De Diaconale Armenzorg.
De veruitwendiging van den diaconalen arbeid.
* III.
Groote geesteloosheid en wereldgelijkvorgmigheid zijn de voornaamste oorzaken, die het godsdienstig en kerkelijk leven onzer dagen hebben veruitwendigd, die ook de verzorging van de arme en hulpbehoevende leden vaak tot een sleur en gewoonte hebben verlaagd, waardoor dit werk voor God in den hemel zijn beteekenis verliest en ook in deze wereld niet dat doel daarmee bereikt wordt, dat anders berakt zou kunnen worden.
Evenwel nog op een Eindere oorzaak der veruitwendiging valt te wgzen, eene, die in naam geheel tegenovergesteld is aan de reeds genoemde, n.l.'overgeestelijkheid. Dat deze geestesgesteldheid op godsdienstig en kerkelijk-terrein volkomen dezelfde vrucht voortbrengt als geesteloosheid en vormelijkheid, bewijst alweer hoe groote waarheid ligt opgesloten in het bekende woord: „de uitersten raken elkander."
Onder overgeestelijkheid verstaan we een schijnbare overvloed van geestelijk leven, ten gevolge waarvan dit isven niet meer door de van God gestelde wegen en middelen kan henenstroomen, maar naar alle zijden uitbreekt en zich nieuwe wegen baant om in overeenstemming met zijn aard zich daarin te kunnen openbaren. Vandaar dat in tal van streken van ons vaderland deze overgeestelijkheid zich uit in een breken met de Kerk, met de ambten, met de Sacramenten. Men beschouwt deze schoon van God ingestelde middelen als uiterlijke vormen, waar het inwendige geestelijke leven niets mee heeft te maken; dat leven vraagt naar andere levensvormen dan de in de Kerk overgeleverde; in dezen weg ontstaat de onkerkelijke richting, bij welke het z g.n. geestelijk leven zich een weg baant in onderlinge samenkomsten, in het houden van vrome gesprekken, in het volgen soms van zeer eigenaardige gebruiken en gewoonten etc.
Schijnbaar is hier een overvloed van geestelijk leven, dat zich stoot aan de geesteloosheid in 't midden der Gemeente, het in die bedompte atmosfeer niet meer kan uithouden en nu naar frisscher lucht zoekend uitbreekt naar buiten om zich daar een nieuwe bedding uit te graven. Evenwel deze overvloed van geestelijk leven is slechts schijn; het big kt niet alleen daaruit, dat het zich afkeert van des Heeren eigen inzettingen maar verraadt zich ook, doordat het zich aan de vormeliijkheid en geesteloosheid in het midden der Gemeente meer stoot en ergert dan daarover bedroefd is; zulk een ergernis is niet uit den Geest maar uit het vleesch.
Heel dit proces kan ik niet beter vergelijken dan bij hetgeen ik onlangs opmerkte in den tuin. Een peereboom had over heel de lengte van zijn stam nieuwe loten geschoten, jonge frissche scheuten. Wie geen kennis van zaken heeft, is geneigd zich over de openbaring van dat nieuwe leven te verheugen; misschien zal hij een oude, eenigszins verschrompelde tak afzagen om één der scheuten tot een nieuwe tak te laten ontwikkelen..
Maar de tuinman beziet de zaak heel anders; hij slaat al die loten eraf en schudt bedenkelijk zijn hoofd. Die wilde loten (want anders zijn het ïjjet, dewijl ze uit den wilden stam zijn opgekomen) zqn geen best teeken. Zij getuigen geenszins van een overvloed van levenssappen, maar zgn een bewijs, dat het met dien boom niet in orde is. Een gezonde boom doet dat niet. En hoe eerder die wilde loten worden, afgesneden, hoe beter, want ze ontnemen den boom steeds meer van zijn kracht.
Wat in dit beeld ligt opgesloten, n.l. dat het dan ook met de Kerk niet in orde is, stemmen wij volkomen toe. Daar is iets, daar is zelfs veel, dat niet is, zooals hel behoorde te zgn. Daarom ligt er veel waarheid in het woord, dat we in de verschillende secten de onbetaalde rekeningen der Kerk hebben te zien. Er is oorzaak gegeven, waardoor velen de Kerk hebben verlaten om het buiten haar te zoeken.
