden, omdat voor hen niet de gevaren dreigden, die voor de rijken zeer wezenlijk waren: het gevaar van zelfvertrouwen en zelfoverschatting, van hoogmoed tegenover God en menschen, van eigengerechtigheid en zelfbehagen.

Zoó is ook dit woord, dat aan de armen het evangelie wordt verkondigd, verstaan door uitleggers, die niet het stoffelijke en geestelijke volkomen van elkaar afscheidden, en bij de armoede dezer armen uitsluitend aan geestelijke armoede meenden te moeten denken. Waar niet deze klove gaapt tusschen het geestelijk en het stoffelijk bestaan, en waar geen Marxistische dogmatiek de helderheid van oordeel benevelde, kunnen wij Jezus' woord dan «ok in dezen zin verklaard vinden.

.Wq willen hier het woord geven aan Calvijn, die bij Matth. 11 vers 5 het volgende aanteekent: „Christus is bepaald bestemd voor arnaen en beproefden. En met opzet haalt Hij deze profetie (n.l. Jes. 61 vers 2) aan, gedeeltelqk om al de Zijnen te onderrichten in de eerste beginselen der nederigheid, gedeeltelijk om den aanstoot weg te nemen, dien vleeschelijke gezindheid zou kunnen nemen aan Zqne onaanzienlijke kudde. Want trotsch van aard als wq zqn, heeft bij ons bqna niets waarde, tenzij het van veel schittering is omgeven. En aiets is verder verwqderd van uitwendigen glans en pracht dan de Kerk van Christus, die uit de geringe menschen vergaderd wordt.

Velen verachten dan ook het evangelie, omdat het door de hoogsten en aanzienlijksten niet wordt aangenomen. Doch deze waardeering is totaal verkeerd, gelqk Christus aantoont uit den aard-zelven van het evangelie, daar het allereerst voor de armen en nederigen bestemd is. Hieruit volgt, dat er niets vreemds of verbijsterends in is, als het evangelie veracht wordt door alle groeten die door hun rijkdom opgeblazen zijn, en geen plaats laten voor de genade Gods Zeer zeker worden zq „armen" genoemd, wier staat ellendig en gering is, en die voor niets geacht worden."

Daar is dus zonder eenigen twijfel in 's Heeren prediking een toon, die vooral de armen moet trefftn, een beloifte, die met name de armen en ellendigen geldt.

Doch men vergete daarbij niet, dat de sociale tegenstelling tusschen armen en rijken bij Hem niet het eenige is. Zq heeft een anderen achtergrond. In onze dagen van materialisme is de tegenstelling : rijkdom—armoede er eene, die I louter gedachten aan onderscheid in sociale positie wekt. Wat de één heeft in overvloed van spijze, van levensgenot, van gelegenheden zijn bestaan te kleuren en op te fleuren door allerlei, dat voor geld te verkrijgen is, dat mist en begeert de ander.

Van een vraag, of het verschil "tusschen rijkdom en armoede ook nog eenige andere beteekenis heeft, valt in onze tijden geen sprake meer.

Dat was anders in Jezus' dagen, toen in Israël het leven nog religieus bepaald was, en beheerscht werd door de wet Gods. Dat was anders bij Jezus Zei ven vooral, in Wiens gansche bestaan ongerept en zuiver de waarachtige en volkomen religie opbloeide, en die dus alles beheerscht zag door de vraag, welke waarde en beteekenis iets had voor God en Zijn Koninkrijk.

En nu kan men gemakkelijk inzien, hoe, mits het leven is verlicht en vernieuwd door den H. Geest, er een nauw verband is tusschen sociale en geestelijke armoede.

En hoe er in rykdom, in weelde en overvloed, in een hooge sociale positie, een gevaar schuilt; hoe gemakkelqk zoekt de rqke het in zichzelf, sluipt de hoogmoed in zijne ziel, en leert hij den ootmoed af. Hoe licht kan sociale rijkdom een belemmering, een gevaar zqn voor waarachtige armoede van geest.

De maatschappelqke positie is dus in de prediking des Heeren wel een punt, dat ter sprake komt. Maar nimmer om dat maatschappelijke op zichzelf. Altijd om er op te wqzen, welke beteekenis het heeft voor de verhouding tegenover God.

Af te zien van het schepsel, zijn vertrouwen te stellen op de barmhartigheid Gods, niets in zichzelf te vinden, en voor lichaam en ziel alles te verwachten van Zijne ontferming, dat is het, wat rqk maakt in God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's