Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN.
7) , 't Zal voor julliui, kinderen, een groot geluk zijn, dat je de kroeg uitkomt 1"
Ha, Hier was een hart voor 't meisje I , , 0 tante, ik hoop zoo, dat we de herberg uit zullen moeten, 'k Verlang er naar als naar 't grootste geluk."
Tante Betje sloeg haar dikke handen tegen elkaar, en haar gelaat kreeg een uitdrukking, alsof ze bad en dankte tegelijk.
.Kind toch, wat zeg je Wat hoor ik I Wel, wel, dat moet vader weten! — Zoo, je maalt om de herberg niet? — En wat zou je dan? "
, Wel, tante! ik zou dadelijk een dienst zoeken, maar dan bq goede menschenl"
Wat had Betje een schik — „maar dan bq goede menschen" — „bq goede!" — Ze wendde zich van haar nicht af en schudde den vinger tegen — tegen haar eigen blqde inweudigheid; ze schudde dien vinger, zooals ze als jong meisje deed, wanneer ze iemand te pakken zou nemen, zoo bekoorligk ondeugend.
Alsof ze in 't allerminst geen begrip had van goede menschen, en dat toch zeer, zeer gaarne wilde hebben, wendde ze zich naar haar nicht met een gelaat, zoo ernstig en nieuwsgierig, alsof ze op de openbaring van een groot geheim hoopte, en zei: .
„Wat bedoel je met goede menschen, Ombra? " En 't meisje had het antwoord voor de hand: „Zooals u, tante, en als oomi" Tante trok het hoofd zoo ver mogelijk van haar nicht af.
„Hoe bedoel je dat, kind? " 't Duurde nog al een poosje, eer er iets als een antwoord kwam.
„Tante, bg ons is 't zoo leeg, en zoo laag; 't is hier zoo heel anders; — ik kan 't niet beter zeggen."
„Je wil zeggen, dat het hier geen herberg is? "
„Nee, — kijk tante — 't is de herberg toch niet, die 't doet. — De meeste menschen, die geregeld de herberg bezoeken, lijken mg zoo leeg — echt leeg — en velen nog laag ook. — O tante, je moet dien af gewaaiden praat hooren, dat leege, platte — je wordt er wee van, ....-."
Tante Betje gluurde door 't raam en zag haar man naar huis komen; ze ging haastig binnendoor naar de werkplaats, om hem daar op te vangen en toe te fluisteren, dat hij maar niet over 't varken moest spreken. Zoodra ze haar plan volbracht had, ging ze naar de keuken, om den schijn van afspraak met haar man te weren, en hij ging dan in de huiskamer, om zgn nicht te groeten.
Tante Bet kwam nu binnen met de koffie en een wel voorziene broodschaal, bestemd enkel voor Ombra, die na de lange reis flink trek had. Spoedig had nichtje iets op haar bordje gereed, doch ze begon er niet aan, zelfs niet na de herhaalde aanmaning van tante, om maar te doen of ze thuis was. Ze werd verlegen, en dat bleek vooral uit enkele vragen, haar door oom gedaan, en waarop ze niet antwoordde: haar gedachten schenen ver weg bezig te zqn.
„Toe kind, begin nul — zei tante. haar tegen den arm duwend — je zult wel honger hebben 1 Toe I je moet doen, of je thuis bent!"
Ombra [sloeg haar oogen nu neer en zei: „Wij bidden thuis nooit, tante I" En dan hulpbehoevend tot haar oom opziend:
„Als oom ...." Tante Bet begreep haar terstond en keek haar man aan, knikte hem met gesloten oogen toe en vouwde haar handen tot gebed. Dan wist hij ook in eens genoeg en zei:
„Laten we dan bidden!" Voorzeker, 't gebeurde ook hem wel, dat hij bad, overluid, met woorden, maar als gedachteloos, of inwendig ver weg gedwaald. En 't gebeurde tante evenzeer, dat zij wel woord voor woord en zin voor zin van zijn gebed hoorde, maar dat haar gedachten in de keuken, of in de kleerkast, of wie weet waar waren.
Maar nu „Onze Vader, die in de hemelen zgt...."
Ombra-wist het nu zeker, dat oom Johannes iets afsmeekte van Eén, die waarachtig bestond. Eén, die in den hemel was, en toch ook hier moest zijn, om dat bidden te kunnen hooren. Eén, die overal was, waar oom Johannes hart en handen tot Hem ophief. Zij voelde zich nu in de onmiddellijke nabijheid van dien Eenen, die goed was, goeder dan de goede menschen, en wat oom Johannes sprak — hoewel z' er den zin niet van vatte — ging als een machtige stroom van ongekend bekoorligke aandoening langs haar, over haar, dóór haar. Hier steeg een zucht van zaligheid en om zaligheid uit het diepst baars harten omhoog; een zucht, als 't moederlijke van 't nog ongeborene, een zucht, als de voorjaarsbolster, waarin bloesem en vrucht nog slechts als onstoffelijke ziel aanwezig zijn; een zucht, als de zwevende dauw vóór ze haar morgenparelen baart.
Hier, om haar, in haar was God, de God en Vader van oom Johannes en tante Betje; hier was volheid, hoogheid, leven. Hier, nu, voelde ze de deining der eeuwigheid en hoorde ze 't klotsen van den oceaan der allerlieflijkste zielsrust en zoetste vrede.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's