Doch gelijk wij eenerzij ds onze zonde en schuld niet wenschen te verbloemen, moet anderzijds ook alle nadruk worden gelegd op de verdere consequenties, die uit het gebruikte beeld zijn te trekken, n.l. dat wg met genoemde geestesrichting geen oogenblik mogen coquetteeren en haar vruchten, laat ik liever zeggen, haar uitwassen met kracht behooren tegen te gaan. Want deze geestesgesteldheid richt ontzaglijke schade aan in ons godsdienstig en kerkelijk leven, richt ook de armverzorging geheel te gronde en zal, zoo ze kans ziet voort te woekeren, op dit terrein een wanorde en verwarring scheppen, waardoor in een korte spanne tijds wordt afgebroken wat gedurende eeuwen is opgebouwd.
Natuurlqk is het niet onze bedoeling om thans bij de onkerkelijke richting, voorzoover ze kuiten de Kerk zich openbaart, stil te staan en te onderzoeken in welken zin in die kringen nog gesproken kan worden van armverzorging. Veel meer moet gewaarschuwd worden tegen deze geestesgesteldheid, voorzoover ze in de Kerk zich openbaart en tal van leden der Gemeente bekoort en aantrekt. Want daardoor is ze in staat ook in de Kerk haar ontbindende kracht tot uiting te brengen en tal van pogingen om op godsdienstig en kerkelijk terrein iets aan te pakken, iets uit te richten, worden daardoor met vruchteloosheid geslagen.
Schoon de verleiding groot is om het onderwerp ruimer te bezien, we moeten ons beperken tot den invloed van deze geestesgesteldheid op den arbeid der diaconie.
In de verschillende bekeeringsgeschiedenissen, die in omloop zijn en in den regel gretig gelezen worden, zien we vaak meer den nadruk gelegd op wondere uitreddfegen uit tijdelijken nood, op bizondere leidingen Gods ten opzichte van 'smenschen levenslot en levensloop dan op het eigenlijk werk van den H. Geest in het hart van den zondaar, de overtuiging de bekeering, de rechtvaardiging, de heiligmaking en alles wat daarmede samenhangt, de worsteling en den strijd, de vreugde en de blijdschap des geloofs. Over het algemeen valt dit ; in den smaak van het lezend publiek. ' Hoe wonderlijker de uitreddingen, hoe ' ingrijpender de leidingen Gods zijn, met , des te meer genoegen leest en herleest men deze geschiedenissen. De verborgen werkingen des H. Geest es worden vaak zoo weinig verstaan, maar als men leest hoe iemand in nood zit en hoe God langs ongedachte wegen uitkomst geeft, dat spreekt tot de menschen.
Nu willen wij allerminst ontkennen dat God in allerlei opzichten zich aan Zijn volk de God des Verbonds betoont te zijn; en als een kind des Heeren ons verhaalt, hoe God hem uithielp, toen hij onder den df, uk der tijden dacht om te komen, dan wenschen'wij met hem Gods trouw en goedheid groot te maken. Maar men mag deze dingen toch niet éénzijdig gaan bezien en de uitzondering niet tot regel gaan verheffen. En dat juist is de geestesgesteldheid, die gansche Gemeenten besmet heeft. Als Gods kinderen in nood zijn wat het tijdelijk leven aangaat, dan, zoo zegt men, zal God ze wel uitkomst geven èn — het gaat er onmiddellijk mee gepaard als men zich deze uitkomst altijd langs wondere wegen denkt — èa de arbeid der diaconie gaat buiten den gezichtskring vallen. Dat er nog zoo iets als kerkelijke armenzorg is, men is het niet vergeten, maar men acht, dat dit meer is voor onbekeerde en wereldsche menschen, die tot armoede vervallen. Voor Zijn kinderen zorgt de Heere Zelf. Leest men ooit in een bekeeringsgeschiedenis dat zoo iemand door de diaconie geholpen werd? Neen, de Heere kwam Zelf tusschenbeide.
In dezen gedachtengang, dien aeer velen zijn toegedaan, wordt de arbeid der diaconie een ongeestelgk werk, het op wondere wijze door God geholpen worden een geestelqke weg. De ondersteuning door de diaconie wordt gezien als menschenwerk, een bizondere uitredding alleen als Gods werk. Dit is de oorzaak dat het werk der diakenen bij velen geen waardeering vinden kan. Men moge zich niet geheel van steun onthouden, Toch voelt men niet voor dezen arbeid.
Daarom geeft men zoo weinig mogelijk. En met jaloerschheid spreekt men van die menschen, die door God werden gebruikt om een kind des Heeren uit zijn nood uit te heipen; zulk een weg zou men ook wel willen doormaken; dan kon men eerst recht zeggen, dat God de gave had gevraagd en tot het geven had gedrongen; nu blijft al dat geven menschlijk en vleeschlijk. Ach, men ziet niet in, hoe vleeschlijk juist zulk een wensch is, dewijl men de armen helpen wil, niet uit liefde, maar om zichzelfswille, om ook eens iets te hebben meegemaakt. Bovendien, dat deze bizondere leidingen Gods zeldzaam zijn , en een mensch weinig te beurt vallen, vele bewonderaars daarvan vinden het eigenlijk niets erg, want — ze zullen het u niet openlijk zeggen, maar het leeft in hunne harten — nu kan de beurs meestentgds gesloten blijven. Wat al ongeestelijkheid en vleeschlijkheid gaat onder die overgeestelijkheid schuil I
Het ergste van alles is echter, dat in dezen weg aan de eere Gods wordt tekort gedaan, Zijn wijze inzettingen worden verworpen en Zijn goddelqke leidingen met Zijn Kerk worden miskend. Of is het niet onder de onmiddellijke leiding des H. Geestes geweest, dat het diakenambt werd ingesteld ? En is het niet de Heere Christus Zelf, die door dit ambt Zijn liefde tot het arme en ellendige wil openbaren ? Welnu dan treft de smaad en lastering den Heere in den hemel Zelf, als men den diaconalen arbeid een ongeestelgk werk en de hulp, door diakenen verleend, menschenwerk scheldt.
De Christenen der eerste Christen-Gemeente oordeelden anders. Zij hebben niet gewacht op een bizondere aanwijzing van een bizonder persoon, dien ze moesten voorthelpen; ze hebben in kinderlijken eenvoud en door waarachtige liefde gedreven van hun eigendommen verkocht en aan de voeten der apostelen neergelegd. Was dat ongeestelijk? Waa dat vleeschelijke aandrift? Getuigt de Schrift niet veel meer, dat juist deze menschen des H. Geestes vol waren en dai de H. Geest hen dreef om elkander niet lief te hebben met den woorde en met de tong, maar metterdaad en in waarheid? Doch tal van wgzen uit onze dagen weten het beter en wat de Heere in Zijn Gemeente verordend heeft, wordt veracht en op zij gezet. Voor hetgeen volgens getuigenis der Schrift onder de leiding des Geestes is tot stand gekomen, heeft men geen eerbied meer, doch diep wenscht men zich neer te buigen voor de openbaringen, die men zelf van God ontvangt en die alleen wil men erkennen als uit den Geest te zijn. Hoe leeft toch telkens de oude geestdrijverij weer op en hoe menig voorganger ziet dit niet en steunt en sterkt vaak een geestesgesteldheid, die bij volledige doorwerking op kerkelijk gebied geen verordening des Heeren spaart, maar een bolsjewikische wanorde schept, die den ondergang van Gods Kerk beteekent en de totale verwoesting van hetgeen onze vaderen gedurende eeuwen op het gebied der armenzorg hebben verricht en opgebouwd.
Onze voorgaande artikelen hebben duidelijk getoond, dat wij oog hebben voor de geesteloosheid, waarmede de diaconale armenzorg vaak wordt verricht, maar de schuld daarvan moet men zichzelf geven, niet den arbeid als zoodanig. Dat de Heere Zelf dezen arbeid gewild heeft en het ambt van diaken heeft ingesteld, is voor ons bewijs, dat zich geen betere weg van verzorging laat denken ; helaas wij, menschen, bederven zoo dikwijls dit werk des Heeren en maken met onze zonden Zijn inzettingen te schande. '
Wanneer er dus iets hapert aan dezen arbeid, laat ons dan toch niet meenen, dat deze bedding te eng en te nauw is voor de stroomen van 's Geestes leven om daarbuiten een nieuwe bedding te graven; laten wij liever de schuld bij onszelf zoeken in gebrek aan Geest en leven, in allerlei onschriftuurlijke meeningen en gedachten. De verordeningen des Heeren ziijn wijs en goed. God gave, dat onze harten meer lust hadden daarin te wandelen 1 Welke schoone vruchten zouden er voortgebracht worden I
Indien Israël wandelde iu de wegen en do inzettingen zijns Gods, de heidenen zouden naar Mozes' woord (Deut. 4 : 8) zich verbazen en uitroepen: dit groote volk is alleen een wijs en verstandig volk!"
Indien de Gemeente des Heeren den diaconalen arbeid behartigde in en naar den Geest des Heeren, voorzeker ze zou als een licht schijnen in het midden van een krom en, verdraaid geslacht en de wereld zou zich verbazen en erkennen, dat God in haar midden woont.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's